Oh, oh! (column)

Vanuit mijn studeerkamer, van achter het glas observeer ik onze jongste zoon, die in de tuin scharrelt. ‘Scharrelen’ is inderdaad precies wat de dreumes doet. Hij gaat niet van hier naar daar, doelgericht, zoals homo faber doet, maar hij draait rondjes en laat zich leiden door wat hij ziet. Als Adam wijst hij alles aan en geeft alles wat leeft namen. Vogels heten bijvoorbeeld ‘piepie’, en die volgt hij voortdurend met zijn ogen. Hij huppelt achter een insect aan, voelt aan de blaadjes van de bomen, gaat zitten om een madeliefje van het leven te beroven. Het herinnert me aan het enthousiasme waarmee een van onze andere kinderen een kuikentje, net uit het ei gekropen, in de handen nam en doodkneep. Heerlijk, die gretigheid, die vervoering.

De hummel slaat nu met zijn handjes naar de bellen die zijn broer blaast, daarbij roepend: ‘oh, oh!’ Daar is zijn hart vol van, van die uitroep ‘oh!’ Onlangs gaven wij hem zijn eerste fietsje cadeau, een driewielertje met laadbak. Toen hij die kreeg, riep hij het weer: ‘oh, oh!’ Hij kon er bijna niet mee stoppen. En hetzelfde doet hij elke avond bij het eten. Of het nu Hollandse worteltjes zijn of Marokkaanse couscous, elke keer is hij weer even enthousiast. Alleen mogen wij hem niet voeren. Dan wendt hij boos zijn aangezicht af, keert ons de rug toe, tot wij hem gewoon bord en al geven, en hij met zijn handen mag eten. En dat mag hij, want wij bewonen, zoals algemeen bekend, ‘het huis zonder regels’. Dat zorgt ervoor dat je blijft roepen: ‘oh, oh!’ Sommige mensen stoppen met die klank na hun tweede levensjaar, om hem daarna in de huwelijksnacht nog één keer te herhalen, maar dan is het uit. Zonde, zonde. De essentie van het leven is dit: zorg dat je blijft roepen ‘oh, oh!’ Thierry Baudet is zo’n kind dat wil blijven roepen: ‘oh, oh!’ Dat verlangen roept blijkbaar veel herkenning op.

Van de eerste filosoof, Thales van Milete, wordt verteld dat hij een keer in een put viel, omdat hij naar boven, naar de sterren keek, en ‘oh, oh!’ riep van verbazing. Ja, dat zou mijn zoon ook zomaar kunnen overkomen. Het is lastig zowel te leven met de nuchterheid van de homo faber als met de verwondering van Thales, Immanuel Kant (die in ieder geval nog door twee dingen met ‘bewondering en ontzag’ vervuld werd: de sterrenhemel boven hem en de morele wet in hem), een Adam en Eva, een profeet en een apostel, of een Jezus, dat grote, grote kind. Omdat Jezus een groot kind was, noemen we Hem Gods Zoon. Oh, die vijgenboom, oh, die Judas, oh, dat zonnestraaltje op die stoeptegel, oh, oh, oh!

Ik heb nog maar twee jongens en twee meisjes. Ik denk dat ik maar doorga met het verwekken van kinderen, tot het eerste kleinkind zich aandient. Dan hoef ik die fase van de dreumes nooit te missen. Dan kan ik altijd blijven meedoen: ‘oh, oh!’

(De Nieuwe Koers mei 2019)