Ambt en gezag

Inleiding voor de gezamenlijke ambtsdragersvergadering van de Hervormde en de Protestantse gemeente Waddinxveen. 24 november 2016.

I.

Psychiater Paul Verhaeghe heeft vorig jaar een boek geschreven met de titel ‘Autoriteit’. Met autoriteit loopt er vandaag de dag heel wat verkeerd volgens hem. Politiek en religie zijn hun geloofwaardigheid kwijt en ouders hebben geen controle over het gedrag van hun kinderen. In dit boek bevraagt Paul Verhaeghe de manier waarop autoriteit functioneert, waarom er tegenwoordig zo weinig waarde aan autoriteit wordt gehecht en wat daarvoor een alternatief kan zijn. Herstelpogingen van de vroegere autoriteit zijn volgens hem tot mislukken gedoemd en verworden algauw tot vormen van pure machtsuitoefening. Volgens Verhaeghe staan we als samenleving op een kruispunt: gaan we verder richting macht of richting nieuwe autoriteit?

Nu gebruikt Verhaeghe dus het woord autoriteit. Hij bedoelt daar hetzelfde mee als gezag. En hij wil het duidelijk onderscheiden van macht.

Autoriteit of gezag is gebaseerd op gedeelde normen en waarden. De bron van iemands autoriteit ligt buiten de persoon zelf. Een ambtsdrager in de staat, zoals een burgemeester, heeft gezag omdat de staat en het recht gezag heeft. Hij heeft geen eigen, persoonlijk gezag. Zo heeft een ambtsdrager in de kerk ook geen eigen gezag, maar zijn gezag is ontleend aan dat van Gods Woord. Daarom kan het gezag ook nooit zonder de erkenning van een gemeenschap. De burgemeester kan niet zonder de erkenning van de burgerlijke gemeente, en de kerkelijke ambtsdragers kunnen niet zonder er erkenning van de christelijke gemeente. Gezag wordt niet verleend door de gemeenschap, maar het moet wel erkend worden door de gemeenschap. In het klassieke ambtsformulier voor de bevestiging van ouderlingen wordt dan ook tegen de gemeente gezegd: ‘Geliefde christenen, ontvang deze ambtsdragers als dienstknechten van God. Eer hen en begeef u gewillig onder hun opzicht en regering.’

Gezag is dus een relationeel iets. Macht daarentegen duidt op het recht van de sterkste. De bron van macht ligt bij de persoon zelf, die de ander zijn wil kan opleggen. Macht hoeft dus ook niet erkend te worden, dat heeft de machthebber niet nodig.

Gezag en macht zijn twee verschillende dingen, maar ze zijn in de praktijk wel vaak vermengd geraakt, ook in de kerk. Mede daarom leven wij misschien in een extreem anti-autoritaire cultuur. De jaren 60 hebben ook hierin uiteraard de revolutie teweeg gebracht. Recentelijk wordt de crisis echter eerder groter dan kleiner. Traditionele gezagsdragers hebben het moeilijk. Dat zijn dan zeker niet alleen de ambtsdragers in de kerk, maar ook de politici, de meester op school, de conducteur in de trein en de politie op straat enzovoorts. Probleem van de kerk dus probleem van heel onze samenleving. Dat kan ons tot troost gezegd zijn. Maar een schrale troost. Want de samenleving komt er ook niet goed uit.

II.

We zouden kunnen denken dat de remedie ligt in het opgeven van het ambt. Dat wordt ook sinds de 16e eeuw al geprobeerd. De Pinksterbeweging probeert het vandaag de dag. Geen erkend ambt, geen instituut, maar een beweging. Toch zie je dat juist daar het vaak mis gaat met gezag en macht. Dat is al een argument om het ambt niet op te geven. Belangrijker is nog dat we dan wel erg veel moeite met de Schrift krijgen. De Schrift ademt hoe dan ook iets van een gezagsstructuur. Vijfde gebod: eer uw vader en uw moeder. In de traditionele uitleg daarvan werd gezegd: dit gaat niet alleen over vader en moeder in het gezin, maar het gaat over alle gezagsstructuren. Het gaat ook over de leerling, die ontzag moet hebben voor de docent, de burger moet ontzag hebben voor de politie, voor Burgemeester en Wethouders, voor de politici, voor de koning. Uiteindelijk is dit gefundeerd in de scheppingsorde: God heeft de dingen volgens een orde geschapen, en het gaat mis als wij die orde door de war gooien.

III.

In Lukas 10 wordt verteld van de uitzending van de 70. Behalve de 12 discipelen koos Jezus er ook 70 uit, die twee aan twee stad en land afgaan om het evangelie rond te bazuinen. 70 is in het OT het getal van de volkerenwereld, er zouden 70 volken op aarde bestaan, en dus is gezegd: zoals de 12 staan voor Israël, zo staan de 70 voor de volken, en nu wordt dus de hele wereld onder het beslag van het evangelie gebracht, dat is de bedoeling. En jezus geeft ze nog instructies mee. Als je gastvrij ontvangen wordt, doe dan je taak, maar als je niet gastvrij ontvangen wordt, wat dan? Jezus zegt: ga dan naar buiten, de straat op, en zeg: zelfs het stof uit uw stad dat aan ons kleeft, schudden wij tegen u af. En dan zegt Hij dit: “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; wie u verwerpt, verwerpt mij. En wie mij verwerpt, verwerpt Hem die mij gezonden heeft.’ Dat is nog eens een tekst! Een tekst waar de RK kerk wel raad mee weet, maar wij protestanten minder. In de RKK: representatie, bemiddeling.

Toch: catechismus van Genève haalt Calvijn precies deze woorden aan als het gaat om het ambt! Dus de reformatie heeft toch de Christus-representatie willen bewaren: ambtsdrager representeert Christus.

De Reformatie heeft de rooms-katholieke onderscheiding tussen geestelijkheid en leken doorbroken met de gedachte van het algemeen ambt aller gelovigen. Het ambt van de priester staat niet langer tussen de gelovige en Christus in. Daarmee is het bemiddelende (priesterlijke) en magische uit de ambtelijke handelingen weggenomen. Maar toch hebben Luther en Calvijn een onderscheid tussen gemeente en ambtsdragers willen handhaven, tegen de ‘radicale’ (doperse) reformatie in, die geen bijzonder ambt erkende.

IV.

De kern van de protestantse ambtsleer is dat het theologisch onderscheid tussen gemeente en voorganger gehandhaafd blijft, terwijl dit niet langer sacramenteel-priesterlijk wordt ingevuld.  Het bijzonder ambt is noodzakelijk omdat het aangeeft dat de kerk van Jezus Christus geen menselijke uitvinding is, maar een gemeenschap die door God is verkoren en geroepen, en die niet automatisch bij het evangelie blijft. Zoals de kerkorde zegt: ‘Het ambt is er om de gemeente bij Christus te bewaren.’ Het ambt wijst aan dat de kerk haar grond niet vindt in zichzelf, maar in Christus als het levende Woord van God; Hij is haar fundament en haar hoofd. Dit wordt zichtbaar gemaakt in het bijzonder ambt dat Hem representeert. Deze Christusrepresentatie is in die zin de kern van het bijzonder ambt. Een kerk zonder bijzonder ambt verliest dus het openbare en gezagsmatige karakter van het ‘tegenover’ van Christus. Een kerk zonder ambt verliest de Christusrepresentatie en wordt daarmee een voluit aardse onderneming, die geen blijk geeft van haar Bron buiten haar. Dit uit zich of in een sterke “vergeestelijking” van de gemeente, waarin ieder de Geest en daarmee het gelijk meent te bezitten; ofwel in een sterke “verzakelijking” van de kerk, waarbij de kerk haar gezag gaat ontlenen aan een vermeend ‘actuele’ en ‘aansprekende’ presentie  in de samenleving, en niet meer aan haar Hoofd.

Wie ‘bijzonder ambt’ zegt, zegt gezag. In laatste instantie heeft alleen het Woord gezag over de gemeente, maar dit gezag van het Woord wordt weerspiegeld in het gezag van de dienaar van dit Woord. Het geloof is uit het gehoor van dit Woord, en daarom kan de gemeente niet zonder de tot dienst aan dit Woord geroepen ambtsdrager. De huidige crisis van de protestantse kerken hangt nauw samen met het verdwijnen van deze gestalte en dit gezag van het Woord. Waar het Woord binnen de kerken zijn gezag verliest, verliest ook de ambtsdrager onmiddellijk zijn noodzakelijk gezag als dienaar van dit Woord. De legitimatie van de protestantse kerk is daarmee komen te vervallen.

Omdat dit gezag aan de ambtsdrager verleent, moet hij of zij ook in dit gezag durven staan. Gezag moet je ontvangen, maar gezag moet je ook nemen. Hier is in onze tijd veel moed voor nodig, maar zonder deze moed ontbreekt de nodige afstand tussen de ambtsdrager en de gemeente en dat schaadt de zeggingskracht van het Woord.

Dit Woord is niet alleen iets dat aan de orde is op de preekstoel op zondag. Het gebeurt overal waar je als ambtsdrager in je ambt spreekt. Je mag, ja je moet geloven dat je dat niet alleen uit jezelf doet, maar uit kracht van je roeping en dus je gezag. Daarom is het ook goed om de Schrift te openen en te lezen met de gemeente, steeds weer, ook op bezoeken bij gemeenteleden thuis. In het lezen van de Schrift als bestemd voor déze ene persoon of dit éne gezin op dit moment, komt iets van het gezag van Christus en het ambt mee. Het is nog beter als naar aanleiding van het gelezen woord ook met elkaar gesproken kan worden, vanuit de erkenning van het gezag hiervan. In die relatie kan dan het gezag van het ambt steeds weer ontstaan. Dit gezag is immers niet iets dat wij als ambtsdragers hebben als ons bezit, maar wel iets dat ons steeds opnieuw geschonken wordt. Maar wij moeten het ons dan ook laten schenken, en in dat ambt gaan stáán.

 

V. Gespreksvragen

1.      Wat viel je op in de inleiding, waarover je door wilt praten?

2.      Hoe heb je zelf de rol van het gezag zien veranderen, vanaf je kindertijd tot nu? En hoe beoordeel je dat? Ben je blij dat het gezag verminderd is of niet, en waarom?

3.      Hoe kun je ambtsdrager zijn in het besef dat dat een van Christus gegeven gezag met zich meebrengt, zonder dat je zelf een pedant of betweterig mannetje/vrouwtje wordt?

4.      Heb je het idee dat het Woord (Bijbel, preek) nog gezag heeft in je gemeente? Denk niet alleen aan de zondag, maar ook aan huisbezoeken. Als het Woord weinig gezag meer heeft, hoe kan het ambt dan nog functioneren?

5.      Het wordt nooit aangegeven als reden om te bedanken, maar kan het zo zijn, dat minder mensen ambtsdrager willen worden, omdat het ambt minder gezag heeft? Misschien voelen zij aan dat ambtsdrager-zijn eigenlijk een heel ‘zwevende’, ‘vage’ functie is geworden?

6.      Als het ambt geen eigen gezag meer heeft, is er dan nog wel reden om te onderscheiden tussen ambten en andere functies die vervuld worden? Met andere woorden: heeft de kerkenraad dan nog wel bestaansrecht?

7.      Hoe zou een moderne, bijbels verantwoorde manier van gezag uitoefenen eruit zien?