“Och, was mijn hoofd maar water en mijn oog een bron van tranen, ik zou dag en nacht wenen” (Jeremia 9:1)

“Ween met de wenenden” (Romeinen 12:15)

Waarom willen wij wel blij zijn met de blijden, maar vinden wij het zo moeilijk om te wenen met de wenenden? Of liever gezegd: wij willen niet eens blij zijn met de blijden. Het lukt ons niet, want dan komt er weer jalouzie en naijver doorheen: wat zij heeft, heb ik niet.

We willen hoogstens lachen met de lachers. “Als je lacht, lacht de wereld met je mee; maar als je huilt, huil je alleen” zegt een spreekwoord. Dat spreekwoord is ongeveer de hardste veroordeling van ons mensen die je je kunt indenken. Wij zijn alleen solidair aan de oppervlakte. In de diepte zijn we allemaal eenzaam.

Het evangelie wil ons dat allemaal afleren. Het leert ons blij te zijn met de blijden, de gezegenden, zonder jalouzie. De ander gunnend wat hij of zij ontvangt, beseffend dat wij niets hebben dat wij niet hebben ontvangen. Dan kom je van de lol in de vreugde, van de pret in de blijdschap, van de oppervlakte in de diepte, van de buitenkant in het hart. Het hart heeft veel vreugde, als het er maar ongegeneerd zou mogen zijn.

Het evangelie gaat nog verder als het van ons eist ook te wenen met de wenenden. Dat stuit ons tegen de borst. Al te vaak laten we de tranen van onszelf niet eens bij onszelf toe. Je verstopt het, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Tot het barst, ineens, en stroomt, en niet meer stopt. Dan pas kan je genezing beginnen.

Maar dan nog de tranen van de ander durven zien en daarin nabij durven zijn. De wenende niet alleen laten met zijn tranen, maar daarin er gewoon zijn, niet angstig en niet oordelend. Dat is wat God kan en ook doet. ‘God zal alle tranen van de ogen afwissen’. Dat betekent: bij elk van ons persoonlijk zal Hij dat doen, niet bij allen tegelijk, als met een grote tovertruc, maar als een pastor die je éérst laat huilen en dán alles wegveegt en zegt: ‘Nu is het weg, nu is het goed. Ga in tot de gezegenden van de Vader.’

Als wij dat niet kunnen leren van het evangelie, om zo de ander in haar of zijn tranen nabij te zijn, wat leren wij dan wel? Wat maakt het dan eigenlijk uit dat er een christelijke gemeente is? Wie schiet daar wat mee op? Niemand, als wij dit niet leren, steeds opnieuw. Zie de tranen van de ander niet als iets waar je met een boog omheen moet lopen, en ook niet als iets waar meteen een zakdoek bij moet, wat opgelost moet worden, maar als iets waardoor jij ook kunt leren huilen. Dat wil Jezus je leren: huilen. Eerst zelf bij God, en dan met de ander.

(Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/18, 7 juni 2019)