Zwaarmoedigheid

Ik ben van nature een zwaarmoedig mens. ‘Zwaarmoedig’ betekent – zegt Van Dale – ‘somber van aard’. Dat is juist, maar misschien in zijn beknoptheid toch niet precies genoeg. Zwaarmoedigheid wordt nog wel eens verward met pessimisme en depressiviteit. Dit zijn echter drie verschillende dingen. Depressiviteit is een ziekte van de psyche, maar heeft ook te maken met de stofwisseling in de hersenen. Zij leidt tot een zeer intense bedroefdheid, die tot suïcidale gedachten en neigingen kan gaan, en vindt niet zelden mede een oorzaak in een diep minderwaardigheidsgevoel. Omdat zij mede een biologische basis heeft, kan depressiviteit bestreden worden met medicijnen, en wie die nodig heeft, moet ze ook zeker nemen. In Nederland zijn zo’n 1 miljoen mensen die antidepressiva slikken en dat aantal stijgt nog steeds; dat is dus 1 op de 17 Nederlanders (reken maar om hoeveel dat er dan in onze gemeente zouden zijn). Dat is dan uiteraard wel een merkwaardig feit, en je kunt je afvragen of dez depressiviteit vroeger ook in die mate heerstte. Of heeft deze epidemische depressiviteit ook iets te maken met een gebrek aan zingeving?

Pessimisme is iets anders dan depressiviteit. Het kan er wel mee samen gaan, maar het staat er vanuit de basis los van. Depressiviteit is een geestesaandoening, maar pessimisme is een levenshouding, die voortkomt uit een bepaalde manier van denken. Een pessimist beschouwt de dingen van de negatieve kant en rekent op een slechte afloop. Dat kan heel goed samen gaan met een blijmoedige gestemdheid, omdat het pessimisme een conclusie is van het denken. Daarom heeft een pessimist soms gewoon gelijk. Als we bijvoorbeeld naar de prognoses voor de Protestantse Kerk in Nederland kijken, dan kunnen we niet anders dan pessimistisch zijn over haar toekomst. Dat heeft niets te maken met zwaarmoedigheid of depressiviteit. Pessimisten zijn denkers; zij denken steeds tot-op-de-dood. Daar zit een groot stuk realisme in, want de dood is de uiteindelijke wetmatigheid van onze wereld, als wij God tussen haken zetten. Ik heb ook tijden gehad dat ik veel aan en over de dood dacht. Maar een depressief iemand denkt niet zozeer aan de dood; die belééft als het ware de dood steeds. Daarin zit veel meer ‘toeëigening’. Het denken tot-op-de-dood herken ik, het toeëigenen ervan en dus gaan denken en verlangen naar je éigen dood, dat herken ik niet – God-zij-dank. Als ik hoor van zelfdodingen denk ik echter ook niet allereerst: ‘dat kan mij niet gebeuren’, maar eerder: ‘als God me daar niet voor bewaart’.

Tweemaal heb ik van nabij iemands gang naar zelfdoding meegemaakt. Eenmaal een vriend van mij, die toen ongeveer 20 jaar oud was. Een diepgelovig iemand. Een ander maal als predikant. Je ziet mensen dan als het ware wegglijden, en je kunt er niets tegen doen.

Als je in de Bijbel een pessimist zoekt, dan moet je bij Prediker zijn; maar die verlangt nergens echt naar zijn eigen dood. Daar is hij veel te veel een denker voor. Elia, Jeremia en Job, die alle drie wel een doodsverlangen uitspreken, zijn daarentegen geen pessimisten; zij leven niet primair met hun verstand. Zij zijn de zwaarmoedigen en hebben een neiging tot depressiviteit. Zulke mensen zijn er in de kerkgeschiedenis vaak geweest. Luther, Calvijn, Kohlbrugge en Miskotte zouden in onze tijd in veel van hun levensfasen linea recta naar de psychiater zijn gestuurd. (Maar er zijn ook geestelijk veel stabielere grote kerkvaders, zoals vermoedelijk Augustinus en Karl Barth).

Zwaarmoedigheid is weer iets anders dan zowel depressiviteit als pessimisme. Deze drie kunnen een verbond sluiten, maar zwaarmoedigheid is geen geestesaandoening (zoals de depressiviteit) en ook geen levenshouding (zoals het pessimisme); het is een temperament, een geaardheid. We zouden kunnen zeggen: depressiviteit zit in de psyche (en de hersenen), pessimisme in het verstand en zwaarmoedigheid in het gemoed, de aard. Zwaarmoedigheid is dan ook aangeboren, net als opvliegendheid of onverstoorbaarheid.

Ik ben nature een zwaarmoedig mens. Misschien kun je dat in onderscheid met depressiviteit en pessimisme het beste zo aanduiden: iemand die zwaar aan het leven tilt. Het leven is geen lolletje. Het is een groot iets, een hoge roeping, eigenlijk te hoog, te hoog voor jezelf en ook voor ieder ander. Wij kunnen in die roeping alleen maar falen, en dat doen we dan ook voortdurend. En toch is dat niet primair een conclusie van het denken, en ook niet een uiting van een ziekte van de geest, maar een stemming, en dan niet een wisselende stemming, maar een grondstemming, een gestemd-zijn dat in wezen altijd gelijk is.

Zowel zwaarmoedige als depressieve en pessimistische mensen kunnen soms moeite hebben met genieten. Maar ook dan heeft dat een verschillende oorzaak. De oorzaak bij de pessimist is vooral, dat hij of zij teveel ‘in zijn hoofd zit’, en moeilijk vanuit zijn gevoel en nog moeilijker vanuit zijn zintuigen (ogen: ‘wat mooi!’, smaak: ‘wat lekker!’, etcetera) kan leven. De oorzaak bij de depressieve mens is, dat hij niet kán genieten, omdat zij ziekte dat niet toelaat. De oorzaak bij de zwaarmoedige mens is veeleer dat de stemming (die altijd innerlijk is) hem verhindert om de buitenwereld echt tot zich door te laten dringen.

Zwaarmoedige, depressieve en pessimistische mensen kunnen soms alle drie moeilijk tot werken komen. Ook hier moeten we echter zien, dat de oorzaken verschillend zijn. De pessimist kan wel werken – Prediker schreef een heel boek – maar gelooft niet dat zijn werk nút heeft; dit verlamt hem vaak. De depressieve mens kán vaak simpelweg niet; zijn ziekte verhindert het hem. De zwaarmoedige mens kan en wil meestal wel werken, maar heeft er wel een sterke innerlijke of uiterlijke drijfveer voor nodig; anders blijft hij gemakkelijk hangen in zijn grondstemming.

Depressiviteit gaat soms een beetje samen op met de seizoenen. Dan voel je jezelf in de herfst somber worden, en in het voorjaar wordt je geestelijk weer sterker. Soms helpt dan iets eenvoudigs als lichttherapie: 10 minuten per dag in een bak kunstmatig licht kijken, en dan voel je je de hele winter beter. Zwaarmoedigheid en pessimisme zijn ook daarin iets anders. De zon of de zomer helpt een zwaarmoedig of pessimistisch mens niet. Ik kan gemakkelijk in de zomer meer last hebben van zwaarmoedigheid dan in de winter.

Ik ben van nature een zwaarmoedig mens. Als iemand mij een ‘pessimist’ of ‘depressief’ noemt, herken ik dat niet, maar als iemand mij ‘zwaarmoedig’ noemt, zal ik dat voluit aanvaarden. Het is goed deze verschillende woorden met zorgvuldigheid te gebruiken en ze niet door elkaar te halen. Het is ook belangrijk om te begrijpen dat het gelóóf met al deze dingen weinig tot niets te maken heeft. Het geloof is géén psychische grootheid, het is géén levenshouding en het is géén temperament. Daarom zijn Christus en het geloof er voor depressieven en niet-depressieven, voor pessimisten en optimisten, voor zwaarmoedigen en blijmoedigen. Daarom is het ook zo dat een gelovige áls gelovige net zo goed het een als het ander kan zijn. Depressiviteit, pessimisme en zwaarmoedigheid zijn géén tekenen van ongeloof. Het domste wat je tegen iemand die aan deze dingen leidt, kunt zeggen is dat hij of zij meer op Christus moet vertrouwen. Gelóóf is echt iets ánders dan psychische gesteldheid. Lees de Psalmen er maar op na. Er is op dit punt veel onkunde, alsof de heilige Geest eigenlijk een soort Superoptimist is, die, als Hij in je hart komt, van jou een blijmoedig mens maakt. Dat is niet zo. De heilige Geest leeft in de blijmoedige en zwaarmoedige gelovige evenzeer, en God kan beiden goed gebruiken, in hun eigen begaafdheden.

In Christus tellen de differenties tussen mensen niet meer. In Christus is noch jood noch heiden, noch man noch vrouw, noch slaaf noch vrije, noch rijk noch arm, noch wijs noch dwaas, noch optimist noch pessimist. Wie in Christus is, is een nieuwe schepping.

Een heel mooie, diepgravende tekst over zwaarmoedigheid is: Romano Guardini, ‘De betekenis van zwaarmoedigheid’, in: ‘Peilingen van het christelijk denken’, 1965.

Een gedachte over “Zwaarmoedigheid

Reacties zijn gesloten.