Veerkracht (Lk. 13,10-17)

Veerkracht. Dat is de kracht waarmee een veer weer terugkeert naar zijn eigen vorm. Je drukt hem in elkaar, en daar springt hij weer terug in zijn eigen vorm. Je trekt hem uit elkaar, maar daarna keert hij weer terug in zijn eigen vorm. Elastiek heeft veerkracht. Maar bamboe heeft ook veerkracht, daarom kun je daar hele huizen van bouwen. En staal heeft veerkracht, daarom kunnen er wolkenkrabbers zijn, waarvan de top bij stormen flink heen en weer gaat, en toch waait hij niet om en stort niet, want er is veerkracht: de kracht om terug te keren naar de oorspronkelijke, eigen vorm.

Hebben mensen ook een eigen vorm? Een vorm die bij ze past, die ze zijn? En kun je die weer terugvinden? Kun je je eigen vorm terugvinden nadat je uit vorm bent geraakt? Nadat je bij wijze van spreken ingedeukt bent of uit elkaar getrokken? Kom je er weer bovenop? Kun je veerkracht tonen?

Ik geloof dat we nu bij een thema zijn waar we allemaal wat mee hebben. Misschien schieten ons zo voorbeelden te binnen van mensen die veerkrachtig waren, of juist niet. Voorbeelden van anderen, of juist van jezelf. Ik denk aan de jongen die ’s nachts met zijn brommer tegen een boom gereden was. Hij hield er een volledig verlamde arm aan over voor de rest van zijn leven. Die arm hing er voorgoed bij, onbruikbaar. Eerst was hij er totaal verslagen onder. Maar toen veerde hij op. Hij ging leren hoe hij zich ook met één arm kon redden, hij ging een studie volgen, hij pakte zijn leven weer op.

Ik denk ook aan die vrouw die het niet lukte. Na het verlies van één van haar kinderen hield haar man haar nog wat op de been. Maar toen die ook overleed, verloor ze haar levenslust, haar moed, haar veerkracht. Ze kromp als het ware ineen en richtte zich niet weer op. Geen veerkracht.

Jezus ontmoette ook mensen. Hij luisterde als geen ander naar hen. Hij zag hen als geen ander. Hij was er bij als geen ander. Hij zag juist ook de mensen zonder veerkracht. Zoals die kromgebogen vrouw waar we van lezen in Lukas 13. Zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. Zij ziet alleen maar de grond. De rug zo krom als een hoepel, kan zij alleen nog maar naar beneden kijken. Niet meer om zich heen, terwijl dat toch de bedoeling is, dat je om je heen kunt kijken, naar de schepping, en naar de mensen om je heen, en kunt denken: ‘Hier ben ik thuis. Hier ben ik in vorm.’

Deze vrouw kan ook niet meer omhoog kijken. Dat is misschien nog erger. Daar is een mens toch voor gemaakt, om omhoog te kijken, naar boven te kijken; de lucht, wolken en winden, de zon, de hemel te zien. De hemel! Die ziet ze helemaal niet meer. Ramses Shaffy zong het bekende liedje ‘Sammy’, over net zo iemand, ‘kromme, kromme Sammy:

“Sammy loop niet zo gebogen

Denk je dat ze je niet mogen

Waarom loop je zo gebogen

Sammy met je ogen, Sammy, op de vlucht.

Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy!

Want daar is de blauwe lucht.”

 

Maar deze vrouw kan het niet meer. Ze ziet alleen de grond, de aarde, het menselijke, de mislukking, de ziekte, het einde.

Achttien jaar lang is ze al zo gebonden. Een geest maakt haar zo ziek, staat er. Ja, zo dacht men er toen vaak over. En dat er een geestelijke kant aan onze lichamelijke pijnen zit, dat kunnen wij ook niet ontkennen. Lichaam en geest zijn één. Het is één gebrek aan veerkracht, naar lichaam en ziel.

Maar ze op de goede plek aangeland. Ze is op de sabbat in de synagoge. En daar is Jezus ook. Jezus ziet haar. Daarmee begint zijn actie. Hij ziet haar. En dan niet op de manier waarop wij mensen soms naar anderen kijken: “Zie eens hoe dik die is. Zie eens hoe slecht die gekleed gaat. Zie eens hoe krom die loopt. Zie eens, die wordt al dement.” Nee, Jezus ziet haar als een dochter van Abraham, als een mens geschapen naar het beeld Gods, een mens die opgericht moet worden, zodat zij weer de hemel kan zien. De open hemel.

Ik stel me zo voor dat deze vrouw niet op de voorste bank van de synagoge zat. Eerder op de achterste. Maar Jezus ziet haar. En dan roept Hij haar naar voren, bij zich. Wat zal er door haar heen zijn gegaan? Hier was ze niet voor gekomen. Ze blijft liever achteraan. Geen mensen zien. Mensen helpen je meestal toch niet.

Maar als Hij roept, komt ze. Zo is het altijd bij Jezus. Als Hij roept, kom je. Zo eenvoudig is het. En nu mag zij in het midden staan. De vrouw zonder veerkracht mag in het midden staan. De vrouw bij wie de vorm uit het leven is weggegleden, mag in het midden staan. De vrouw die de hemel niet meer zien kon.

En Jezus richt haar op. Jezus schenkt haar veerkracht. Ze krijgt haar oude vorm terug. En ze laat zich daarin terugbrengen. Door open te staan van God kunnen wij steeds opnieuw in vorm komen en in vorm blijven. Dat lijkt mij ook de uitdaging van de ouderdom. Blijven open staan voor God. Veerkracht behouden, omdat Hij veerkracht heeft en geeft. Lukt het u? Uit eigen kracht niet, nee, maar in Zijn kracht mag u steeds opnieuw het hoofd opheffen, en zien wie u nog zijn mag voor God en voor uw naaste.

In Psalm 92 staat wat dat betreft een prachtige belofte:

In hunne grijze dagen

Blijft hunne vreugd gewis.

Zij zullen, groen en fris,

Gewenste vruchten dragen.

Zoals Simeon en Anna recht stonden in de ouderdom, veerkrachtig, Christus verwachtend en Hem in hun armen nemend. Zo mag het zijn, uit die belofte mogen we veerkrachtig leven.

Wat erg dat er dan mensen zijn die niet blij zijn als een ander zo opgericht wordt. In dit verhaal zijn ze er ook weer, de theologen en kerkmensen, die het deze vrouw niet gunnen dat zij wordt bevrijd en losgemaakt van haar kwelgeesten. Het bepaalt ons nog één keer bij de vraag: Wie mag er bij ons in het midden staan? Wie gunnen wij het dat hij of zij wordt losgemaakt? Wij mensen oordelen zo gauw. Wie laten wij lekker aan zijn lot over? Wat zien wij liever niet gebeuren?

Wie door Jezus is losgemaakt, gaat het een ander ook gunnen. Pint een ander niet vast op wie hij was of is, maar ziet mogelijkheden, en wordt vervuld van hoop, en zingt de ander toe:

‘Hoog, Sammy, kijk omhoog Sammy,

Want daar is de blauwe lucht.

Hoog, Sammy, kijk omhoog Sammy,

Er is er Één die van je houdt.’

Amen.