Rémi Brague, Europa, de romeinse weg (recensie)

Er is al jaren veel te doen over Europa, en dat wordt er de laatste tijd niet bepaald minder op. De eurocrisis, de vluchtelingencrisis en de onmacht om het terrorisme aan te pakken zetten de Europese Unie onder grote druk. Er wordt gespeculeerd over het mogelijke einde van het Schengen-akkoord, van de eurozone en soms zelfs van de EU.

Deze concrete problematiek maakt de vraag wat Europa eigenlijk is des te urgenter. De filosoof Kinneging stelt ergens, dat het typerend is voor onze tijd dat de ‘wat is-vraag’ niet meer gesteld wordt. Het pragmatisme heerst, ook in de omgang met Europa, terwijl hier misschien juist een probleem ligt. Waarom zouden we iets van Europa willen, als we niet weten wat Europa is en dus niet weten wat we in stand willen houden?

De Franse katholiek, filosoof en hoogleraar Rémi Brague (geb. 1947) is wereldberoemd in Frankrijk, maar helaas nog niet in Nederland. Hij doceerde Griekse, Romeinse en Arabische filosofie aan de Sorbonne en middeleeuwse filosofie aan de universiteit van München. In 2009 won hij de Grand Prix de Philosophie van de Académie Francaise voor zijn hele oeuvre, en uit handen van de paus ontving hij de Ratzingerprijs voor theologie. In 1992 verscheen zijn boek ‘Europe, la voie romaine’. Het verscheen (in uitgebreide versie) in 2013 in Nederland (‘Europa. De Romeinse weg’, uitgeverij Klement).

Dit boek stelt wel de ‘wat is-vraag’. Wat is Europa? Brague beantwoordt deze vraag op een originele manier, die blijk geeft van een enorme bronnenkennis en die consequent uitmondt in een pleidooi voor katholicisme en kritiek van de Islam. Een belangrijk boek.

Na de inleiding in het eerste hoofdstuk ontwikkelt Brague in het tweede en derde zijn centrale these. Volgens Brague is de identiteit van Europa een excentrische, letterlijk en figuurlijk. Twee steden buiten en aan de rand van het continent hebben Europa geschapen: Jeruzalem en Athene. In de hoofdstad van het oude Europa, Rome, bestond het besef dat er een norm buiten haar was waartoe iedereen zich moest verheffen. Voor de antieke Romeinse cultuur was dit het Griekse. De Romeinen integreerden dit en zij zorgden voor het ‘hellenisme’! Het christendom dat dan volgt, neemt deze Romeinse houding over. “Christenen zijn wezenlijk ‘Romeins’ omdat zij hun eigen ‘Grieken’ hebben met wie zij door een onverbrekelijke band verbonden zijn. Onze Grieken, dat zijn de joden.” (67) De Europese cultuur is zo een cultuur geworden die zichzelf door de eigen, externe bronnen voortdurend laat corrigeren. Vernieuwing is in Europa wezenlijk renaissance; zij vindt plaats door steeds opnieuw de bronnen te verwerken.

Brague illustreert dit aan de omgang van het christendom met het jodendom en het oude testament. Het christendom heeft het oude testament – na hevige interne strijd – niet afgewezen, maar integraal als Woord Gods opgenomen. De verschillen zitten op het hermeneutische vlak. Dit is typisch Romeins, Europees.

Brague laat ook scherp zien dat de Europese, christelijke cultuur zo wezenlijk van de islamitische verschilt. De Islam kent geen hermeneutische verwerking van het andere, maar slokt het andere op óf verwerpt het geheel. Dat de Koran niet het oude en nieuwe testament als Woord Gods erkent om er een derde testament aan toe te voegen, maar in plaats daarvan een nieuwe heilige Schrift schrijft, is typerend voor het wezen van deze religie en cultuur. Dat IS nu de cultuurschatten in Irak en Syrië opblaast, terwijl het christendom haar kerken bouwde op de plaatsen van oude heiligdommen, en in het heidendom heiligen ontwaardde die als cultuurdragers en meer dan dat erkend werden, dat de cultuur van de heidense oudheid juist in en door de kloosters bewaard werd – dit zijn geen toevallige symptomen, maar zij onthullen de essentie. Het christendom is dus wezenlijk verbonden met de identiteit van Europa. Het christendom is niet zozeer de inhoud, maar veeleer de vorm van Europa: het christendom staat voor ‘de Romeinse weg’. “Als de zaken zo staan, heeft het zich inzetten ten gunste van het christendom niets partijdigs of baatzuchtigs. Hierdoor wordt de gehele Europese cultuur verdedigd.” (226)

Europa is dus niet een gebied, maar een mentaliteit, een weg, de Romeinse weg die zich kan uitbreiden over de wereld, maar die ook kan verdwijnen. Men is meer of minder Europees, zowel binnen als buiten het geografische Europa. Tegenover het besef dat de identiteit excentrisch is, kan steeds weer ook een centrisme te staan. Dat kan ook Europa zelf doen; dan gaat het over het veelgenoemde ‘Eurocentrisme’. Maar dan is Europa niet meer zichzelf. Europa moet juist beseffen zelf ook buiten haar identiteit te staan. In die zin zijn niet-Europeanen soms in het voordeel in het verwerven van een Europese identiteit: zij hebben van meet af aan het besef iets van buiten te moeten veroveren.

Brague tekent dus het verwerpen van het marcionisme als ‘misschien de fundamentele beslissing in de geschiedenis van Europa als beschaving, in zoverre het de matrix levert voor de Europese verhouding tot het verleden en deze op het hoogste niveau verankert.’ (130) In het slothoofdstuk signaleert Brague evenwel twee sterke tendensen die deze beslissing ongedaan zouden kunnen maken. Hij constateert een vigerend ‘historisch marcionisme’, dat een radicale breuk met het (christelijke) verleden van Europa voorstaat, en een ‘technisch marcionisme’ dat de geschapen wereld wenst te vervangen door een technische werkelijkheid. De vraag is dus: zijn wij nog Romeins, en willen wij het nog zijn?

 

Dit boek is een historisch en wijsgerig betoog voor het christendom en tegen de Islam, maar ook tegen het (post)modernisme, voor zover dit zijn wortels in Athene en Jeruzalem niet erkent. Een intellectueel en nuchter, maar daardoor des te ingrijpender pleidooi. Intellectuelen als Brague zijn in Nederland heel erg dun gezaaid. Maar hij verdient het om ook hier gehoord te worden.