Lof van het platteland. Stad en platteland in de poëzie

Eén van de schoonste gedichten over ons land vind ik het gedicht ‘Boutade’ van P.A. de Génestet:

 

O land  van mest en mist, van vuilen, kouden regen,

Doorsijperd stukske  grond, vol killen dauw en damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,

Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

 

O saaie  brij-moeras, o erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn,

Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,

Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

 

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder; ’k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij niet op mijn verzoek . ontwoekerd aan de zee.

 

Het gedicht heeft de titel ‘Boutade’ (‘gechargeerde uitval’ zegt mijn woordenboek), maar natuurlijk is het ook, of wat mij betreft vooral een liefdesverklaring. Het is dit stukje grond waar het hart zo verknocht aan is, al is het dan vol onpeilbaar slijk, vuile regen en koude kramp. Zoals de Israëliet houdt van de woestijn, hoe dor en onvruchtbaar ook, maar toch eraan verknocht omdat het de ‘gewijde grond der Vaderen’ is – zo houdt de Nederlander van zijn stukje grond, ontwoekerd aan de zee. Dit land is zijn trots en zijn vreugde, hierop plengt hij zijn tranen en hier heft hij zijn lied aan. Werkelijk alles, ook onze religie zou anders geweest zijn als we op ander stuk land woonden. Dit is de bodem en het bloed, hier woont onze God, de God van Israël, de God van Dordrecht en Kudelstaart.

 

Hierom moeten wij de lof zingen van het Hollandse platteland; en dit is wat ik mis in de steden. Daar zijn de luchten te ver weg, de mestgeur te weinig aanwezig, de kiespijn en de kramp te zeer overwonnen. Daar vind ik stenen. Maar stenen leven niet. Alles wat de mens maakt, is levenloos. Het is niet eens dood, want de dood is nog eerbiedwaardig, en herinnert in haar stank en vergaan aan het leven, maar het levenloze heeft zelfs nooit geleefd. En dat levenloze is het enige dat de mens aan de schepping kan toevoegen. Daarom kan de mens ook in de toppunten van wat hij maakt geen schepper genoemd worden. Hoe indrukwekkend de oude architectuur (de kathedralen!) en de nieuwe (de Eiffeltoren! Daarna ook nog wat?) ook is, zij ademt levenloosheid. Het zijn de mensen en de bomen die het leven erin moeten brengen. Hoe onvoorstelbaar lelijk zijn sommige gebouwen, waarin sommigen toch gedoemd zijn dagelijks te verkeren, zoals het gebouw van de VU of dat van de Universiteit Utrecht dat nu het “Van Unnikgebouw” heet. Je zou je toch omdraaien in je graf als zo’n kolossale grafkelder van een gebouw naar je vernoemd wordt. Wat is een stad zonder park? Wat zou Utrecht, toch een van de mooiere steden van Nederland, zijn zonder het Wilhelminapark en het Julianapark? In de stad kun je je verheugen over een enkele paardenbloem of een manke stadsduif, juist omdat zij je eraan herinneren dat er nog iets van léven is.

Ook de mensen zijn daardoor anders in stad. Daar heerst anonimiteit; hoewel er veel meer mensen bij elkaar zijn, kennen ze elkaar minder, groeten ze elkaar minder, vormen ze minder een gemeenschap. De woningdichtheid lijkt omgekeerd evenredig met de mate waarin gemeenschap ervaren wordt. In een eindeloze polder waar je steeds een halve kilometer of meer moet rijden om bij het volgende huis te komen, kent men elkaars buren; in de stad niet. Het allerergste zijn de foeilelijke Vinexwijken, waar overdag geen levende ziel te bekennen is, omdat alle ouders – allemaal tweeverdieners – elders aan het werk zijn en alle kinderen op scholen en naschoolse opvang gestopt, en die verder driemaal per jaar helemaal leeg zijn, omdat de hele wijk dan met vakantie is. Waarom wil men zo graag met vakantie, en gaat men dan kamperen, naar de bergen of de bossen of het strand? Omdat men ergens nog beseft dat hoe men normaliter leeft, eigenlijk geen leven is.

Dit besef is diep geworteld in de Nederlandse gereformeerde traditie. Je ziet het bijvoorbeeld sterk in de poëzie van Gerrrit Achterberg – zelf een boerenzoon:

 De stad

 

 De stad staart in de stad.

Huizen, beurs en bodemloos,

sneeuwen zorgzaam dicht.

Wat hier nog aan gelegen ligt?

Mijn lot heeft vlam gevat.

Uit een bedwelming voor altoos

veeg ik de sneeuw uit mijn gezicht,

hef ik mijn oogen naar de troost

van ’t onvergeetbaar vergezicht,

dat mij tot straalpunt koos en wachter;

laat ik versteend en ongericht,

mijn spiegelbeeld in ’t asphalt achter.

Gerrit Achterberg was van boerenafkomst, zoals niet alleen uit zijn biografie blijkt, maar ook uit zijn poëzie (vergelijk het gedicht ‘Eben Haëzer’). In dit boerse calvinisme staat de ‘stad’ niet zozeer voor Jeruzalem, maar veel meer voor Sodom en Babel. De stad wordt ervaren als plek waar de zonde welig tiert, een plek die gemeden, ontvlucht moet worden, gelijk Lot Sodom ontvluchtte. Zo kan de stad ook staan voor dit ondermaanse als geheel, dat ontvlucht moet worden om bij God te geraken. Dit alles vinden we duidelijk terug in de poëzie van Achterberg, bijvoorbeeld in het boven afgedrukte gedicht, dat in Achterbergs tweede bundel, ‘Eiland der ziel’ (1939) is opgenomen, maar geschreven werd in de tijd van zijn debuut ‘Afvaart’ (1931). In dit debuut staat de bekende frase ‘voorbij de laatste stad’, waarin eveneens het piëtistisch en romantisch verlangen doorklinkt. Wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende. Het betekent eveneens, dat bij Achterberg niet de romanticus spreekt die uit de stad ‘terug naar de natuur’ wil, maar de pelgrim, die vérder dan de allerlaatste stad wil, naar het rijk der genade.

In het gedicht ‘De stad’ ervaart de dichter de stad als iets dat in zichzelf staart, dat in zichzelf besloten is, en hem buitensluit. Het sneeuwt er dicht, weliswaar ‘zorgzaam’, maar dan als een om zichzelf bekommerd zijn. Des dichters lot is een ander lot, en het ‘heeft vlam gevat’ – een scherp contrast met de stad. De sneeuw kan hem niet raken. Hij staat onder een andere sneeuw, ‘een bedwelming voor altoos’. Hier komen tijd en eeuwigheid tegenover elkaar te staan, ‘de stad Gods’ tegenover ‘de wereldse stad’ (Augustinus), de ‘stad des verderfs’ tegenover ‘de hemelse stad’, waar wij naartoe onderweg moeten (John Bunyan). De wereld, zich samenballend in de stad, trekt, maar moet verlaten worden.

 

Op het platteland heb ik nog mensen leren kennen die nooit met vakantie gingen, en diep gelukkig waren. Hoeveel tegenslag er soms ook op boerenbedrijf was, dit was het land van de vaderen georven, het land waar God hen geplant had, waar zij mochten en moesten arbeiden in het zweet des aanschijns, waar kinderen en kalveren geboren waren, waar de kastanje bloeide en de appelbomen hun vruchten gaven. De mens heet in het Hebreeuws ‘adam’, en het land ‘adama’. Dat rijmt niet voor niets. De mens die niet meer weet wat aarde is, die nooit meer met zijn handen daarin wroet, die nooit de schop gegrepen heeft om een boom te planten of een graf te dichten, die mens kan alleen maar mislukken. Hij vervreemdt van de aarde en daarom ook van zichzelf en van de God die de bodem en het bloed geschapen heeft.

Daarom is het zo erg dat dit platteland dreigt te verdwijnen. Dan valt niet alleen te denken aan de oprukkende stad of aan land dat teruggegeven wordt aan de natuur. Dat laatste heeft overigens ook niet mijn instemming. We hebben niet méér natuur nodig, maar meer platteland, dat wil zeggen: meer land waarin mens en milieu in evenwicht zijn. Het idee dat er land ‘teruggegeven moet worden’ aan de natuur komt voort uit hetzelfde misverstand waaruit ook de stad ontstaan is: het idee dat er geen harmonie tussen mens en natuur mogelijk is. De mens moet de natuur uitsluiten, en de natuur de mens. Alleen de landbouwer en veeteler weet dat het anders is. Mens en natuur sluiten elkaar niet uit.

Maar dat is wel de spagaat waarin de laatste boeren steeds meer gedrongen worden. Om het hoofd nog enigszins boven water te houden, moeten zij overgaan tot een steeds intensievere veehouderij of steeds intensievere landbouw. Zulke intensieve landbouw en veehouderij sluit de natuur inderdaad wél uit. Maar daarom wil eigenlijk ook geen van deze boeren (die tegenwoordig ook ‘ondernemer’ moeten heten – hoe verschrikkelijk) dit. Het landbouwbedrijf als gezinsbedrijf komt zo steeds meer onder druk te staan. Boeren worden gedwongen tot schaalvergroting, die ze zelf helemaal niet wensen. De menselijke maat raakt dan zoek en daarmee ook de juiste verhouding tussen mens en dier. En dat doet ook het dier geen goed. Het is goed voor de boer om zijn koeien bij name te kennen, en het is goed voor de koe om de handen van de boer te kennen in plaats van de betastingen van een machine. Toen ik predikant was in Mastenbroek, kwam de melkrobot op – niet te verwarren met de melkmachine. Door de melkrobot is opnieuw het leven van de boer en van de koe ingrijpend veranderd. De koe bepaalt nu zelf wanneer zij gemolken wil worden, loopt dan een groot apparaat binnen, dat met laserstralen de uier zoekt, en zo wordt zij gemolken door de robot. Met als resultaat dat de boer niet meer om vijf uur ’s morgens het bed uit hoeft, en ook niet meer om vijf uur ’s middags weg moet van de verjaardag om thuis te gaan melken. Maar ook met het gevolg dat hij de koeien niet meer elke dag van dichtbij ziet en aanraakt. Over die verandering schreef, vanuit het perspectief van de koe, Moestafa Stitou dit schone gedicht:

 

Waar denk je aan Doortje,

Wanneer je de robot betreedt,

Zijn laserstraal je uier aftast –

 

Ontsnappen aan de stal

En dit systeem? Door uitgestrekte

Grasvlakten draven, Doortje?

 

Zwemmend rivieren oversteken?

Onder de sterrenhemelen slapen

En ’s winters een mantel dragen

 

Van sneeuw? In rotssteen misschien,

Doortje 3017, vereeuwigd worden

Met zware, sierlijke voorwaarts

 

Gerichte hoorns door een

Verwonderde hand uit

Het paleolithicum? Doortje?

 

Een schoon gedicht, en toch is ook deze tekst weer afhankelijk van de onvruchtbare dichotomie in ons denken over mens en natuur. De enige bevrijding voor Doortje 3017 zou de terugkeer naar het paleolithicum zijn. Quod non. De bevrijding ligt in het aloude dorpse leven, waar de mens zijn naaste kent (en daarom soms ook vervloeken kan), en waar hij zijn tuin kent, als een lusthof én als hof waar de slang kruipt, en waar hij zijn dieren kent, de koe die moet baren én de stier met de horens.

Dat laatste doet me denken aan de wonderlijkste man die ik ooit begroef. Een alleenstaande oudere man, een Einzelgänger, multimiljonair door de grond waar hij op woonde, maar levend zo eenvoudig als de oermens, altijd in oude kleren, soep lepelend uit een pannetje van het formuis, alles bewarend en hergebruikend, zeer op zichzelf maar uiterst vriendelijk en gemoedelijk als er volk op de dam kwam. Hij moest het wat rustiger aan gaan doen, en deed toen de melkkoeien weg. In plaats daarvan kwamen stieren van een heel zeldzaam ras, die hij opfokte voor de slacht. Maar voordat ze geslacht werden, koesterde hij ze als kinderen. Ik moest dan denken aan de man met het ene ooilam, waarvan geschreven staat: “Het sliep in zijn schoot en was als een dochter voor hem.” (2 Sam. 12) Hij had de bijzondere gewoonte om zijn stieren te kietelen, en wel achter op de tong, “want dat vinden ze zo lekker”. Dan stak hij zijn arm zo’n beetje tot de elleboog in zo’n stierebek.

Op een morgen werd hij dood gevonden. Tussen zijn stieren, op zijn gewijde grond. Hij had net een nieuw koppel gekocht, en die waren uitgebroken en slaags geraakt met een paar stieren, die hij al langer had. Hij moet het land ingelopen zijn om de ruzie te sussen; maar werd op de horens genomen. De dorpelingen zagen er een slecht teken van Boven in; zo diep gaat het heidendom soms. Maar is het niet ook een zegening, zo te mogen leven, zo te mogen sterven, oud, der dagen zat, voldaan en op het je door God gegeven land?

Zalig zijn de plattelanders, want zij zullen de aarde beërven; zij hebben haar reeds.

Of, zoals Gerard Reve het onovertroffen zei:

 “Als God eenmaal ‘alles in allen’ zal zijn, moet dat volgens mij inhouden dat iedereen zich op beloopbare afstand zal bevinden, zodat je, bij wijze van spreken, nergens meer naar toe hoeft – dat zal nog het verbazingwekkendste zijn van wat we, bij de opheffing van onze gescheidenheid van Hem, te zien zullen krijgen: het Koninkrijk Gods zal verrassend dorps zijn opgezet, en niet veel groter zijn dan Schoorl; windstil weer; babbeltje maken; man rookt pijp aan achterdeur, kijkt naar lucht, enzovoorts. Vrede, geen ruzie: er is al zoveel narigheid in de wereld. Ik bedoel maar.” (Uit: Op weg naar het einde)

 

[uitgebreide versie van een artikel dat in In de Waagschaal werd gepubliceerd]