“Toen kwam Ruth bij haar schoonmoeder, en die zei: ‘Wie ben je, mijn dochter?’ (Ruth 3:16)

Meditatie

 

Wie ben je?

 

“Wie ben je?” Die vraag klinkt twee keer in het derde hoofdstuk van het boekje Ruth. Beide keren wordt de vraag aan Ruth gesteld. Één keer door Boaz, in vers 9. En één keer door Naomi, in vers 16.

Wie ben je? Een vraag die we hopelijk allemaal wel eens aan onszelf stellen. Wie ben ik? Wie ben ik in de ogen van anderen? Wie ben ik in Gods oog?

Bij Boaz was het een logische vraag. In de nacht, in het donker, kietelt er iemand onder zijn voeten, en wakker schrikkend vraagt hij: wie ben je?

Later, als Naomi de vraag stelt, komt hij meer onverwacht. De vraag wordt gesteld als Ruth weer thuis komt, ’s morgens heel vroeg, bij Naomi. Ik stel me voor, Naomi heeft geen oog dichtgedaan, en zit in haar schommelstoel slechts wat te dommelen, als Ruth net voor het ochtendgloren thuiskomt. ‘En, mijn dochter, wie ben je?’

Wat een vraag he? Snappen we hem? Je kunt denken: wat is er met Naomi aan de hand? Begint ze te dementeren? Weet ze niet meer wie ze voor zich heeft: Ruth, haar schoondochter. Stelt ze daarom die domme vraag: Wie ben je?

Maar, nee, zo zullen we deze vraag van Naomi toch niet moeten begrijpen. Het is veel dieper bedoeld. Wie bén je, Ruth? Wie ben je geworden vannacht? Ben je de verstotene, of ben je de beminde? Ben je de misbruikte misschien? Of de verloofde?

Het was een riskant avontuur van Ruth geweest om Boaz als losser te benaderen, zo heimelijk op die dorsvloer, in die nacht.

Wat is een losser ook alweer? Iedere man in Israël had zijn losser. Dat was in de meeste gevallen je naaste bloedverwant: je vader of broer. Anders je oom of je neef.

Wanneer een man gedood werd, dan had de losser de plicht van de bloedwraak: hij moest ervoor zorgen dat de moordenaar zijn rechtvaardige straf ontving. Wanneer een man om schulden als slaaf verkocht werd, dan de rustte op de losser de taak om hem weer uit zijn slavernij vrij te kopen. Wanneer een man noodgedwongen een stuk land moest verkopen, dan moest de losser tussenbeide komen en zorgen dat het land in de familie bleef. En: stierf een man zonder kinderen, dan moest de losser de kinderloze weduwe trouwen. Deze laatste taak van de losser, is hier aan de orde. Overigens was alleen een directe broer van de overledene hiertoe verplicht. Een neef of oom kon dit eventueel wel doen, maar was tot zo’n zwagerhuwelijk niet verplicht.

 

Nu is er een kinderloze weduwe, en dat is Naomi. Maar Naomi is ook inmiddels te oud om nog kinderen te kunnen krijgen. Zelfs een directe losser heeft voor haar geen zin meer. Maar Ruth is er nog. Haar eerste zoon zou nog mogen gelden als zoon van Naomi en Elimelech. En dan zou de grote bitterheid die in het leven van Naomi gekomen is, genezen.

Naomi en Ruth gaan Boaz bewegen om zijn taak als losser te volbrengen. Daarbij gaat het er heel menselijk aan toe. Naomi treedt op als koppelaarster. Zij heeft Ruth goed in de ogen gekeken toen zij terugkwam van het aren rapen en goed op haar gelet toen zij sprak over Boaz. En ze denkt bij zichzelf: Boaz en Ruth passen wel bij elkaar. En op een handige manier gaat zij ze nu aan elkaar koppelen, zoals er nog steeds talloze stellen zijn die bij elkaar gekomen zijn doordat er een derde was die al mogelijkheden zag voordat ze ze zelf zagen en die ze aan elkaar gekoppeld heeft.

Het is nu zeven weken geleden dat Ruth terecht kwam op het land van Boaz. Toen was het paasfeest, het begin van de gersteoogst. Nu is het zeven weken later en de oogst is voorbij, het wordt Pinksteren, het feest van de volle oogst.

 

En als Ruth dan terugkomt van haar laatste werkdag op het veld van Boaz, vraagt Naomi: Ruth, wordt het nu geen tijd om te trouwen? En dan komt ze met haar plan. Een plan voor een toekomst voor zowel haarzelf als Ruth. Zij als kinderloze weduwe. En Ruth als moabitische in een joodse stad.

 

En toen? Is er die nacht nog wat gebeurd? Natuurlijk! Denk je misschien. Ruth is blijven slapen, jaja, dan weten we het wel. Wel, de tekst is pikant, in het Hebreeuws nog wel wat pikanter en dubbelzinniger dan de vertaling. Maar vrijen, nee, dat doen ze net niet. Boaz toont zich daarin een man, dat hij zich beheerst. Nog even. Maar er gebeurt wel iets beslissends. In één nacht besluiten ze voorgoed met elkaar verder te gaan. De volgende morgen al wordt het huwelijk geregeld.

Wie ben je? Welke grenzen ben je overgegaan, wat is er met je gebeurd? Als je die vraag aan iemand stelt, komt de geschiedenis van zijn leven. Vaak het eerst die paar beslissende momenten, die je leven hebben gestempeld. Die hebben je gemaakt tot wie je bent. Dat doodgeboren kind. Die scheiding. Die ziekte. Die trouwdag. Die dag van je bekering. Voor Ruth is dat beslissende moment het moment van die nacht. Toen ze liefde zocht en vond.

Wie ben je, Ruth? Wie ben je geworden vannacht? Ben je de verstotene, of ben je de beminde? Ben je de misbruikte misschien? Of de verloofde?

Dat is de vraag waar het om draait. Wie zijn wij? Wie zijn wij geworden? Een vraag over ons leven, over de hoogte en dieptepunten daarin. Maar ook een geloofsvraag. Wie zijn wij geworden in de ogen van Christus? Wat heeft de ontmoeting met Christus met ons gedaan? Christus is onze losser. Hoe heeft de ontmoeting met Hem ons leven veranderd?

We gaan er vaak van uit dat wij dezelfde blijven. Naomi niet. Wie ben je geworden? Het leven doet wat met je. Ik ben een ander mens geworden. Ze weet: hoe het ook gegaan is, na deze nacht is het nooit meer dezelfde.

Herkennen we dat? Na de ontmoeting met Christus niet meer dezelfde. Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij. Ik ben nu doorgloeid van Hem. Hij bepaalt mijn denken en doen. Na de ontmoeting met hem, nadat ik het met Hem ben gaan wagen, ben ik voorgoed veranderd. Ik ben er nog niet, ik ben nog onderweg, maar de beslissende wissel is omgegaan. Nu zal alles goed komen. Wij leven ook met Christus tussen verloving en huwelijk.

(‘Als de ochtendstond nadert’, uitgave Hervormd Waddinxveen, 2019)