De Russische ziel (column)

De laatste tijd heb ik zes romans van Fjodor Michailovitsj Dostojevski gelezen. Lekker met de deur dicht. Het nieuws kan me gestolen worden; de hele wereld eigenlijk. Moet ik ook nog schrijven over de Nashville-verklaring? Nee toch zeker? Daar zit echt niemand op te wachten. Laat iedereen – homo, hetero of welke letter je uit het LHBTQt/mZ je ook wilt kiezen – Dostojevski lezen. Daar schieten we heel wat meer mee op.

               Als ik Dostojevski goed begrijp, zijn wij allemaal ziek. In zijn romans komt geen normaal mens voor. Het zijn allemaal ploerten, hoertjes, moordenaars, dronkaards, schyzofrenen, idioten, misantropen, zelfmoordenaars en borderliners, die zijn boeken vullen. En heiligen. Maar die heiligen zijn geen andere categorie; de heiligen worden genomen uit deze categorieën, en blijven wat ze waren: hoertje, moordenaar en zo meer. Als je ergens kunt leren wat het evangelie bedoelt met ‘de goede moordenaar’ (die ene die naast Jezus hing, je weet wel) en wat Luther bedoelt met de ‘goddeloze rechtvaardige’, dan is het wel bij Dostojevski.

               Dostojevski leert ons daarom een universeel mededogen. Omdat wij allen ziek en schuldig en reeds geoordeeld zijn, heeft niemand het recht de eerste steen naar de ander te werpen. Aan het slot van ‘De idioot’ zit de hoofdpersoon, vorst Myschkin, naast het lichaam van zijn geliefde Nastasja, die zojuist door haar partner Rogozjin vermoord is. Rogozjin zit er ook, en biecht de moord bij Myschkin op. Maar Myschkin slaat er niet op los. Integendeel, de moordenaar en het slachtoffer vallen naast elkaar in slaap, bijna in elkaars armen. Myschkin moet dat bekopen met krankzinnigheid. Maar, zo lijkt Dostojevski te willen zeggen: dat is altijd nog beter dan de ander veroordelen. Wie de mensen kent, kan alles begrijpen, ook het grootste kwaad.

               En nu het rare (als het raar is!): deze zelfde Dostojevski was een echte Rus. Hij vereerde alles wat Russisch was, de grond, de kerk, de ziel, de sneeuw en ook de modder. Hij verafschuwde daarentegen alles wat westers was en de Russische ziel te gronde dreigde te richten. In ‘Duivels’ laat hij een van de personages zeggen: ‘God is als het ware de synthetische persoonlijkheid van een natie.’ In dit nationalisme had hij het goed met Poetin kunnen vinden en ook met de patriarch van de Russisch-orthodoxe kerk, Kirill, die zich op dit moment boos maakt over de gewenste zelfstandigheid van de Oekraïense kerk.

               Bij Dostojevski zien we dus aan de ene kant een grenzenloos mededogen en aan de andere kant een ophemelen van ‘de Russische volksziel’. Is dat zelftegenstrijdig? Of is dat onze vergissing? Waarom zou het eigenlijk zelftegenstrijdig zijn? Waarom zou een christen niet kunnen leven in een universeel mededogen én tegelijk patriot zijn, zijn geboortegrond kussen, de ziel van zijn volk beminnen? Is het misschien onze kortzichtigheid dat wij de terugkeer van het volksgevoel meteen als onchristelijk wegzetten? Was Dostojevski een heiden?

(De Nieuwe Koers januari 2019)