Is de mens goed geschapen? Over een zinnetje dat er niet staat (Genesis 1:27-28)

Als we de Bijbel lezen, moeten we proberen niet alleen te lezen wat er staat, maar ook wat er niet staat. Dat is natuurlijk erg moeilijk. Je moet daarvoor niet alleen de hele Bijbel tamelijk goed kennen, maar ook de toenmalige culturele context en onze huidige context. Als je de toenmalige context kent, valt je bijvoorbeeld in Genesis 1 op, dat de zon en de maan géén goden genoemd worden. Dat dat er níet staat, heeft betekenis.

Soms kun je zoiets ook op het spoor komen, door eenvoudig nauwkeurig de tekst zelf te lezen; vergelijking met de culturele context is dan niet nodig. Dat geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de schepping van de mens in Genesis 1. We zien in dit hoofdstuk dat de meeste scheppingsdaden van God afgesloten worden met de opmerking: “En God zag dat het goed was.” (1:10, 12, 18, 21, 25) Overigens staat het niet bij elke dag en elke daad. In vers 4 staat van het licht dat het goed is; van het eveneens geschapen duister staat het niet. Bij de tweede dag ontbreekt de opmerking, en bij de derde dag staat het twee keer. Bij de vijfde dag staat het over de vissen en vogels, direct na hun schepping, vóórdat ze gezegend worden (21). Datzelfde gebeurt bij de landdieren (25). Op grond daarvan zouden we verwachten dat het ook bij de schepping van de mens staat, en wel aan het einde van vers 27. Ja, bij de schepping van de mens zouden we wel het állermeest verwachten dat het er zou staan, want is de mens niet Gods beste schepsel, de kroon op de schepping?

Het staat er echter niet! Van de mens wordt niet gezegd: ‘God zag dat het goed was’. Er is voor de nauwkeurige lezer een heel opvallend zwijgen hier.

We kunnen zeggen: dat de mens goed geschapen is, staat er impliciet toch, namelijk in 1:31 – ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’ De mens valt toch ook onder ‘al wat God gemaakt heeft’? Toch neemt dit het opvallende zwijgen tussen vers 27 en 28 niet weg. We zouden beide bijeen kunnen brengen, door te zeggen: dat de mens goed geschapen is, betekent dat hij vrij geschapen is. Echter: óf dit werkelijk goed genoemd kan worden, hangt af van hoe die mens zijn vrijheid gebruikt. Daarom moet het oordeel over de mens opgeschort worden.

Dat dieren en planten goed zijn, kunnen we aan het begin van de wereld al zeggen, juist omdat zij niet vrij zijn. Of de schepping van de mens een goed idee was, kunnen we pas aan het einde van de geschiedenis concluderen – juist omdat de mens vrij is. We moeten het oordeel over de schepping van de mens opschorten. God schort het ook op.

De mens is niet zozeer goed geschapen; hij is vrij geschapen. Dat maakt de geschiedenis mogelijk. En die geschiedenis is uitermate spannend, zowel voor ons als voor God. De beslissende vraag in dit drama is: welk gebruik maken wij van onze vrijheid?