Gerrit Achterberg over de stad

De stad

 

De stad staart in de stad.

Huizen, beurs en bodemloos,

sneeuwen zorgzaam dicht.

Wat hier nog aan gelegen ligt?

Mijn lot heeft vlam gevat.

Uit een bedwelming voor altoos

veeg ik de sneeuw uit mijn gezicht,

hef ik mijn oogen naar de troost

van ’t onvergeetbaar vergezicht,

dat mij tot straalpunt koos en wachter;

laat ik versteend en ongericht,

mijn spiegelbeeld in ’t asphalt achter.

 

Gerrit Achterberg was van boerenafkomst, zoals niet alleen uit zijn biografie blijkt, maar ook uit zijn poëzie (‘Eben Haëzer’). In dit boerse calvinisme staat de ‘stad’ niet zozeer voor Jeruzalem, maar veel meer voor Sodom en Babel. De stad wordt ervaren als plek waar de zonde welig tiert, een plek die gemeden, ontvlucht moet worden, gelijk Lot Sodom ontvluchtte. Zo kan de stad ook staan voor dit ondermaanse als geheel, dat ontvlucht moet worden om bij God te geraken. Dit alles vinden we duidelijk terug in de poëzie van Achterberg, bijvoorbeeld in het boven afgedrukte gedicht, dat in Achterbergs tweede bundel, ‘Eiland der ziel’ (1939) is opgenomen, maar geschreven werd in de tijd van zijn debuut ‘Afvaart’ (1931). In dit debuut staat de bekende frase ‘voorbij de laatste stad’, waarin eveneens het piëtistisch en romantisch verlangen doorklinkt. Wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende. Het betekent eveneens, dat bij Achterberg niet de romanticus spreekt die uit de stad ‘terug naar de natuur’ wil, maar de pelgrim, die vérder dan de allerlaatste stad wil, naar het rijk der genade.

In het gedicht ‘De stad’ ervaart de dichter de stad als iets dat in zichzelf staart, dat in zichzelf besloten is, en hem buitensluit. Het sneeuwt er dicht, weliswaar ‘zorgzaam’, maar dan als een om zichzelf bekommerd zijn. Des dichters lot is een ander lot, en het ‘heeft vlam gevat’ – een scherp contrast met de stad. De sneeuw kan hem niet raken. Hij staat onder een andere sneeuw, ‘een bedwelming van altoos’. Zoals de sneeuw senkrecht von Oben een andere werkelijkheid aanduidt, zo is de dichter te midden van het aardse verbonden met een hogere werkelijkheid, met God en de eeuwigheid, met het zuivere en zondeloze (denk aan de Bijbelse metaforiek rond ‘sneeuw’). En in dat alles heeft hij een besef van verkiezing, en daarin van troost: ‘de troost van ’t onvergeetbaar vergezicht / dat hem tot straalpunt koos en wachter’. Nu kan de dichter verder, de stad achterlatend. De wereld is hem eigenlijk in wezen onverschillig geworden – hier uitgedrukt door het woord ‘ongericht’. Welke kant hij horizontaal nog uitgaat, doet er niet meer toe, nu hij door een existentiële ervaring weet van een onverbrekelijke verticale binding. Dit is het piëtisme op zijn schoonst, zuiver, modern en creatief verwoord.