‘Door zijn priesterschap heerst hij over God.’ Een zinnetje van Luther

‘De vrijheid van een christen’ is en blijft een van de meest oorspronkelijke vruchten van de Reformatie. Er zijn weinig teksten waarin zozeer de oerkracht van de Reformatie doorklinkt. Het is de herontdekking van de vrijheid. Hoeveel er ook te zeggen is over de verhouding van Paulus en de Reformatie, hoezeer het ook juist is dat Luther niet de eerste was die iets van Paulus begreep, op dit punt is de Reformatie toch duidelijk een opdelven van iets dat in de gang van het corpus christianum diep onder het stof geraakt was: de vrijheid van een gelovige.

Luther schreef zijn werk in 1520, een bijzonder vruchtbaar jaar voor hem. Drie heel belangrijke werken verschenen toen. Hoe belangrijk dit vrijheidsboekje in zijn eigen ogen was, blijkt wel daaruit dat hij het zowel in het Duits als in het Latijn schreef (overigens met kleine verschillen). Normaal gesproken was het of-of: de wetenschappelijke werken in het Latijn, de andere in het Duits.

Het vrijheidsgeschrift is geschreven als bijlage bij een brief aan paus Leo X. Luther werd hiertoe gedrongen doordat hij nu officieel met de pauselijke ban bedreigd werd. In het boekje wil Luther niets minder dan ‘de kern van het christelijke leven’ noteren. Ter verduidelijking van wat een christen is, stelt hij in aansluiting bij 1 Korinthe 9:19 twee thesen op, die samen een paradox vormen: ‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan. Een christen is een dienstbare knecht van ieder en ieders onderdaan.’ Deze spanningsvolle stelling beheerst de hele opbouw van het boekje.

De basale onderscheiding die Luther gebruikt om uit te leggen dat het hier niet om een simpele tegenstelling gaat, is die van de innerlijke en uiterlijke mens. In het eerste deel gaat het over de innerlijke mens, de vrijheid en het geloof. In het tweede deel gaat het over de uiterlijke mens, de dienstbaarheid en de liefde. Bij het eerste drietal horen ook de woorden ‘geestelijke mens’, ‘nieuwe mens’ en ‘ziel’, en bij het tweede drietal ook ’lichamelijke mens’, ‘oude mens’ en ‘vlees‘. Zo bouwt Luther een dualistische antropologie op, die sterk aansluit bij Paulus, maar soms ook wat lijkt op Plato.

En nu lezen we dus, in paragraaf 16, het zinnetje dat mij bij eerste lezen al direct intrigeerde: ‘Door zijn priesterschap heerst hij [de mens] over God.’ Wat kan hier bedoeld zijn? Kan de mens over God heersen, moet dat zelfs? Dat lijkt een heel vreemde uitspraak van een Reformator. De zin staat nog in het eerste deel van het werkje, dat handelt over de innerlijke mens, vrijheid en geloof. Luther stelt dat het geloof ons doet delen in alles wat van Christus is. Wij mogen met Hem koningen en priesters zijn. Eerst werkt hij het koningschap uit: “Dat gaat zo in zijn werk, dat een christen in het geloof zo hoog boven alle dingen komt te staan, dat hij er in geestelijke zin als een heer over kan gebieden. […] dit is een geestelijke heerschappij, die uitgeoefend wordt ook midden in de lijfelijke verdrukking. Ik kan immers met alle ervaringen mijn geestelijke winst doen, zodat zelfs de dood en het lijden mij dienen moeten en van nut zijn voor mijn zaligheid. Dat is werkelijk een hoge, edele waardigheid en waarlijk almachtige heerschappij.” We zien hoe ver Luthers gedachten hier gaan. Datgene wat normaal een eigenschap van God is – almacht – wordt hier ongegeneerd op de gelovige overgedragen. Dat heeft te maken met een ingewikkelde theologische constructie van Luther, die de ‘mededeling van de eigenschappen’ genoemd wordt. Volgens Luther deelt God zijn eigenschappen niet alleen mee aan de goddelijke natuur van Christus (zoals de traditie leert) maar ook aan de menselijke natuur. Dus ook Christus’ mensheid is almachtig, alomtegenwoordig etcetera. De tweede stap is dan, dat het geloof werkelijk met Christus verbindt, niet alleen in ons idee of gevoel, maar echt, feitelijk. We worden echt ingeplant in de wijnstok en – het geloof gaat dan ook delen in de eigenschappen van Christus, die God is. We zien dus dat deze zinnen geen retorische overdrijving van Luther zijn ofzo, maar juist tot de kern van zijn denken behoren. De gelovige heerst over dood en hel, en is eigenlijk onaantastbaar. Daarom kan Luther ook in zijn beroemde lied ‘Een vaste burcht’ die zinnen opnemen: ‘Delf vrouw en kind’ren ’t graf / neem goed en bloed ons af’. Aanstootgevende zinnen, die velen liever niet zingen. Maar ze lopen direct weg uit de kern van Luthers theologie: het geloof geeft deel aan Christus en zo aan God zelf.

Na het koningschap gaat Luther het dan over het priesterschap hebben. Als priester bidt Christus voor ons. Als de gelovige deelt in zijn priesterschap, doet hij dit ook in de voorbede. Maar die voorbede van Christus is ‘dwingend’ voor God. God luistert altijd naar zijn Zoon. Zo heerst de Zoon over de Vader. En nu zegt Luther: ‘Door zijn koningschap heerst hij [de gelovige] over al het geschapene, door zijn priesterschap heerst hij over God.’ Laten we goed bezien waar de gelovige nu neergezet wordt: bóven alle dingen, ja zelfs bóven God! Dát doet het geloof. Daarom is er niets te prijzen boven het geloof. Het maakt je vrij van alles – zelfs van God. Halleluja!

Dat laatste, dat het bevrijdend is om boven God te staan, ja, dat het noodzakelijk is om boven God te staan – dat is uiteindelijk denk ik alleen te begrijpen tegen de achtergrond van Luthers godsleer. Luther werkt dat in dit verband verder niet uit. Hij wijst er alleen op dat God onze gebeden wel móet verhoren, omdat wij delen in het priesterschap van Christus. Maar de bredere context van zijn theologie laat zien waarom wij wel over God móeten heersen, om echt vrij te zijn. Dat komt omdat God ons in eerste instantie oordeelt, veroordeelt. Luther heeft God gehaat, met de diepst mogelijke haat. De haat van de zogenaamde atheïsten valt volstrekt in het niet bij de haat, waarmee Luther God gehaat heeft. Hij haatte Hem niet omdat Hij niet zou bestaan, maar omdat Hij rechtvaardig is en dus de zonde straft. God is de wrekende gerechtigheid, God is de Wet die je nooit vervullen kunt, God is de opdracht waar je alleen voor kunt falen, God is de grote, alomtegenwoordige mission impossible. Dáárom moet je over God heersen om vrij te zijn. De wet moet beëindigd worden, de opdracht nietig verklaard.

En zie daar, halleluja: wij heersen over God. Dat brengt de lofzang op het geloof tot stand, die Luther hier zingt. ‘Delf vrouw en kind’ren ’t graf’, maar ook: ‘beschuldig mij van alles waar je me maar van beschuldigen kunt, onterecht of terecht, zet God met zijn hele doodvonnis op m’n nek – ik ben vrij van alles, vrij van Hem.’ Dat is de taal van het boek Job, van Paulus, en dat werd ook weer de taal van Luther. Dat is wat hem tot op zo’n eenzame hoogte verheft.

Wij denken vandaag de dag goed af te zijn doordat wij God niet meer kennen als mission impossible. Maar wij vergissen ons. Als wij God zo niet meer kennen, dan raken wij Hem kwijt. Want Hij is zo. God is de norm waar tegenover wij alleen maar falen kunnen. Daarom moeten wij niet los worden van God – wij moeten over Hem heersen. En wij heersen over Hem door het geloof, waarin wij met Christus verbonden zijn, die het einde van de wet is, die het juk gebroken heeft en God verslagen. Pas als we dat weer gaan zien, zal er een echt levend geloof terugkeren, en zullen we het loflied op het geloof dat nu verstomd is en door andere lofliederen vervangen, weer kunnen aanheffen.