Woord (gedicht)

Woord

 

Voor Lucebert

 

Hij bukt zich om het gat te graven

De witte handen in de zwarte grond

De zwarte randen van zijn adem

Hebben de stank van rotting ingehaald

Hier ligt de tere stengel en de moede knop

 

Hij bukt zich weer, het zijnde nemend

Dat sinds de derde dag bestaat

Voedend het wezen van de zesde

Dat stinkt en dat het daarom haat

 

Het woord is geen mannetje in de nacht

Geen arm mannetje in de nacht

Geen mannetje

 

Het woord is een gat in de grond

Een lijk in de warme aarde

 

Een kiem met een wond

 

(In de Waagschaal, december 2016)