De Heer is mijn herder (preek Psalm 23)

Gemeente van Christus,

 

I.

Wat een belijdenis! De HEERE is mijn Herder. Korter en krachtiger kun je haast niet belijdenis doen. Zo belijdenis doen is een basis en een opdracht voor je hele leven. Het tekent zo met tijdloze kracht de relatie tussen de HEERE God en ons. Hoewel wij allang niet meer leven in een tijd van herders en schaapskudden, en die alleen nog kennen van een dagje uit naar de Drenthse heide of zo, hoewel wij leven in een stadscultuur en een computerwereld in plaats van het oude joodse nomadenbestaan – dit beeld van God als de Herder blijft ons eeuwig bij. In Drenthe en op de Veluwe wordt louter voor de toeristen het herdersbestaan nog even nagespeeld, maar meer dan naspelen is het eigenlijk niet, zelfs al is het nog wel een wat zwaarder leven dan van negen tot vijf achter de computer zitten. Maar uiteindelijk, als het donker wordt, of als de winter aanbreekt, gaat de herder toch weer lekker bij de centrale verwarming zitten.

En tóch blijft het beeld ons aanspreken, alle eeuwen door. Dat beeld dat de Bijbel doortrekt, van Abel de schaapherder tot aan de herders van Bethlehem, die ’s nachts bij hun kudden waren en overvallen werden door een groot licht. Dat beeld blijft ons raken. Tallozen zijn er mee begraven en op talloze grafstenen staat de tekst gebeiteld: ‘De Heere is mijn Herder’.

 

II.

Maar dat betekent natuurlijk niet dat het een belijdenis voor het sterfbed is. Misschien dat het voor deze ene gene wel zo lijkt. Een troostlied voor als je oud geworden bent, een beetje zoetig ook, maar niet voor als je jong bent. Nou, juist wel, zou ik zeggen. Zeker, ik heb psalm 23 ook al vaak gelezen aan een sterfbed en bij een begrafenis, maar het is een tekst voor het léven.

De kinderen van de jongste catechisatie, van groep 7 en 8, hebben een paar jaar geleden psalm 23 uit het hoofd geleerd en in de belijdenisdienst voor ons gezongen. Dat was heel mooi, en ik hoop dat je hem nog kent. Waarschijnlijk heb je ook leren bidden voor het slapen gaan: “Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe.” Denk je bij jezelf ‘daar word ik nu wel wat oud voor’, terwijl je tegelijk bidden in éigen woorden soms moeilijk vind? Bid dan eens Psalm 23, als avondgebed.

Ja, aan het einde van het leven mag psalm 23 ook klinken, prachtig, maar het is een belijdenis juist ook voor het hele leven. Een leven waarin je tijd krijgt om het te zeggen en steeds meer te beamen. De Heere is mijn herder. Zo persoonlijk staat het er, net zoals jullie Julian en Rowan, Joëlle en Bastiaan vandaag zeggen: ik geloof.

 

III.

De psalmen hebben het ritme van het mensenhart. En ons mensenhart kunnen we leren afstemmen op de psalmen. Lees ze, blijf ze lezen voor jezelf, leef ermee, zing ze. Dan wordt je langzaamaan steeds meer geleid naar een diep besef van datgene wat de kern van deze psalm uitmaakt: de overtuiging “U bent bij mij”. Dat zinnetje staat precies in het midden van de psalm. En het vormt er ook de kern van. Zo U en ik leren zeggen, daar draait het om, dat is een belijdend leven. Zo rust vinden bij God, dat wenst deze psalm je toe.

 

IV.

Ja, deze psalm 23 ademt een grote rust. “De HEERE doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.”

Bij die woorden zouden wij dus een romantisch beeld krijgen van de herder die met zijn kudde rustig over de grote stille heide gaat. Maar dat is niet het beeld waar we aan moeten denken. Een herder zijn, dat was in de tijd van de Bijbel een hard beroep. Heel hard werken. Een echt mannenwerk daarom ook. Over vrouwelijke herders lees je niet. Het was dagen van huis zijn en in de open lucht slapen, het was bij je kudde blijven in weer en wind en het was ook je kudde verdedigen tegen wilde dieren. Je moest sterk en gehard zijn en goed tegen het alleen zijn kunnen om herder te kunnen zijn, want de herder was vaak ook eenzaam. In de samenleving telden ze bovendien nauwelijks mee. Herders werden beschouwd als de laagste klasse van de samenleving, bijna als uitschot. Op een gegeven moment vraagt een rabbijn zich zelfs hoe het toch bestaat dat de HEERE God zich laat vergelijken met een hérder. Andere beelden zijn toch veel eervoller en daarom passender voor God. De HEERE is een koning bijvoorbeeld. Kijk, daar kun je wat mee, dat is ook eervol voor God. Hem een koning noemen.

Maar komt de koning bij je thuis? Nee, de koning komt niet bij thuis. Gaat de koning met je mee, je hele leven door? Nee. Dat doet zelfs koning Willem Alexander niet. Willem Alexander is een koning van niks vergeleken met de koningen van Israël. Die koning van toen was de legeraanvoerder, de opperrechter, de minister-president, alles in één persoon. En die komt dus helemaal niet bij je thuis.

God ís koning, zeker. Met die titel eren wij Hem, terecht. Maar Hij schaamt zich niet óók herder genoemd te worden. Want Hij komt ook graag bij je thuis. Hij komt graag in de stal. Hij komt zó graag in de stal, dat Hij er zelfs geboren werd. In Christus trekt de Koning graag als Herder met je mee het hele leven door. En zo laat Hij zich niet alleen graag koning noemen, maar ook herder, of die rabbijn dat nou begreep of niet.

 

De HEERE is mijn herder. Dat wil zeggen: Hij leidt mij. Hij beschermt mij. Hij zoekt mij als ik verdwaal. Hij troost mij als ik gewond ben. Hij kent mij en ik ken Hem. Ik haal zijn stem zo tussen alle andere stemmen uit. Zoals schapen dat kunnen. Jezus zegt: “Mijn schapen horen Mijn stem, en volgen Mij.” (Joh. 10) Zo is dat in het echt ook. Er is een verhaal uit de oudheid over twee kudden, van twee herders, die tegen het vallen van de avond aankwamen op dezelfde slaapplaats. En de kudden mengden zich, ze gingen dwars door elkaar liggen slapen. Hoe kwam dat nu de volgende dag weer goed, toen de herders elk met hun kudde hun eigen kant weer uit wilden? Heel simpel. Ze gingen allebei aan een kant staan en begonnen allebei te praten, te roepen. En op de klank van de stem liepen alle schapen precies naar hun eigen herder. Die schapen zijn niet zo dom als ze er uit zien.

En zo is het tussen God en ons ook. We zijn totaal verschillend, God en ik, zo verschillend als een dier en een mens, en toch begrijpen we elkaar. Wij begrijpen ongeveer net zoveel van God als een schaap van zijn herder, of als een hond van zijn baas, maar toch is dat genoeg om wérkelijk zijn stem tussen alle andere stemmen uit te kunnen horen, en om zó veilig te leven en getroost te sterven.

Hij is toch “de HEERE” voor ons, de God met een Naam. Dat is opvallend, toch? Er staat niet: “God is mijn herder”, maar: “de HEERE is mijn herder”. Daar wordt God bij zijn naam genoemd. Dat hoort ook bij het belijden. Voor wie God leert belijden, is Hij niet meer zomaar een hoger wezen, een God, zoals de wereld vraagt: “Zou er een God bestaan?”. Maar “een God”, dat boeit de dichter van deze psalm helemaal niks. Wat moet ik met “een God”? Er bestaan zoveel goden en machten. Baäl, Mammon, Zeus, Afrodite, Geld, Macht, Seks, mijn Ego, mijn Angst, de Dood, allemaal goden. Maar ééntje te midden van die allen, die is het, die is de ware, dat is Hij die de HEERE genoemd wordt, de Naam, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, de God van Jezus. Díe is mijn herder, díe vertrouw ik, díe zorgt voor mij. Díe beschermt mij, díe zoekt mij op als ik verdwaal. “Uw Naam is ‘ik ben’ en ‘ik zal er zijn’.

 

VI.

Ja, díe God schaamt zich niet om onze herder te zijn. Om zijn koningsmantel uit te trekken en zijn werkkleren aan te doen. Deze Herder draagt geen zwarte toga en geen witte toga, die draagt helemaal geen toga of hermelijnen mantel als een koning. Jezus deed zijn hele leven met dezelfde jas, die had echt geen geld om elk voorjaar een nieuwe te kopen, zoals wij. En op het laatst, aan het kruis, hing hij daar naakt. Deze naakte, met alle mogelijke schaamte en schuld bedekte stervende man werd spottend koning genoemd, de koning der joden. En Hij is het – als herder. Als degene die zijn koningsmantel aflegde. In Christus schaamt God zich niet om onze Herder te zijn, de goede herder, die zijn werkkleren aandoet en met ons meeloopt.

 

Ja, in psalm 23 is iemand die hard werkt, maar wij zijn het niet. Het is de herder. De schapen mogen grazen, maar de herder is aan het werk. Hij is alert, voortdurend alert, Hij sluimert noch slaapt, Hij beschermt ons, Hij voedt ons, Hij geeft ons blijdschap.

 

VII.

Deze psalm bemoedigt ons erin om de Heere God zo te zien en zo te blijven zien. Ook jullie, Joëlle en Bastiaan en Julian en Rowan spoort hij daartoe aan. Julian, jij zegt het al in je getuigenis dat we gelezen hebben op de beamer: “Ik geloof dat de Heere God goed voor mij zorgt.” En ook: “Hij wandelt met mij mee mijn verdere leven.” Nou ja, dat is het. Zo doet hij dat, als jij straks weer naar Gouda gaat om daar te werken, de mensen te voorzien van koffie en een gebakje. Moet u ook eens doen, in Gouda naar Brownies en Downies gaan. Dan krijg je van Julian koffie en een gebakje en de eerste keer is het gratis, toch Julian? En Julian doet zijn uiterste best voor je, echt. En Julian, zoals jij voor de bezoekers voor Brownies en Downies zorgt, zo zorgt de Here God voor jou. Nee, niet elke dag een gebakje natuurlijk, dat is ook helemaal niet goed voor ons, maar Hij is er wel echt voor ons.

En ook voor de anderen geldt dat. Of je nu als Joëlle nog met een opleiding bezig bent, of als Bastiaan met je handen hele mooie dingen maakt, of als Rowan je handen uit de mouwen steekt op de zorgboerderij, Hij is er bij.

 

VIII.

“U bent met mij”. Ik zei al: dat zinnetje midden in de psalm, in vers 4, is eigenlijk de kern. En het opvallende is, dat dat zinnetje niet meer in de hij-vorm staat, maar in de u-vorm. Met andere woorden: daar spreekt de dichter niet meer óver God, maar daar spreekt hij tót God. Eerst sprak hij óver God. “De HEERE is mijn herder.” Hij doet dit, Hij doet dat. Dat is allemaal spreken óver God. Dat is niet verkeerd, maar je redt het er uiteindelijk niet mee in je leven. Uiteindelijk moet je zo ver komen, dat je ook tót God leert spreken. U, U bent het. Dan is het ook pas helemaal waar.

Ik las bij iemand (A.A. van Ruler) het volgende: “U bent bij mij. Je moet dat wel in de tweede persoon zeggen, rechtstreeks tot God, dus helemaal persoonlijk, in jezelf. Zo gauw je het in de derde persoon zegt, tot anderen of ook tot jezelf, spreken óver God, is het niet meer helemaal waar.” Ik denk dat dat zo is. Als ik nu zeg: ‘De HEERE is uw en jouw herder’, dan is dat maar een halve waarheid. Want het gaat hier om een waarheid die heel persoonlijk is en die dus ook alleen maar heel persoonlijk ontdekt kan worden en beleden. Daarom is het ook zo mooi en zo belangrijk om wel een keer tot zo’n punt te komen. Tot zo’n moment van een persoonlijke belijdenis, als wij vandaag horen. Anders zul je de kracht van die woorden nooit echt gaan merken.

 

IX.

Want kracht hebben de woorden nodig. Omdat deze belijdenis gezegd wordt midden in het leven. Wij kunnen bij de herder wel in de eerste plaats denken aan de romantiek van de Drenthse heide, maar dat is dus echt onze vergissing. Dat is niet waar het in de psalm om gaat. De psalm wordt niet gesproken bij de knusheid van de open haard of de centrale verwarming, maar vooral in een dal lezen wij, een dal vol schaduw van de dood zelfs. Rowan, jij zegt in je getuigenis: “Ik doe belijdenis omdat ik geloof dat de Here God van mij houdt. Hij helpt mij ook als ik het moeilijk heb!” Amen, precies, ook als ik het moeilijk heb, dat is het.

 

Nee, dus niet:

 

“Op de grote stille heide

Bloeien bloempjes lief en teer

Pralend in de zonnestralen

Als een bloemhof heinde en veer.”

 

Dat is romantiek, dat is geen bijbels realisme. Met déze Herder kom je ook wel eens op plekken waar je niet wilt wezen. Dan ga je net als Nel Benschop vragen:

 

“Waar zijn nu, Heere, die stille wateren

Waarheen U mij zacht leiden zal?

‘k Zie mijn geluk steeds meer verwateren –

Waar is uw stille, groene dal?

Waar is de beker, die U vol zou schenken?”

 

Soms is de heide helemaal niet schoon, niet mooi en lieflijk, maar gaat het door een kloof, een nacht. Zelfs een nacht van Gods zwijgen. Waarin je de stem van de herder niet meer hoort, en moet vertrouwen, bijna blind moet vertrouwen dat Hij toch niet ver is van een ieder van ons.

 

X.

Michel van der Plas zegt in een gedicht: “de Heer is mijn vérder”. En hij bedoelt: de Heer is altijd voor me uit. Ik zie Hem slechts van de achterkant. En door het geloof ervaar ik ook zoveel gemis. Door het geloof kan ik niet opgaan in het hier en nu, maar word ik er uit gehaald, leef ik van de hoop, van wat er nog niet is.

Daar zit wat in: door het geloof ga je juist zien dat je er nog niet bent, dat je leeft van een verlangen, van wat beloofd is en komt maar er nog niet is. Het rijk van God. Zo zegt Michel van der Plas het: De Heer is mijn vérder, Hij is mijn elders, Hij is mijn eenmaal. Eenmaal zullen wij Hem zien.

Wie zou dit niet herkennen? Zelfs psalm 23 kent er, ondanks alle innigheid en nabijheid, nog wel iets van, als wij ons de situatie van de kudde indenken. Dat in de eerste plaats: de Heer is nooit jouw herder alleen, maar Hij is herder van een kudde, en een relatie met Hem is dus ook nooit een privé-relatie, maar alleen als één van de kudde heb je een relatie met Hem. En in de tweede plaats: de Herder loopt vóór die kudde uit. Niet het drijven, maar wel bij het hoeden. Bij het hoeden loopt de Herder vooruit, en de kudde hóórt zijn stem, en volgt. Nee, God zit niet bij ons op schoot en wij niet bij Hem, ook niet in psalm 23.

De Herder loopt voorop, maar ook áchter de kudde loopt wat. Daar lopen twee honden. Die zorgen ervoor dat de kudde een beetje doorloopt. Hoe heten die honden? Dat horen we ook: “Heil en goedertierenheid”. “Heil en goedertierenheid zullen mij volgen” staat er toch? (vers 6).

Zo worden wij in het geloof omgéven op onze tocht. Omgéven door de Heer en zijn gaven. Voor ons de Herder, en achter ons zijn gaven: geluk en liefde. Die áchtervolgen je, zoals de honden de schapen.

 

Dus ja, Michel van der Plas heeft een punt, maar gelukkig: de Heer is niet alléén ons vérder. Hij omgeeft mij ook van voren en van achteren en Hij legt zijn Hand op mij, nu. (Ps. 139) En zo ontbreekt ons niets. Want waar God is, wordt zelfs de hel een hemel.

 

XI.

Ja, dit is een psalm en een belijdenis vol bemoediging, tot aan het einde toe. Dan begint de dichter zelfs te geloven dat hij nu altijd in het huis van God kan blijven (vers 6). Daarbij moest wil wel even aan jou denken, Julian. Jij gaat altijd pas als laatste weg uit de kerk, als het catechisatie is op donderdag. Jij doet het licht uit en de deur dicht. Want het is fijn om in de kerk te zijn, met iedereen om je heen. En op zondag blijf je ook vaak lang. Eerst nog even de koster helpen. Je wilt altijd wel blijven. Prachtig.

Maar ja, je moet toch een keer weer naar buiten, de kerk uit. Dat weet deze dichter ook wel natuurlijk. En daarom bedoelt hij hier met “het huis van de HEERE” ook niet de tempel. Hij bedoelt er hier de wéreld mee! Dat is eigenlijk heel bijzonder. Hij bedoelt: de hele wereld is Gods huis. Waar ik ook ga, ik ben nooit buiten Gods bereik en aanwezigheid.

En ook die bemoediging krijgen jullie nog mee. Je hebt nu belijdenis gedaan, in de kerk. Je bent een jaar intensief met het geloof bezig geweest. Nu komt er weer een andere tijd. Misschien een gewonere tijd. Misschien ook wel een mindere tijd. Maar ook in die tijd is Hij er bij. De hele wereld is Gods huis.

AMEN

(Belijdenisdienst Waddinxveen, 7 april 2019)