Christen zijn en het streven naar geluk

DOMWEG GELUKKIG. CHRISTEN ZIJN EN HET STREVEN NAAR GELUK

Navigators Leiden, 30 januari 2020 (lange versie)

Willem Maarten Dekker

 

BESTE STUDENTEN

Wat leuk dat ik vanavond voor jullie mag spreken. Toen ik gevraagd werd om iets te zeggen over “christen zijn en het streven naar geluk” dacht ik: ja, ik snap wel dat dat voor jullie een belangrijk thema is. Jullie studeren in een tijd en een cultuur waar de individuele jacht op het individuele gekuk sterker is dan ooit. Bovendien zitten jullie in de levensfase waarin dat het sterkst op je af komt. Je grote keuzes heb je nog niet gemaakt, veel ligt nog open, maar de tijd begint wel te dringen, dat je die keuzes gaat maken. En die keuzes zullen veel invloed hebben op hoe de rest van je leven eruit zal zien. Het kan dan best beklemmend zijn, dat je overal, en vooral van je eigen keuzes, gelukkig van lijkt te moeten worden. Je ziet om je heen natuurlijk ook mensen die daar in “falen”, die de verkeerde keuzes maken of de stress van het kiezen en de jacht op het geluk niet aankunnen.

Hoe zit dat nou? Moeten we als christen streven naar geluk? En wat is geluk dan eigenlijk? En wat heeft de Bijbel ons hierover te leren?

BRUCKNER EN DE WACHTER

“Gij zult gelukkig zijn!” Zo heet een boek van de Franse filosoof Pascal Bruckner. Hij ziet dat als het elfde of liever als het enige gebod van onze westerse cultuur. Onze cultuur heeft nauwelijks nog morele geboden (wel veel juridische wetten…), maar dit éne is alomtegenwoordig: zorg dat je gelukkig wordt! De focus op gelukkig worden en gelukkig zijn heeft volgens hem haast religieuze trekjes gekregen. Het is een soort cultus, met volgens hem de nodige nadelen. Want waar een gebod is, daar is ook gebodsovertreding, falen. Zo voelt in de westerse cultuur iedereen schaamte en zelfs schuld, als hij of zij niet gelukkig is. En zo creëren wij met ons geluksgebod juist ongeluk. Om echt vrij te zijn moeten we dus zeggen: er bestaat ook een recht om ongelukkig te zijn.

Vergelijkbare geluiden kun je tegenwoordig horen van de alomtegenwoordige psychiater Dirk de Wachter: je hebt ook het recht om ongelukkig te zijn. Dat ontspant, stelt hij. We kunnen alleen gelukkig worden als we het streven naar geluk loslaten.

ONDERZOEK

Pascal Bruckner en Dirk de Wachter gaan ondertussen in tegen een cultuur die toch nog heel dominant is. De laatste tijd is geluk iets geworden dat we niet alleen individueel nastreven, maar dat zelfs gemeten wordt, zodat er beleid op gemaakt kan worden. Nieuw onderzoek van het CBS toont aan dat 90 % van de Nederlanders zich gelukkig voelt. Waarbij anderen zich dan weer afvragen hoe het kan dat het Malieveld steeds vol demonstranten staat, en hoe het kan dat half Nederland antidepressiva slikt… Onderzoek naar geluk is niet zo makkelijk, want wat is eigenlijk geluk en hoe kun je dat meten?

Maar volgens het recent verschenen ‘World Happiness Report 2017’ staat ons land op de zesde plaats van gelukkigste landen van de wereld. Leuk, maar zesde, dat betekent ook: het kán dus nog gelukkiger. We zijn nog steeds een beetje ongelukkig, want we staan niet op nummer 1. En nummer 1 is ook een beetje ongelukkig, want die vraagt zich af of hij volgend jaar nog wel op nummer 1, en wat hij moet doen om nr 1 te blijven. En dus zijn landen nu bezig om “ministers voor geluk” te creëren. Ik begreep dat er in de Verenigde Arabische Emiraten al een minister van happiness bestaat. En ook in Nederland leest de overheid zo’n rapport over geluk uiterst serieus, en stemt er haar beleid op af. Want we moeten en zullen gelukkig zijn.

EEN MENSENRECHT

En is dat, ondanks Bruckner en De Wachter, niet ook heel logisch? Zit het niet in ons ingebakken, om te streven naar geluk? “The pursuit of happiness” is toch iets algemeen menselijks? Het staat zelfs als een récht in de Amerikaanse grondwet. In de Declaration of Independance van Thomas Jefferson staat wordt dat bovendien uitdrukkelijk verbonden met God. God heeft de mens bepaalde onvervreemdbare rechten verleend, en één daarvan is: “the pursuit of happiness”!

Jefferson zou het antwoord op de vraag van vanavond dus helemaal niet moeilijk vinden. Natuurlijk gaan christen zijn en streven naar geluk perfect samen, want God heeft dat streven naar geluk zelf in ons ingeschapen! En daarom is het ons individuele récht! Maar dat betekent dan in Amerika ook al gauw: niemand heeft het recht ons dat recht te ontzeggen, of dat recht in te perken. Je kunt je van hier uit wel voorstellen dat het Amerikaanse christendom zich helemaal heeft kunnen verzusteren met kapitalisme en individueel liberalisme. En: Trump en de zijnen – zijn die dan niet de wrange vrucht van dit christendom? Zien we nu, met de uitbuiting van het milieu, met de kloof tussen arm en rijk, niet waar dit Amerikaanse christendom op uit loopt? Je gaat de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant dan wel begrijpen, die zei: een mens moet niet leven vanuit zijn streven, zijn verlangen, maar vanuit plícht – en dus vanuit het gebod! Het individuele streven naar geluk kan alleen maar leiden tot egoïsme en werken met de ellebogen. Heeft hij niet een punt?

MEER DAN GELD EN BEZIT

Nou, Kant heeft in ieder geval een punt als je met “streven naar geluk” bedoelt: streven naar geld of bezit. Als je dat bedoelt, als je met geluk eigenlijk geld en bezit bedoelt, ja, dan zijn we snel klaar. Niet alleen vanwege Kant, maar ook vanuit het Nieuwe Testament. In het Oude Testament worden rijkdom en bezit nog wel eens als zegen van God beschouwd, maar in het Nieuwe Testament niet. Jezus en de apostelen zijn ongemeen snel klaar met zulk streven. Dat wordt zonder meer als zonde beschouwd, hoe vervelend dat voor ons westerlingen ook is.

We hebben dus in ieder geval een bredere definitie van geluk nodig dan het hebben van een hoeveelheid geld en bezittingen. Laten we beginnen met een algemene definitie die wel houdbaar is: “je bent gelukkig als je een leven leidt waarin je verlangens bevredigd zijn”. Die definitie roept echter nog wel een paar vragen op, die ik nog wil behandelen.

WAT VERLANGEN WIJ?

Als geluk te maken heeft met de bevrediging van verlangens, dan kun je dus pas iets over geluk zeggen als je eerst weet wat eigenlijk onze wensen en verlangens zijn. Als die voor iedereen verschillend zijn, dan kun je niks over geluk zeggen. Maar ik denk dat onze verlangens uiteindelijk grotendeels overeenstemmen, omdat we nu eenmaal allemaal mensen zijn. Laten we simpel beginnen. We hebben in ieder geval allemaal behoefte aan eten, kleding en een dak boven ons hoofd. Volgens Bertold Brecht is het zelfs zo, dat we ons daarna pas op andere zaken kunnen richten. Hij zegt: “Zuerst das Fressen, dann die Moral.”

Nou weet ik niet of dat laatste helemaal klopt. Naar mijn idee spreekt het evangelie dit tegen, want in het evangelie zie je dat mensen zelfs méér naar het Woord van Jezus verlangen dan naar deze primaire levensbehoeften. Op een gegeven moment heeft de schare al dríe dagen niet gegeten, omdat ze zo aan Jezus’ lippen hangen (Markus 8:2). Ze vergeten gewoon hun hongergevoel. Hetzelfde, tenminste een beetje hetzelfde kon mij gebeuren toen ik student was. Als ik hard studeerde voor een tentamen, en ik vond het nog leuk ook, dan kon ik die dag met één maaltijd toe in plaats van drie. En toen ik totaal verliefd was, vergat ik de tijd helemaal. Dus ik geef Brecht niet zomaar gelijk. Misschien zijn onze “primaire behoeften” wel heel andere behoeften dan die aan eten, kleding en onderdak.

Maar zelfs áls Brecht gelijk heeft, dan nog verlangen wij mensen méér dan geld en goed. En dat meerdere is ook het diepere. Eten, drinken en onderdak, en ook geld en bezit zijn hóóguit voorwaarden voor geluk, en niet het geluk zelf. Waarom niet? Omdat ze niet direct met ons als unieke persoon te maken hebben. Op het niveau van eten, drinken, slapen, seks hebben en dergelijke onderscheiden wij ons nog niet van de dieren. En daarom kunnen wij er als ménsen geen echt geluk in vinden. Geluk heeft altijd te maken met wie jíj als unieke persóón bent. Het echte geluk is nooit extrinsiek (iets dat niet echt in verband staat met jou als persoon), maar intrinsiek: geluk dat gegeven is met wie je bent en wat je doet.

Dus als je toevallig tandarts wilt worden, dan zul je als christen een betere reden moeten hebben dan dat je er goed mee verdient. Je zult op zijn minst echt van het vak moeten houden. Dat lijkt mij totaal onmogelijk… – maar ik heb nu een tandarts die zichtbaar heel veel van zijn vak houdt, die altijd met de nieuwste technieken bezig is en die nog steeds van het vullen van elk gaatje volgens mij een enorm geluksgevoel krijgt. Dus misschien kan het. Maar dan is die tandarts dus niet gelukkig door zijn salaris, maar doordat hij, hoe vreemd dat mij ook in de oren klinkt, veel van zijn werk houdt, doordat het werk is dat echt bij hem past, dat hij dus ook als zijn persoonlijke roeping kan zien. (Niet alleen dominees zijn geroepen. De woorden ‘roeping’ en ‘beroep’ stammen beide van het werkwoord ‘roepen’. Elk beroep is bedoeld als: antwoord op een geroepen worden, antwoord op een roeping. Alleen dan kun je er geluk in vinden. Alleen dan kun je het zien als uitdrukking van Gods wil over je leven.)

JIJ BENT MIJN GELUK

Gelukkig ben je dus als je bent wie bent. Als je niet een ander hoeft te zijn dan die je bent. Als je dus een studie doet die echt bij jou past; als je werk hebt dat echt bij jou past. Dan kun je daarin voldoening vinden en dat is geluk.

Een tweede verlangen dat mij universeel menselijk lijkt, is het verlangen naar vriendschap en liefde, zodat je déélt in het geluk. Het hebben van spullen wordt al heel sneu, als je niemand hebt om het mee te delen. Altijd uit eten in een Michelin-sterren-restaurant is uiterst zielig, als je daar altijd in je eentje zit. Maar samen eten, daar word je altijd gelukkig van, al is het een eenvoudige maaltijd. In geluk moet je delen en laten delen, dan kun je het pas echt als geluk ervaren. Dat geldt zelfs voor studie en werk denk ik. In jullie studie heb je hopelijk ook af en toe Entdeckerfreude, zoals ik dat vaak had toen ik theologie studeerde. Maar dan moet je ook een ander hebben die diezelfde fascinatie deelt, en daardoor kan delen in die Entdeckerfreude. Je kunt eigenlijk niet in je eentje blij zijn met iets.

Daarom kunnen we in onze taal ook het woord geluk voor een persoon gebruiken. Het is goed Nederlands om te zeggen: “Jij bent mijn geluk.” Persoonlijke relaties maken gelukkig. De liefde maakt gelukkig. Ik bedoel dat niet zoet en zwoel persé, al is er ook niks mis met zoet en zwoel, maar ik bedoel het ook nuchter. De Bijbel is uitermate nuchter als het om de liefde gaat, zoals die van Adam en Eva in het paradijs. Adam alleen is niet gelukkig, ook al is hij in “het paradijs” met al dat moois om zich heen, en waar geen zonde is. Toch is hij midden in dat paradijs die ongelukkig, totdat hij iemand anders heeft zoals hij, Eva, die er is als hulp, en hij als haar hulp. (Er is dus minstens één kwaad dat dieper gaat dan de zonde, dat als het ware als mogelijkheid in de schepping zelf steekt: het alleen zijn.) Hij is van haar afhankelijk, en zij van hem. En dat is niet iets dat zij moeten overwinnen, nee, in die wederzijdse afhankelijkheid zijn zij gelukkig. Dat lijkt mij een grondfout in het westerse liberalisme, met zijn individuele streven naar geluk. Het suggereert dat mensen als individu gelukkig kunnen zijn. Maar dat kunnen we nooit. We kunnen alleen samen gelukkig zijn, in afhankelijkheid van elkaar.

We kunnen het meest gelukkig zijn in de relatie met die ene voor wie wij bestaan, en die voor ons bestaat. Die ene van wie je zegt: “jij bent mijn geluk” – en die tegen jou hetzelfde zegt. Maar vinden we die ene ook? Soms niet, soms even, soms voor het leven. Dat is de realiteit. Maar ook dit geluk is altijd: kwalitatief eindig. Zelfs als je die ander vindt voor altijd, dan nog zul je kwalitatief nooit volledig gelukkig worden in die relatie. Zelfs in de meest gelukkige relatie zul je niet altijd gelukkig en niet volmaakt gelukkig zijn. Hoe komt dat?

We kunnen nu naar de zonde stappen, als de grote boosdoener. Dat wil ik ook niet tegenspreken. De zonde bederft alles, niet alleen als daad, maar vooral als houding, als richting: als op-jezelf-gericht-zijn. In de liefde ga je streven naar het geluk van de ánder, meer nog dan naar het geluk van jezélf. En zonde is, dat wij dat niet kunnen, dat wij altijd meer gericht zijn op het geluk van onszelf dan op dat van de ander. En dat we juist daardoor steeds weer ongelukkig worden.

Met andere woorden: uiteíndelijk is het geluk hier op aarde niet te vinden. Dat heeft het christelijk geloof altijd verkondigd, of misschien moeten we zeggen: verondersteld. Wie zegt dat het ware geluk wél in het ondermaanse te vinden is, die kan eigenlijk niet religieus zijn. Religie heeft altijd te maken met het besef van de noodzaak van een ándere wereld, waar wij pas voluit tot ons doel komen.

Maar nu denk ik niet dat dat alleen met zonde te maken heeft. Het zit ook in de structuur van het streven zelf. Ik denk aan wat de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer in “Die Welt als Wille und Vorstellung” schrijft over het geluk. (Prachtig! Lezen!) Hij begint (net zoals ik gedaan heb) met de constatering dat geluk altijd te maken heeft wensen en verlangens. Deze wensen drukken een gemis uit. Geluk is dus altijd de opheffing van een gemis. En, gaat Schopenhauer, alleen zo heeft het geluk ook betekenis. Wij kunnen geluk alleen ervaren in contrast met gemis, ongeluk. Wij kunnen gemis en ellende direct ervaren, maar het geluk alleen indirect, via de herinnering aan het aan het geluk voorafgaande lijden. Daarom, zo Schopenhauer, roept elk nieuw geluk weer een nieuw gemis op. Want de stilstand in het geluk is het diepste ongeluk.

We zien dat inderdaad in de kunst, de vertellende kunst zoals de roman en de film. Als Odysseus eindelijk aangekomen is, is Homerus klaar, want dan valt er niks anders meer te vertellen dan verveling. Je kunt van het geluk geen kunst maken, omdat het niet zelfstandig bestaat. Elke romantische film eíndigt met de bruiloft, want “het bezit van de zaak is het eind van het vermaak”. Daarom zien we dat rijken nooit tevreden zijn met hun rijkdom, hoe enorm ook, maar altijd méér willen hebben. En daarom zijn we ook nooit volmaakt gelukkig in een liedesrelatie, omdat we altijd streven naar méér en alleen zo gelukkig kunnen zijn – en tégelijk zo gedoemd zijn tot ongeluk.

Ik denk dat dit de reden is dat veel mensen de eeuwigheid ook helemaal niet aantrekkelijk vinden. Zij krijgen er op zijn best slaperige neigingen van, maar eerder nog geeft het idee aan eeuwigheid hen de smaak van verveling. Geluk als toestand, als duur, kunnen wij ons niet voorstellen, omdat zij niet overeenstemt met de aard van ons aardse, relatieve geluk, dat altijd het contrast van en de overwinning op het gemis is, en nieuw gemis creëert. Wij moderne mensen hebben dus ook het verlangen naar de hemel grotendeels verloren, omdat wij ons die niet meer als plaats van echt geluk denken kunnen. (Om deze reden zegt de Hervormde theoloog Hendrikus Berkhof dat er ook in de eeuwigheid een vorm van geschiedenis moet zijn.) Dat was voor de middeleeuwen anders. De kerk omschreef het eeuwige geluk als “het zien van God”. Het eeuwige leven, het definitieve geluk, is dat wij God zullen zien, van aangezicht tot aangezicht.

Om wat losser te komen van ons streven naar aards geluk – we moeten er niet los van komen, maar het wel relativeren – moeten we ons bij deze heerlijkheid in ieder geval weer iets kunnen voorstellen. En kunnen we dat echt niet? Ik denk dan niet aan Berkhofs suggestie, dat er ook in de eeuwigheid geschiedenis is, omdat we dan ook de problemen die kleven aan geschiedenis (tekort, gemis, wording, vergaan) meenemen de eeuwigheid in. Ik denk aan de ervaring van “verdrinken” in de ogen van je geliefde. In die ervaring vallen tijd en ruimte eventjes weg – ik ga ervan uit dat ieder die hartstochtelijk verliefd is of dat is geweest, dat herkent. Bovendien is deze gelukservaring hoogst persoonlijk. Om deze twee redenen is deze aardse gelukservaring mijns inziens de beste analogie van het geluk van het eeuwige leven. In zoverre zouden ook niet-gelovigen moeten kunnen begrijpen met wat christenen bedoelen als zij van God zeggen: “Hij is mijn geluk.” Zoals het bijvoorbeeld staat in Psalm 16: “Ik zeg tot de HEER: “U bent mijn Heer, mijn geluk, niemand gaat u te boven.” (Psalm 16:2, NBV) Op dat moment “verdrinkt” de dichter in Gods ogen.

NIEUWE CATECHISMUS

Als je dít bedoelt met geluk: intrinsiek geluk, dat je ervaart in studie of werk dat bij je past en in vriendschap en liefde waarin je jezelf bent, en dat op aarde altijd onvolmaakt geluk zal blijven – dán lijkt streven naar zulk geluk mij helemaal verenigbaar met christelijk geloof. Want zo heeft God het aardse leven inderdaad bedoeld. Het feit dat wij op aarde altijd slechts ten dele gelukkig zijn, kan niet betekenen dat wij niet naar dit “ten dele” mogen streven. En hoe legitiem Schopenhauers sombere excursen over de onmogelijkheid van geluk ook zijn – dat betoog mag er niet toe leiden dat we denken dat het niets uitmaakt, alsof ieder op aarde even ongelukkig is. En wij moeten ook niet als christenen te gemakzuchtig alle geluk naar een hiernamaals verplaatsen. Juist in onze tijd zullen we ook moeten uitleggen dat geloven je ook hier op aarde “gelukkig” maakt.

Daarom snap ik ook best dat er christenen zijn die proberen het woord “geluk” een centrale plek te geven in het christelijk geloof. Je ziet dat sowieso al aan de verschillende Bijbelvertalingen. In de Herziene Statenvertaling komt het woord “geluk” of “gelukkig” maar 15 keer voor, maar in de Nieuwe Bijbelvertaling: 145 keer, en in de Bijbel in Gewone Taal: 244 keer. (Dus als je gelukkig wilt worden, weet je nu welke Bijbelvertaling je moet kiezen!) We zien een opkomst van het woord geluk dus, en dat heeft uiteraard iets met onze samenleving te maken, waarin het streven naar geluk zo belangrijk is geworden. Tegelijk is die opkomst van het woord “geluk” dus ook riskant, omdat het een woord is, waar mensen makkelijk verschillende betekenissen aan geven. In de NBV staat nu ook bij de “zaligsprekingen”: “gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig de treurenden, gelukkig de zachtmoedigen, enz.” (Mattheüs 5:1-12) De “zaligsprekingen” zijn dus “gelukkig-sprekingen” geworden. En daarmee is het onderscheid tussen het geluk dat het evangelie bedoelt, en het geluk dat wij van nature zo noemen, verdwenen. Dat is zowel winst als verlies.

Ik denk in dit verband ook aan de vorig jaar verschenen “Gewone Catechismus”. Het woord catechismus ken je misschien van de Heidelbergse catechismus, het leerboekje uit de tijd van de Reformatie dat in sommige kerken nog steeds wordt gebruikt. In 129 vragen en antwoorden wordt daar het christelijk geloof behandelt. De nieuwe catechismus, “gewone catechismus” genaamd, doet het in 100 vragen en antwoorden.

En deze catechismus kiest als kernwoord “geluk”. De eerste vraag luidt: “Waarin vind jij je geluk?” De tweede vraag: “Ga jij niet zelf over je geluk?” Vraag 3: “Zoekt ieder mens dan niet zelf het geluk?” Vraag 12: “Hoe word je als gedoopte een gelukkig mens?” Vraag 50: “Hoe maakt Jezus Christus jou gelukkig?” Vraag 65: “Hoe kunnen Gods geboden je gelukkig maken?” Vraag 83: “Hoe maakt de Geest je gelukkig?” Met andere woorden: het grondidee van deze catechismus is dat het geloof je écht gelukkig maakt.

Wat zullen we daarvan zeggen? Wel, één ding vind ik er in ieder geval goed aan, en dat is dat in het antwoord op de eerste vraag een belangrijke omkering plaatsvindt. De eerste vraag luidt zoals gezegd: “Waarin vind jij je geluk?” En het antwoord luidt dan: “Mijn geluk is dat Jezus Christus mij gevonden heeft.” Daarin vindt een uiterst belangrijke subjectwisseling plaats. Mijn geluk is niet dat ik dit of dat gedaan heb of bereikt heb. Mijn geluk is dat Híj. Mijn geluk is dus ook niet dat ík zo goed ben om te geloven, maar dat God het geloof in mij wekt.

Dat is een heel belangrijke subjectwisseling omdat dit het geluk in zekere zin buiten onze verantwoordelijkheid plaatst. Ik kan mijn eigen geluk niet maken en daarom ben ik ook niet schuldig aan mijn eigen ongeluk. Want de kritiek van Bruckner op het geluksstreven in onze cultuur lijkt mij op dit punt geheel terecht. Als wij verantwoordelijk worden voor ons eigen geluk, dan zorgen we uiteindelijk alleen maar voor de toename van schaamte en schuld, en daarmee creëren we juist ongeluk.

Maar misschien nog belangrijker: die subjectwisseling is ook helemaal in overeenstemming met onze algemene menselijke ervaring, ook op andere terreinen dan die van het geloof. In de term “streven naar geluk” wordt gesuggereerd dat geluk maakbaar is. Wij kunnen alleen naar iets streven, als het ook binnen ons bereik ligt. In die zin kunnen we alleen streven naar geluk, als het geluk maakbaar is. Maar stemt dat wel overeen met onze ervaring? Is geluk niet veel meer iets dat over je komt, dan iets dat je kunt organiseren? Zit er niet iets ongrijpbaars in geluk, iets dat zich aan onze greep onttrekt? Ik denk dat veel mensen dat zullen beamen: geluk maak je niet, geluk overkomt je. En daarom is het juist zo mooi. Het kan je zomaar overkomen, ook in omstandigheden waarin je het niet verwacht.

Als student hield ik veel van de poëzie van J.C. Bloem. Net als Schopenhauer is Bloem niet bepaald een grote optimist. Toch heeft hij ook mooie dingen over gelukservaringen geschreven. Dat gaat vaak samen: de meest sombere schrijvers zijn de enige die echt weten wat geluk is. Dat is in de Bijbel al zo: de mooiste teksten over geluk vind je in het filosofische, sombere boek van de Prediker. Dat is ook nu nog zo.

Het beroemdste gedicht van Bloem kent iedereen, “De Dapperstraat”:

“Natuur is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant,

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

 

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,

D’ in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

 

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,

Verregend, op een miezerigen morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.”

 

Volgens Bloem toont het leven zijn wonderen opeens, onverwacht. En als dát gebeurt, dan ben plotseling “domweg gelukkig”. Dat kan overal, zelfs verregend, en op een miezerige morgen, in een onooglijke straat van de stad. Dit gedicht is een prachtige uitdrukking van de ervaring dat geluk je overkómt.

 

Dat zit ook in een andere betekenis van het woord “geluk”, die Van Dale geeft. We kunnen ook zeggen: “Hij of zij had geluk.” En dan bedoelen we: hij had mazzel. Geluk is dan voorspoed die je zónder eigen toedoen overkomt. Hij had het niet verdiend of bewerkt, maar alles zat mee.

Die kant zit ook aan alle echte geluk. Het is niet altijd zo dat de beste de hoogste positie krijgt, aan de universiteit, in het bedrijfsleven, in de politiek of waar dan ook. Het is vaak zo dat je net op het juiste moment op de juiste plek bent, dat er net op dat moment iemand is die je verder helpt. We zeggen dan ook wel: “stom geluk”. Dat doet denken aan Fortuna, de Romeinse godin die werd vereerd en wier naam “geluk” betekent. Zij wordt voorgesteld met een blinddoek, dat wil zeggen, zij deelt het geluk “random” uit. De een heeft pech, de ander geluk.

BEREIKEN WIJ HET GELUK IN DIT ONDERMAANSE?

We zagen (met Schopenhauer) al dat je geluk nooit kunt vasthouden, omdat het bezit ervan verveling en dus niet gemis oproept. Maar hetzelfde geldt ook omdat geluk niet in je eigen hand ligt. Dat geldt al van die topsporter, of topwetenschapper, of top-wat-dan-ook, wiens positie zomaar voorbij kan zijn. Maar het geldt voor alle geluk. Daarom zegt Schopenhauer ook terecht, dat de gelukservaring altijd iets is van ogenblikken, van momenten.

Aan dit niet-maakbare en niet-duurzame van het geluk zit een bittere kant aan, omdat het niet altijd rechtvaardig is of rechtvaardig voelt en omdat het verlies van geluk ook altijd met verdriet gepaard gaat. Maar er zit ook een mooie kant aan, namelijk dat het overeenstemt met de ervaring dat je je geluk niet aan jezelf te danken hebt. Zo is het in de liefde. Echte liefde is altijd veel meer iets dat je overkomt, dan iets dat je maakt.

En zo is het dan ook in het geloof. Je krijgt het geluk van God, op momenten, in flitsen. Niet alleen het leven, maar ook God toont zijn wonderen opeens, onverwacht, als geschenk. Ook het geloof is primair iets dat je overkomt. Het grootste is niet dat wij God vinden, maar dat God ons gevonden heeft en nog steeds vindt. Daar ligt de basis van een gelukkig leven.

GELUK EN TROOST

En tóch, aan het einde, nog één vraag. Of misschien moet ik zeggen: nóg een vraag. En die komt bij mij op als ik die eerste vraag van de Gewone Catechismus van 2019 vergelijk met de eerste vraag van de Heidelberger catechismus. Daar luidt de eerste vraag niet: “Waarin vind jij je geluk?”, maar: “Wat is je enige troost in leven en in sterven?” We moeten daar het woord “troost” niet verkeerd begrijpen. Het heeft niet zozeer te maken met verdriet of emotionaliteit. Het betekent zoiets als “houvast”. Volgens de Heidelberger hebben wij niet allereerst geluk nodig, maar houvast, en wel in leven en sterven. Je hoort daar als het goed is de pest en de brandstapels op de achtergrond, want in die tijd werd het boekje geschreven. In de tijd van een voortdurend dreigende dood.

Onze tijd is anders. Geen pest en brandstapels, maar welvaart, overal om ons heen. Het is logisch dat in zo’n samenleving de vraag naar geluk sterker is dan die naar houvast. Toch is het voor mij de vraag of de vraag naar existentieel houvast niet nog dieper bij onze menselijke natuur aansluit dan de vraag geluk. Meer nog dan gelukszoekers zijn wij denk ik troostzoekers. Dat komt omdat wij als gelukszoekers de ervaring hebben, ons in het geluk zo vaak te vergissen. Dan worden we alleen maar moe van dat streven naar geluk, zonder het definitief te vinden. Dan wordt het zoeken naar geluk een wet, zoals Bruckner zegt. En van elke wet, ook die wet, geldt wat Paulus ervan zegt: “de wet doodt”.

Christus is het einde van de wet. Ook het einde van het streven naar geluk als wet. Als je Christus vindt, wordt je bevrijd van elke wet. En dán, dan krijg je het geluk tóch nog, onverwachts, als geschenk.

Zo lees ik ook wat Jezus zegt in Mattheüs 6: “Zoek eerst het koninkrijk van God, en al het andere zal je erbij gegeven worden.” Het geluk, het áárdse geluk, hoort ook bij “al het andere”. Het is niet het enige geluk, het is het geluk dat altijd gepaard gaat met tekort, maar het is er wel. Want niet alleen de Verlosser maakt gelukkig, ook de Schepper doet dat al.

Dus: zoek God, en dan krijg je het aardse en dus onvolmaakte, maar toch echte geluk erbij. Als een toegift die God je gunt. Dan is dat aardse geluk ook iets waar je ongegeneerd, zonder schuld en schaamte en dankbaar van kunt en mag genieten. Want het blijft natuurlijk wel gewoon waar wat Hieronymus van Alphen zegt in een van zijn kindergedichtjes:

“Ik ben een kind / van God bemind / en tot geluk geschapen”