Ben ik van Duitschen bloed. Antwoord aan mijn critici (met column).

De hieronder staande column (oorspronkelijk in de nieuwe Koers van november 2016)  heeft hier en daar wat kritiek opgeroepen. In een paar opmerkingen wil ik daar op ingaan.

0. De sociale media zijn niet echt geschikt voor theologische debatten, die om rustige doordenking en respect vragen. Bovendien ben ik deze weken te druk met mijn echte werk om de reacties bij te houden. Daarom even geen reacties op mijn Facebook-pagina. Discussieer erover met elkaar als je wilt, of schrijf een mooi artikel, waarin je op de gehele problematiek ingaat. Dat laatste lijkt me het beste.

  1. Een column is geen theologisch artikel en geen preek. Een column is een eigen genre en heeft een eigen bedoeling. Wie wil weten hoe ik denk, moet mijn boeken, artikelen en preken daarin betrekken. Het is bijzonder onzuiver om af te gaan op één column.
  2. Ik heb niet zomaar de uitdrukking “bloed en bodem” gebruikt. Ik spreek één keer over “ons bloed en onze bodem” en één keer over “Schepper van bodem en bloed”. Door de uitdrukking niet letterlijk over te nemen, laat ik zien dat ik geen “bloed-en-bodem-theologie” voorsta, maar dat ik de lezer uitdaag na te denken over de betekenis daarvan, dat God Schepper is.
  3. De woordcombinatie ‘bloed en bodem’ wordt tot ver in de jaren negentig, dus heel ver na WOII gebruikt als een heel gewone aanduiding voor ‘vaderland’. Zo staat deze zegswijze gewoon in een artikel uit het Limburgsch Dagblad van 18 november 1994, dat helemaal niets met nationalisme te maken heeft: http://www.delpher.nl/nl/kranten/view?query=%22bloed+en+bodem%22&coll=ddd&page=1&sortfield=datedesc&identifier=ddd%3A010638139%3Ampeg21%3Aa0335&resultsidentifier=ddd%3A010638139%3Ampeg21%3Aa0335
  4. Als ik de woorden bodem en bloed niet had gebruikt, was de hetze tegen mij wellicht wat minder groot geweest, maar ik betwijfel achteraf of het echt veel gescheeld had. De reacties laten zien, dat er veel meer aan de hand is.
  5. Dit ‘meer’ heeft mijns inziens te maken met een verschuiving die gaandeweg heeft plaatsgevonden in het Nederlandse christendom. Dit is een verschuiving van een geloof, waarin God centraal staat naar een geloof, waarin de humaniteit centraal staat. Geloven is vooral: ‘doen als Jezus’. Het enige dat daarbij van de Bijbel overblijft, is zo ongeveer de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die dan ook niet eens modern-humanistisch in plaats van klassiek-christelijk wordt uitgelegd. In de klassieke uitleg is Jezus de Samaritaan en zijn wij de man die halfdood naast de weg ligt. Hier hebben we moderne paradigmawisseling in één schets voor ons.
  6. Dat het geloof gaandeweg veranderd is in een humanisme, waar zelfs het humanisme van Desiderius Erasmus nog fier bij afsteekt, heeft gevolgen voor de kijk op de Islam, de vluchtelingencrisis, en elk ander maatschappelijk probleem. Men kan hier alleen vanuit de modern geïnterpreteerde gelijkenis van de barmhartige Samaritaan naar kijken, en plukt hier dan lukraak een paar andere ‘bijbelse gegevens’ bij, zoals de oudtestamentische wetgeving inzake vreemdelingen en het vreemdelingschap in het Nieuwe Testament. De enig mogelijke reactie op de problemen van onze samenleving is dan nog, dat wij het pluralisme omarmen als datgene wat eigenlijk altijd al Gods bedoeling was. Daardoor zijn christenen niet meer in staat de problemen, die door de globalisering worden opgeroepen, onder ogen te zien.
  7. Het klassieke christendom heeft een heel andere kijk op de mens en de samenleving, omdat de rol van de Schepper daar veel prominenter is. In de moderne theologie na de Tweede Wereldoorlog zijn Schepper en schepping sterk gereduceerd. Ze worden ofwel ongeveer verzwolgen in de christologie, ofwel sterk geabstraheerd van de concrete werkelijkheid. Dat God Schepper is, betekent dat nog slechts dat Hij ooit (6000 jaar geleden, of 14,5 miljard jaar, dat maakt dan in feite niets uit) de wereld schiep. Het oorspronkelijke scheppingsidee heeft echter niet primair betrekking op het verleden maar op het concrete heden: ik, hier, nu, met mijn bloed, op deze bodem, met deze eigenschappen, met of zonder deze partner, met of zonder deze baan, met of zonder deze ziekte: zó ben ik Gods schepping, en zo is ieder ander Gods schepping. Dat geeft het klassieke christendom (Augustinus, Luther, name it) een conservatieve trek: God is niet alleen een revolutionair, maar Hij draagt ook het bestaande.
  8. De biografie van K.H.Miskotte (Herman de Liagre Böhl, 2016) is een mooi voorbeeld, hoe je de God van het bestaande terug kunt vinden. Bij Miskotte gebeurt dit, mede doordat en als hij zijn vrouw en dochter aan de tyfus verliest.
  9. Wat ik zeg over de relatie van God, wereld, mens en medemens is dus naar mijn diepe overtuiging gewoon klassiek christelijk denken. Het is uiterst pijnlijk te moeten merken dat opvattingen, die in de kerk altijd heel normaal zijn geweest, nu binnen diezelfde kerk ineens als provocerend ervaren worden.
  10. Bij het laten verdampen van de notie van de schepping hoort (althans soms, bij sommige Barthianen bijvoorbeeld) een bepaalde verschuiving van het scheppingsidee. Schepping wordt dan zelf een gestalte van de verlossing, het heeft niet meer te maken met het bestaande, de natuur, maar met het komende. Dit idee kan zich beroepen op DeuteroJesaja en enkele gedachten van Paulus, waar schepping inderdaad een vorm van verlossing is. Ik kan hier ook geheel mee instemmen. Maar de opvatting als geheel is te eenzijdig. Schepping is in de Schrift een veelduidiger begrip, dialectischer. Ook de lijn dat schepping wel degelijk betrekking heeft op het bestaande, is daar aanwezig. Systematisch-theologisch kunnen we het zo zeggen: vanuit de Zoon bezien duidt ‘schepping’ op ‘verlossing’, maar vanuit de Vader gezien duidt het op het bestaande. Die laatste lijn heb ik mijn column ter correctie op een eenzijdig benadrukken van de eerste lijn, laten zien.
  11. Hetzelfde geldt voor het idee, dat christen-zijn vooral een uitgeroepen worden uit je eigen bestaan is. Dit is een bepaalde Bijbelse lijn, maar deze heft de lijn van de schepping niet op. Je kunt de schepping niet wegstrepen tegen het Koninkrijk, de Wet niet tegen het Evangelie. Goede theologie houdt beide in balans. Die zijn uiteindelijk gefundeerd in de triniteitsleer: de Vader is niet de Zoon, en de Zoon is niet de Vader. In de samenleving betekent dit: de kerk en de staat hebben onderscheiden taken. In de kerk wordt de genade gepredikt, de staat moet het zwaard hanteren ter gerechtigheid. Dat dient ook het uitgangspunt te zijn in discussies over globalisering.
  12. Vanuit een herbronning van het bijbelse scheppingsbegrip ontstaat dus ook de mogelijkheid op een andere manier naar de globalisering en de daarmee opgeroepen problemen te kijken, zoals de komst van de Islam en van vluchtelingen, de multiculturele en multireligieuze samenleving en dergelijke. Vanuit dit scheppingsbegrip is theologisch begrip mogelijk voor al die mensen die diep van binnen voelen, dat hen iets wordt afgenomen. Hen wordt ook werkelijk iets afgenomen, namelijk het vermogen om God nog te verbinden met de zegen van de eenheid van land, taal, geloof en volk. Het zou theologen sieren wanneer zij voor dit verdriet om dit verlies begrip zouden hebben.
  13. De theologie kan dan aansluiten bij een brede stroming in de filosofie, zoals ik al bijvoorbeeld de naam genoemd heb van Rüdiger Safranski en zijn boek ‘Hoeveel globalisering verdraagt de mens?’. Hij verwoordt dezelfde opvattingen, maar dan vanuit de Duitse filosofiegeschiedenis, waarin het Duitse idealisme een belangrijke rol speelt. De mens is niet geschapen voor een globale wereld, zoveel verdraagt hij niet. Dát verklaart de huidige stemming in het Westen. En theologisch moeten we zeggen: de mens verdraagt het niet, omdat God Schepper is. Ook in het licht van de cultuurfilosofie zijn mijn opvattingen dus allesbehalve vreemd. Het zou goed zijn als er in Nederland ook meer ruimte komt voor zulke cultuurfilosofische stemmen, die nu inderdaad ook doorklinken bij mensen als Ad Verbrugge en Andreas Kinneging.
  14. Als je het populisme van de PVV wilt versterken, dan moet je het in de taboe-sfeer houden. Als je het populisme wilt overwinnen, dan moet je het eerst uit de taboe-sfeer halen. Elke verachting van Wilders en zijn companen maakt hen groter.
  15. Ik maak mij hele grote zorgen over de toekomst van het Nederlandse christendom, als het naar binnen toe zo weinig tolerant kan zijn, als in de reacties op mijn column bleek. Het meest stuitend vond in nog wel, dat de redactie van Koers werd verweten dat ze mijn column geplaatst hebben, en dat mensen mijn ambt als Dienaar van het goddelijke Woord in twijfel trokken. Ik zou het op prijs stellen, wanneer die woorden werden teruggenomen.
  16. Volgend jaar verschijnt een boek van mij over schepping. Daar kan ieder die het wil de uitvoerige verantwoording lezen. Een mooie titel lijkt mij: “De bodem, de krokodil en het bloed. Over de zin van God de Schepper.”

De column:

Wien Neêrlandsch bloed

Wie als predikant met de jongeren in zijn gemeente over allochtonen, vluchtelingen of asielzoekers spreekt, merkt hoe negatief zij veelal tegenover deze ‘vreemdelingen’ staan. Dat heb ik zelf gemerkt, en ik hoor het ook van collega’s.

Er is hier sprake van een merkwaardige tegenstelling. De ‘leiders’ van de kerk – inclusief de ouders van deze jongeren – spreken zich meestal positief over nieuwe Nederlanders uit. Zij willen de grenzen open houden, helpen in een asielzoekerscentrum, enzovoorts. Ik heb zelfs christenen horen beweren dat God deze stroom immigranten naar ons toe laat komen, zodat wij ze hier kunnen bekeren. Hoeven we dat niet daarginder te gaan doen. Volgens mij heb je dan sinds 1960 behoorlijk zitten slapen; of God heeft zitten slapen. Van de stroom immigranten sinds 1960 zijn er namelijk vrij weinig tot Christus bekeerd.

De jongeren staan hier tegenover hun ouders. Zij willen juist dat de grenzen dicht gaan. Velen hebben sympathie voor de PVV en zien zich niet gesteund door de ‘christelijke partijen’ of de kerk.

Hetzelfde conflict zien we voor een groot deel in de samenleving. Het zijn niet alleen de laagopgeleiden die voor de inkeer kiezen, terwijl de hoogopgeleiden de globalisering toejuichen. Het zijn veelal de mensen van de wat oudere generatie, die de idealen van na de oorlog nog kennen, die tegenover de veel sceptischer jongeren staan. Dat de laatsten net zo goed hoogopgeleid kunnen zijn, bewijst Thierry Baudet.

Ik neem waar dat de Protestantse Kerk van officiële zijde hier een zeer eenzijdige positie inneemt. In haar verklaring omtrent de vluchtelingen van enige tijd geleden wordt met geen woord gerept van de hierdoor opgeroepen problemen. Zelfs wordt er geen woord gesproken over de Islam. Het enige dat men doet is ons in naam van de barmhartige Samaritaan oproepen de deuren open te zetten. Is dat geloofstaal of is dat heilloze naïviteit? Hoe dat ook zij, het gaat in ieder geval volledig voorbij aan de gevoelens van vele kerkgangers. Daarin lijkt de ‘elite’ van de kerk helaas sterk op die van de staat.

Ik denk dat we een beetje beter naar onze jongeren moeten luisteren. Niet alleen omdat die jongen, die zo fel tegen nieuwkomers is, niet zelden zelf een keer door een groep Marokkanen in elkaar geslagen is. Ook omdat er theologisch een probleem ligt, als we niet meer kunnen houden van ons volk, ons bloed en onze bodem. Als God je schept, schept hij je niet in een vliegtuig, in een ‘global village’ of in een virtuele werkelijkheid, maar dan schept Hij je ergens, in een taalgemeenschap, een volk, op een specifiek stukje land. Dáár wil Hij je hebben, daar mag je tot bloei komen. Hoezeer wij nog steeds van die concrete Schepper van bodem en bloed houden, laat de populariteit van de Drentse zanger Daniël Lohues zien: ‘Hier kom ik weg’. We zouden in de kerk meer naar die stemmen moeten luisteren.