Betutteling

Betutteling is een mooi woord, maar een slechte zaak – en het valt me op hoe zij almaar terrein wint. Dat heeft iets paradoxaals. Het Nederlandse christendom, vooral de gereformeerde tak ervan, is vaak van betutteling beschuldigd. De jaren ‘50 moesten het in dat opzicht steeds weer ontgelden en romanciers gaven in hun werk die kleingeestige gereformeerde wereld op z’n kop. Uitgerekend nu onze natie het predicaat christelijk van zich heeft afgeschud, zijn overheid en publieke opinie betuttelender dan ooit.

De kwestie speelt vooral rond het lichaam. Het corpus is de afgod van onze tijd. En wee je gebeente als je er niet mee omgaat zoals de publieke opinie van je eist. Dan volgt de schandpaal. Neem de brave burger met een paar kilo’s overgewicht. Wordt het niet tijd dat hij zijn zorgkosten zelf gaat betalen? Moet-ie maar niet zo veel vreten. En dan de sport. Naar mensen die zich hun hele leven geestelijk niet ontwikkelen, kraait geen haan – maar wee degene die niet sport! Die is op zijn zachtst gezegd zielig. De overheid vertelt ons nauwkeurig welke seks veilig is en welke niet, en in welke standjes het mag. Blijf alsjeblieft weg uit de slaapkamer! Scholen moeten lessen sociale omgang gaan geven. Zijn er geen gezinnen meer? Moet de Staat de opvoeding overnemen? Roken – dat is helemaal erg. Wie rookt, is eigenlijk crimineel. Blijf met je tengels uit onze cafés, overheid! […]

En zitten dan. ‘Zitten is het nieuwe roken’, zo wil de campagne die momenteel op ons afkomt. Want betutteling heeft geen einde. Dat is het diepste wezen van de betuttelaar: hij is nooit tevreden. Nu mag ons lichaam al niet eens meer zitten. Want je zou eens een jaartje korter leven – oh oh, wat zou dat erg zijn!

Alleen een cultuur die de dimensie van de eeuwigheid volledig is kwijtgeraakt, kan zo obsessief met het lichaam omgaan en zo betuttelend de privéwereld van haar burgers binnentreden. Het christendom daarentegen is de uitvinder van de gewetensvrijheid. Die gewetensvrijheid strekt zich ook over de omgang met het lichaam uit. Er is een eigen verantwoordelijkheid, waar de staat en de publieke opinie niet in mogen treden. Zo is het ook met het schandalige wetsvoorstel dat ons antwoord op orgaandonatie alvast invult: ‘ja, tenzij’. En weer gaat het over ons lichaam.

Een christen behoort te staan voor de persoonlijke vrijheid. Dat is óók de vrijheid om te zitten, te roken, en zo hard te werken dat je een paar jaar eerder naar de eeuwige jachtvelden gaat. Het is ook de vrijheid zelf te kiezen hoe je met seks omgaat en zelf je kinderen op te voeden. Taal en rekenen mogen de kinderen op school leren, maar laat het onderwijs van hun gewetens afblijven. Anders worden het later zelf net zulke betuttelaars.

Waar staat het ook alweer? ‘Het zal zijn in het koninkrijk Gods dat er geen betuttelaar meer gevonden zal worden.’

(column De Nieuwe Koers oktober 2016)