Rilke’s ‘Sonnetten aan Orpheus’

Deze bespreking wordt in verkorte vorm in ‘Liter’ gepubliceerd.

Rainer Maria Rilke, De sonnetten aan Orpheus, vertaald en van commentaar voorzien door Wessel ten Boom, Utrecht: uitgeverij IJzer 2019, 266 pag., € 25,- ISBN 9789086841820.

Ten Boom is emeritus predikant van de Protestantse kerk en heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Recent verscheen een bundel artikelen van zijn hand onder de titel ‘Leven in de waagschaal’ (Skandalon 2019). Daarin staan ook boeiende opstellen over literatoren als Vestdijk, Groenewegen en Nijhoff; en drie opstellen over Rilke. Hij is in zijn werk altijd bezig met de confrontatie van de openbaring en de moderne cultuur. Beleerd door Karl Barth blijft hij toch met Miskotte erkennen dat het heidense bloed in ons blijft stromen. Dat blijkt in het bijzonder in dit boek: een vertaling met commentaar van Rilkes ‘Sonnetten aan Orpheus’. Deze gedichten werden in 2016 nog in een nieuwe Nederlandse vertaling (van de hand van Bert Karel Schreurs) uitgebracht, maar toch zag uitgeverij IJzer er brood in om weer met een nieuwe vertaling te komen. Prettig is dat de Duitse en Nederlandse tekst naast elkaar staan afgedrukt, zodat de lezer goed mee kan denken. Ten Boom vertaalt naar mijn idee letterlijk waar het kan, en minder letterlijk waar het niet anders kan, of waar hij een mooie vondst gedaan heeft, zoals bij de frase ‘Ein für alle Male / ists Orpheus, wenn es singt’ (28). Blok en Jellema vertaalden daar “Want ten enenmale / is ’t Orpheus, in elk lied”, maar bij Ten Boom heet het “Want Orpheus’ snaar / is het die trilt in elk gezang” (29). Natuurlijk meestal is de vertaling meer letterlijk. “Aber noch ist uns das Dasein verzaubert; an hundert / Stellen ist es noch Ursprung. Ein Spielen von reinen / Kräften, die keiner berührt, der nicht kniet und bewundert.” Dit wordt bij Ten Boom: “Maar nog is voor ons het bestaan betoverd; op honderd / plaatsen nog oorsprong. Zuivere krachten spelen / een spel, waar niemand aan raakt die niet knielt en bewondert.” (92-93) Overigens vertaalt Ten Boom ‘Dasein’ hier met ‘bestaan’, terwijl hij het elders vertaalt met ‘daar-zijn’ (25), en aan deze zeer letterlijke vertaling ook zijn interpretatie verbindt (142). Als die interpretatie klopt, was concordant vertalen met ‘daar-zijn’ meer op zijn plaats geweest.

Deze uitgave heeft door het uitvoerige commentaar hoe dan ook veel toegevoegde waarde bij de Rilke-literatuur die al bestaat. Ten Boom becommentarieert elk van de 55 gedichten afzonderlijk en plaatst ze daarbij niet alleen in hun tijd en in de context van geheel Rilkes oeuvre, maar ook brengt hij Rilke in gesprek met filosofen en theologen.

De sonnetten aan Orpheus werden door de ‘late’ Rilke, in 1922, ‘aus einem Guss’ geschreven. Jaren van stilte gingen eraan vooraf. Toen hij weer schrijven kon, ervoer Rilke dat als een openbaring. Hij had een nieuwe toegang tot de werkelijkheid gevonden. Niet meer neoromantisch, niet meer christelijk en ook niet modern in de zin van Verlicht, overtuigd van de menselijke redelijke kracht. Maar vooral zoiets als ‘heidens’. Dat zit niet alleen in de vorm van deze sonnetten, die we blijkbaar moeten begrijpen als lof aan de Griekse god Orpheus, de kunstenaar die al musicerend zijn Euridice uit de onderwereld trachtte te halen – zonder succes. Leven, liefde, dood, offer en kunst zijn zijn thema’s. Rilke vertelt de mythe (die trouwens in verschillende varianten is overgeleverd, 151-154) niet na, maar refereert wel geregeld aan onderdelen ervan. Vooral verstaat hij Orpheus als goddelijke kracht die na en door zijn dood de hele werkelijkheid bezielt (28 e.a.). De mens die zich daarvoor open stelt, ervaart dit goddelijke, inspirerende in de wereld om hem heen. Goed heidens worden daarbij de grenzen tussen dier, mens en god vaag – zodat er niet meer sprake kan zijn van een nieuw horen naar een Stem buiten ons. Dit lijkt in het eerste gedicht wel zo te zijn, en Ten Boom ziet dan een parallel met Israëls geloof (20-21, 133vv); maar al snel blijkt de Stem tegelijk ons eigen innerlijk te zijn (133 e.a.). En de ene God vervalt weer in vele ‘Götter’ (32, 66 , 90, 120) met daar bovenop de schikgodinnen en het noodlot. Dit is een element dat tegenwoordig weer populair is, maar waar Ten Boom helaas niet afzonderlijk op ingaat: wat kunnen wij met de bejubelde terugkeer van het polytheïsme? Ik heb de indruk dat Ten Boom Rilke op dat punt nog sterk vanuit een christelijk, monotheïstisch kader leest.

Ten Boom vraagt dus niet alleen naar het hoe en waarom van deze poëzie, maar gaat ook met de auteur in gesprek over het wát. Deze typische ‘denkgedichten’ vragen daar ook om. Ten Boom ziet het (zowel Grieks- als Germaans-) heidense van Rilke (235 e.a.) en werkt dit vooral uit in een vergelijking tussen hem en Martin Heidegger (145-146, 148-150 e.a.), die openlijk de lof van de latere Rilke zong en in hem een zanger van het Zijn zag. Maar volgens Ten Boom is er bij Rilke meer aan de hand. Niet alleen had Rilke in tegenstelling tot Heidegger wél waardering voor het jodendom (al geeft hij er wel een typisch heidense interpretatie aan: het jodendom als een soort bloedverwantschap met Adonai, 182), maar hij is ook minder nostalgisch en zwaarmoedig. Er is meer geloof in het níeuwe, andere, dat niet persé samenvalt met het aloude. Ten Boom ziet ook verwantschap van Rilke met de vroege Karl Barth, die in zijn commentaar op de Romeinenbrief uit dezelfde periode (1919/1922) het ook verwachtte van een radicaal nieuwe, ‘ganz Andere’ God (144 e.a.). Hij maakt goed duidelijk dat zij in het afscheid van het traditionele christendom één zijn, maar kan niet verhullen dat zij in hun antwoord op de crisis heel verschillende wegen gaan. Het specifieke van de bijbelse God schittert bij Rilke door afwezigheid. Het gaat bij hem wel om het beleven van het goddelijke, maar niet om een persoonlijke verhouding tot een persoonlijke God, waarin dan ook schuld en verzoening een rol spelen. Dit ervaren van het goddelijke wordt dan ook door Rilke heel consequent uitgespeeld tegen geloven (brief uit 1921, geciteerd p. 181). Geen geloof in God, zijn Woord, zijn daden, máár ervaring van het goddelijke, binnen de grenzen van dit aardse bestaan. Daarmee is Rilke een vertolker van een tegenwoordig sterk aanwezig levensgevoel. Hij blijft, in de woorden van Miskotte de ‘lyricus die, mede door zijn denkkracht, ten volle vertolkt wat ons beweegt’ (159). Het is de verdienste van Ten Boom dat hij middels Rilke dit gesprek over heidendom en christendom voert – zonder daarbij Rilke de les te lezen. We krijgen het allemaal te lezen en zien zo het grote alternatief voor ons. Dat spreekt misschien het meest aan het slot, wanneer het steeds meer gaat over de dood. Bij Rilke oftewel bij Orpheus gaat het wel om nieuw leven, maar dan om cyclisch nieuw leven, zoals het in de natuur steeds weer lente wordt. Om opstanding uit de doden kan het niet gaan. Daarin is Rilke ons moderne mensen nabij, en daarin laat hij als in een negatief de uniciteit en de provocatie van het christelijk geloof zien. Wie weet dat deze bladzijden geschreven werden door een denker die zelf ernstig ziek is, krijgt de urgentie van dit alternatief nog meer voor ogen. Een uitgave die zowel voor liefhebbers van de (Duitse) literatuur als voor filosofen en theologen fascinerende en belangwekkende lectuur is.