Recensies Herman Paul over secularisatie (NTT 2018)

(gepubliceerd in NTT JTSR vol. 72 (2018), 3, 273-276)

Herman Paul, Secularisatie: Een kleine geschiedenis van een groot verhaal, Amsterdam, Amsterdam University Press, 2017, ISBN 9789089649751; 148 pp., € 14,99.

Dit boek is een uitwerking van de inaugurele rede die Paul hield als bijzonder hoogleraar secularisatiestudies. In tegenstelling tot wat de titel zou kunnen doen vermoeden, gaat het boekje niet over secularisatie, maar over het hoe en waarom van secularisatietheorieën. De auteur neemt dus een metaperspectief in. Hij probeert niet de transformatie van religie in de moderniteit te begrijpen, maar probeert te begrijpen waarom anderen secularisatietheorieën hebben ontwikkeld en hoe die functioneren. Zijn these is dat secularisatie een ‘groot verhaal’ (grand narrative) is dat deconstructie verdient. Hij wijst niet alleen de klassieke secularisatietheorieën van Max Weber en anderen af, maar ook die van Charles Taylor en Marcel Gauchet, omdat deze geworteld zouden zijn in het 19de-eeuwse historisme (hoofdstuk 2). Hoewel deze afhankelijkheid van het historisme goed onderbouwd wordt, is daarmee nog niet veel gezegd over de waarde of waarheid van deze filosofische analyses. In het derde hoofdstuk laat de auteur zien hoe secularisatietheorieën niet alleen als verklaring achteraf fungeerden, maar ook zelf bijdroegen aan het conflict tussen moderniteit en geloof. Het secularisatieverhaal kreeg zo iets van een ‘self-fulfilling prophecy’, zo meent Paul met Brewitt-Taylor (68). Ook het moderne, sociologische gebruik van de term ‘secularisatie’, gebaseerd op kwantitatief onderzoek, kan de auteur niet bekoren (hoofdstuk 4). Ook daar werd secularisatie ‘de naam van iets groters dan een theorie die empirisch kon worden getoetst’ (74). Bryan Wilson, David Martin en anderen moeten het hier ontgelden. In een interessante dialoog met Steve Bruce (86-91) ontdekt Paul dat ‘in haar meest geavanceerde varianten, zoals ontwikkeld in de hoogtijdagen van het CISR … secularisatie geen groot verhaal, zelfs geen grand theory’ was (90). Deze ontdekking had gevolgen kunnen hebben voor zijn eigen deconstructie van secularisatie, maar die heeft het niet. In hoofdstuk 5 en 6 ten slotte gaat Paul in op secularisme en post-seculariteit. Hij signaleert dat secularisten secularisatietheorieën gebruiken voor hun eigen agenda. Hier vervult secularisatie dus opnieuw een legitimerende functie. Hij ziet het postseculiere niet als teken van een nieuwe tijd, maar als aanduiding van de problematiek van het seculiere. De kracht van dit boekje is dat het laat zien dat ‘secularisatie’ mede gefunctioneerd heeft als groot verhaal, als paradigma en als legitimatie van maatschappelijke ontwikkelingen en persoonlijke keuzes. De zwakte ervan is dat daarmee niet is aangetoond dat de secularisatietheorie ‘in haar meest geavanceerde varianten’ geen verklaring van de transformatie van religie in de moderniteit biedt. In ieder geval levert de auteur geen alternatieve verklaring voor deze transformatie van religie. Daarom is het gewenst dat niet alleen een metaperspectief wordt ingenomen, van waaruit bestaande theorieën gedeconstrueerd kunnen worden, maar ook een eigen toegang tot de werkelijkheid van religie en moderniteit gezocht wordt, zodat een betere theorie ontwikkeld kan worden. De (religieuze) werkelijkheid blijft immers vragen om verklaring en begrip.

Willem Maarten Dekker, Waddinxveen

 

Herman Paul, De slag om het hart: Over secularisatie van verlangen, Utrecht, Boekencentrum, 2017, ISBN 9789023950189; 157 pp., € 16,99.

Terwijl het hierboven besproken boek betoogt wat secularisatie niet is, bedoelt deze bundeling essays duidelijk te maken wat secularisatie dan wel is. Volgens Paul gaat het in de secularisatie niet om een de eeuwen omspannende verandering in het denken (zoals bijvoorbeeld Charles Taylor betoogt), niet om een gedragsverandering (verminderde participatie aan religieuze activiteiten c.q. kerkverlating) en ook niet om een privatisering van de religie, maar om iets dat zich in ’s mensen hart afspeelt. Het gaat om een verandering van de richting van onze verlangens. Secularisatie betekent hier dat onze verlangens zich niet langer richten op God en het eeuwige leven, maar op vervulling binnen de tijdruimtelijke werkelijkheid. In het bijzonder meent Paul dat onze verlangens heden ten dage in de ban zijn van status, welvaart en tijdelijk geluk. Dit wordt uitgewerkt in negen hoofdstukken die eerder als lezing gehouden of als artikel verschenen zijn. Na een kritiek op Taylor (hoofdstuk 2), die ook al kort te lezen was in het hierboven besproken boek, en een beschrijving van wat de auteur met de secularisatie van het hart bedoelt (hoofdstuk 3), lezen we hoe ‘zelfontplooiing’ een seculier en seculariserend ideaal is (hoofdstuk 4) en over moderne controledrang (hoofdstuk 5). Daarna komen hoofdstukken die meer positief beschrijven hoe de christelijke gemeente de secularisatie van het hart zou kunnen of moeten keren. Christelijk geloof verschijnt dan als karaktervorming (hoofdstuk 6). De kerk zou er vooral op moeten inzetten om mensen de juiste verlangens te leren. Het is dus een sterk pedagogische onderneming (hoofdstuk 7), en daarom is het niet vreemd dat ook de heiligenlevens gepropageerd worden (hoofdstuk 8). Christenen hebben weer behoefte aan voorbeelden voor hoe je heilig, dat wil zeggen vanuit het juiste verlangen, leven kunt. Het laatste hoofdstuk sluit aan bij Samuel Wells en spreekt over discipelschap als improvisatie. Historisch gesproken past het boek van Paul in de methodistische traditie. Een theoloog als Hauerwas is voor hem dan ook een belangrijk oriëntatiepunt. Het accent van het christelijk leven verschuift hiermee van een leven uit genade naar een leven in navolging van Jezus, van rechtvaardiging naar heiliging. Op de grote theologische vragen die hier liggen, gaat de auteur echter niet echt in. Het boek laat zich meer lezen als een parafrase en toepassing van de theologie van Bernd Wannenwetsch en Stanley Hauerwas, aangevuld met enkele anderen. Paul neemt met het centraal stellen van het verlangen een belangrijk thema uit de christelijke traditie op. Deze heeft, vooral in de augustijnse traditie, die ook de reformatie heeft gestempeld, veel te zeggen over het menselijk innerlijk en het verlangen. Een klassieke opvatting van zonde is, dat dit in feite een verkeerd gericht verlangen is. In die zin gaat dit boekje eigenlijk over de zonde. Dat is ook meteen de zwakte ervan. Een secularisatietheorie kan niet vervangen worden door een hamartiologie. Een zondeleer zegt niet specifiek iets over de moderniteit en verklaart ook niet de transformatie van religie in de moderniteit. Bovendien, en dat probleem weegt wellicht nog zwaarder, doordat Paul secularisatie localiseert in het hart, suggereert hij op zijn minst dat hij het moderne religiebegrip, waarin religie wordt beperkt tot een privé-aangelegenheid, onderschrijft. De privatisering van de religie is echter zelf een vorm van secularisatie. Kortom, dit boekje lijkt niet echt over secularisatie te gaan, maar spreekt meer vanuit een voltooide secularisatie: als religie eenmaal geprivatiseerd is, hoe kunnen we dan nog over ‘secularisatie’ spreken? Antwoord: als nog verder gaande secularisatie, namelijk secularisatie van het hart. Dit betoog heeft voor de kerkelijke gemeente zijn waarde, omdat veel gelovigen de hier besproken problemen zullen herkennen. Het boekje helpt echter niet om de transformatie van religie in de moderniteit te begrijpen. En daar waren secularisatietheorieën toch voor bedoeld. Paul suggereert nu (47) dat het voor de kerk genoeg is om van de secularisatie van het verlangen te weten, terwijl de wetenschap meer vraagt. Dat is echter een oneigenlijke tegenstelling tussen kerk en school. Ook de kerk heeft baat bij een meer nuchtere, rationele analyse van de maatschappelijke religieuze veranderingen. En omgekeerd kan de wetenschap zomaar baat hebben bij een hamartiologie.
Willem Maarten Dekker, Waddinxveen