Preek op de eerste zondag van de Corona-tijd

15 maart 2020, Rotterdam.

Schriftlezingen: Job 28 en 1 Korinthe 1:18-24

Tekst: Job 28:12, 20: “Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden? En waar is de plaats van het inzicht?”

Gemeente van Christus,

I.

Deze week was ik op een conferentie en daar sprak ik een predikant die vier dorpjes, vier gemeenten en vier kerkgebouwen onder zijn hoede had. In elk van die kerken zat op zondag nooit meer dan tien mensen, vertelde hij. Dus wij hebben het quotum al gehaald. Zelfs op deze hele rare zondagmiddag. In Duitsland is de kerk nog zo rijk, dat zulke gemeenten kunnen bestaan. Of dat goed is, is de vraag, maar het kan ons ook wel te denken geven: dat je altijd kunt doorgaan met de lofzang. Daarom is de beslissing van de kerkenraad om deze dienst te laten doorgaan ook de enige juiste beslissing. Juist in een crisis moet de kerk open zijn en moeten de gebeden doorgaan in het huis van God. Als ik chargeer, dan zeg ik: in een tijd waarin het goed gaat, mag de kerk wel eens een zondag dicht, maar juist in een tijd van crisis niet. Daarom hoop ik dat de kerken op een of andere manier de komende tijd open blijven.

II.

Maar hoe gaan we dat doen? Want ook al zijn we niet besmet met het Corona-virus, dan zijn we wel besmet met het ik-ben-bang-voor-Corona-virus. Afgelopen woensdag, op de biddag, hadden wij in Waddinxveen nog een volle kerk. En 24 uur later stond iedereen zich te verdringen in de supermarkt om zoveel mogelijk wc-papier binnen te slepen. Rare tijden. En in die tijden lezen wij: Job. Als je zo rondkijkt op de sociale media, zie je dat allerlei mensen in deze tijd grijpen naar het boek Job. Naar de man die alles had, en alles verloor. Of dat terecht is, dat grijpen naar Job nu, dat zal ik nu terzijde laten, maar Job 28: ja, dat lijkt me in ieder geval een goede vindplaats vandaag. De wijsheid, wie zal haar vinden?

III.

Wijsheid betekent in de bijbel meestal: levenswijsheid. Praktische levenswijsheid. Wat moet ik doen in deze situatie? Welke keuze moet ik maken in deze situatie? Je bent dus wijs volgens de bijbel als je dat kunt, als je in elke situatie de juiste keuze kunt maken, het goede kunt kiezen.

Maar hier in Job 28 is het anders. Hier heeft wijsheid ook te maken met doorgronden, begrijpen. En meestal willen we begrijpen omdat we willen beheersen. Als dat bedoelt is, dan zouden wij het woord wijsheid in onze tijd eerder vertalen met filosofie of wetenschap of techniek. Daarmee begrijpen wij en zo beheersen wij. En daar zijn we ontzettend goed in geworden. Heel goed.

En het lijkt wel dat hoe beter we worden in dat begrijpen en beheersen, hoe banger we zijn om een keer iets níet te doorgronden en te beheersen. Dat er nog een virus kan opduiken waar we niet zo snel een vaccin tegen hebben. Dat ontregelt. Het ontregelt onze economische wereld, onze welvaart, ons systeem, dat hele grote systeem dat we samen in stand houden. Het ontregelt onze door ons beheerste wereld.

En dat kwetst ons, dat ergert ons geweldig. Dat we zoiets als een vaccin tegen Corona niet even kunnen kopen. We kunnen toch alles kopen? Dat zijn we toch gewend? Job zegt het hier ook van de wijsheid, letterlijk: ‘we kunnen haar niet kopen’. Zelfs 2,5 duizend jaar geleden had men daar dus al last van, vooral de rijken, waar Job zelf toe behoorde voor zijn grote val; hoeveel te meer dan in onze tijd.

IV.

De wijsheid, wie zal haar vinden? Dat is de vraag waar we nu ook mee zitten, omdat we nu iets niet beheersen en begrijpen. Omdat we op zoek zijn.

En nu voelen we iets, dat eigenlijk steeds al bij ons leven hoorde. Ook in al onze veel zekerder tijden. Alleen toen konden we het makkelijker verdringen. Het leven, het mensenleven ís zoeken, graven. Het is ten diepste: het zoeken naar wijsheid, naar doorgronden van de betekenis van onszelf in deze eindeloze kosmos.

Dat spiegelt zich al in ons dagelijks leven. In het onderwijs en de wetenschap. Dat is één groot leren, zoeken, vragen, antwoorden, verder zoeken. Het spiegelt zich ook in ons werk, dat tegenwoordig ook is: blijven leren. Levenslang leren, van cursus naar cursus. We willen begrijpen.

Dat betekent ook: we zoeken de zin van alles. Ten diepste zoeken we niet heel veel dingen. We doen wel veel, we ontdekken veel, maar we zoeken ten diepste maar één ding: wijsheid, betekenis, bedoeling van onszelf, van ons bestaan. We willen niet alleen praktisch weten wat we moeten kiezen, we willen zelfs niet alleen beheersen, we willen ook begrijpen waarom we hier zijn, waartoe wij op aarde zijn, wat de zin is van dit alles, waar wij vandaan komen, waar wij naartoe gaan.

Als je dat niet weet, dan wordt je uiteindelijk gek. Zelfs als je alles beheerst, maar niet weet waarom of waartoe, dan wordt je gek. Daarom kunnen wij het niet laten, dat zoeken, naar vaste grond, naar zin en doel. “Zonder de wijsheid zijn we niet dom, maar worden we gek” (Willem Barnard).

V.

Ik vond mijn aardrijkskunde-schriftje terug van de brugklas. “Het heelal bestaat uit ongeveer 100 miljard sterrenstelsels. Eén daarvan is onze melkweg. Onze melkweg heeft ongeveer 100 miljard sterren. Al die sterren hebben planeten. En één van die sterren is onze zon.”

Ik schreef dat toen op alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. De leraar zei het voor, ik schreef het op. Als ik het nu weer zou opschrijven, zou ik er een poppetje onder tekenen, dat rondjes draait, duizelt. Het moet ons toch duizelen, de wereld? Wij schieten met een raket de lucht in, en we speuren op de bodem van de oceaan, omdat we uiteindelijk dat ene zoeken: wijsheid.

VI.

En nu is onze grote frustratie, dat wij bij alles wat wij vinden toch dat ene niet vinden. Wijsheid. Daarover gaat het in Job 28. Het wordt tijd dat ik even wat uitleg over dat hoofdstuk en de plek die het heeft in dit bijbelboek.

De bedoeling van het boek Job is dat wij leren omgaan met wat wij niet beheersen en bevatten kunnen. En het summum daarvan is het onbegrepen lijden, het lijden zonder oorzaak, zonder reden. Daarom treffen wij Job aan, de gelukkigste mens aller tijden, een soort combinatie van Dagobert Duck en Guus Geluk, en ook nog de vroomheid van vader Abraham erbij, alles, alles heeft Job. Tot hij alles verliest. En dan opent hij zijn mond met klachten. En dan ontstaan de debatten. Debatten die duren van hoofdstuk 3 tot en met 27. Zó lang zijn de vier kameraden of nep-kameraden op zoek naar wijsheid, doorgronding van het leven en speciaal: doorgronding van het lijden. Waarom moeten wij lijden?

En als ze dan bijna uitgesproken zijn, gaat Job in gedachten een soort werkbezoek brengen bij de werkers van zijn tijd, bij het uiterste vermogen van de mensen toen. Dat was toen de mijnbouw. We verdwijnen onder de grond. Het is onvoorstelbaar wat daar allemaal kan. Mensen bouwen ónder de grond, onvoorstelbaar. En daar vínden ze ook nog van alles, edel gesteente, goud en wat niet al. Dat was toen het summum van menselijk vermogen. In onze tijd zou Job naar de ontdekker van het DNA gegaan zijn, of naar de eerste mens die op de maan wandelde. Want daar zien we in onze tijd het vermogen van de mens. Dat was toen dus de mijnbouw.

We ontmoeten hier dus de mens van Psalm 8. “Alles hebt gij onder zijn voeten gelegd.” De mens die verder is dan de dieren. Van de dieren wordt hier expliciet gezegd: zij vinden de weg onder de grond níet. Er worden hier zelfs dingen over de mens gezegd die elders in de bijbel van Gód worden gezegd: hij woelt de bergen om, hij klieft de rotsen, hij brengt het verborgene aan het licht. Hier is de mens daar subject van, elders is dat God. Zo sterk geldt: hij is weinig minder dan een god gemaakt.

VII.

Totdat we stuiten op een grens. “Elke grens onderzoekt men” (vers 3), en toch blijkt áchter die grens weer een grens te liggen. En zo stuiten we steeds weer op een grens. Dat is in het klein al zo, bijvoorbeeld in je eigen werk. Je stelt jezelf een doel, een grens. Een target. En dan weer een target, en weer een target, en dan heb je dat gehaald, en dan is er weer een doel dat gehaald moet worden. Zo loop je steeds naar de grenzen en langs de grenzen. Ook die van je eigen kunnen. Daarom wordt je het ook een keer zat. Dan ga je over je grens, burnout. Of dan ben je blij dat je ermee mag uitscheiden, dat je met pensioen kunt. Dat je niet meer steeds naar de grenzen hoeft te gaan.

Dus: elke grens onderzoeken we, zo zijn wij geschapen, zo is het ook goed. Maar als je zoekt, dan stuit je ook op de grenzen. En zo stuit je uiteindelijk op deze grens: de wijsheid vind je níet. Zo eindigt Job zijn gesprekken: “Vrienden, we zijn uitgepraat.” Wij mensen komen er niet uit. Want in die hoofdstukken daarvoor is alle wijsheid van het oude oosten verzameld. Ook al onze wijsheid eigenlijk. Voor ons allemaal, voor alle tijden concludeert Job: uiteindelijk komen we er niet uit.

VIII.

Maar toch, zegt Job, ben ik wel iets verder gekomen. Want: onder de levenden wordt de wijsheid niet gevonden, máár: “Het verderf en de dood zeggen: Met onze oren hebben wij een gerucht over haar gehoord.” (v 22) Hij kwam er dichterbij, bij de bedoeling, de doorgronding, toen hij… op een mestvaalt kwam te zitten en dichter bij de dood kwam. Dat is een wijsheid die je op een andere manier ook bij de Prediker vindt, die liever naar een begrafenis gaat dan naar kermis.

Er is een mooi boekje van prof. Gerrit de Kruijf, dat heet ‘De dood van dichterbij’. Daar merk je het ook: als je dichter bij de dood komt, kom je dichter bij de wijsheid.

Ik moet daarbij ook denken aan een gedicht van Jacqueline van der Waals met de titel “Sinds ik het weet…” Ze bedoelt daarmee: sinds ik weet dat ik ongeneeslijk ziek ben. Want Jacqueline van der Waals was ongeneeslijk ziek en heeft daarna haar mooiste gedichten gemaakt. Ze schrijft:

“Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,

De schoonheid en de zoetheid aller dingen,

Die mij alom omgeuren en omringen,

Nog wèl zoo liefelijk en wèl zoo zoet,

 

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer

Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,

Het is of ieder zintuig en vermogen

Nog fijner werd en scherper dan weleer,

 

Sinds ik het weet, treed ik, wien ik ontmoet,

Den vreemden en den vrienden op mijn wegen,

Ontroerder en vertrouwelijker tegen,

En ‘k groet ze met een vriendelijker groet,

 

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij

En vaak, in d’ernst van ’t aardsche spel verloren,

Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,

Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.”

Van der Waals herkent zich dus in Job, in deze waarheid: het lijden en de dood, díe hebben, tégen al onze verwachting in, een eerste gerucht van de wijsheid vernomen. Dat is Jobs ervaring, dat je vanaf de mestvaalt béter ziet. Niet dat je meer ziet, maar je gaat anders kijken naar alles wat je daarvoor ook al zag. De dingen krijgen meer betekenis voor je. Je komt er meer open voor te staan, want je harnassen worden van je afgenomen. De dikke beschermlaag om je ziel, je hart, je leven, waarmee je je verdedigt en afzet en denkt dat je wat bent. En zo wordt je rijper voor God.

Niet dat je meer te weten komt, maar je richting van denken en spreken wordt anders. Dat is in het boek Job heel opvallend: terwijl de vrienden alleen maar óver God spreken, spreekt Job tót God. Dat is wat het lijden met hem doet, en daarin groeit hij dan toch iets dichter naar de wijsheid toe.

Moet je daarvoor eerst ongeneeslijk ziek zijn? Ik hoop het niet. Ik dénk het ook niet. Want: zo is ons aller leven nu al eigenlijk, dat het dicht bij de dood is. Wij kunnen uiteindelijk niet voor onszelf en ons bestaan zorgen. Waarom zou je wachten met die kennis tot je hét ook weet, tot je ook zo’n bericht hebt gehad als Job en Van der Waals? Waarom zou je wachten tot je Corona krijgt? Je kunt het nú al weten, dat je eindig bent, en daarom kun je nú al leven met de God die oneindig groter is

“Sinds ik het weet, is God mij meer nabij

En vaak, in d’ernst van ’t aardsche spel verloren,

Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,

Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.”

IX.

Wat betekent dat voor Corona? Wel, dat virus mogen we bestrijden, uiteraard. Dat moeten we ook. En het is te hopen dat we het snel indammen. Maar we moeten het, tegelijk, óók aanvaarden als een teken van boven dat wij altijd mensen zullen blijven, stervelingen zoals we hier genoemd worden (v. 13), die nooit alles zullen kunnen beheersen. Die in de begrénsdheid hun geluk moeten zien te vinden.

Er is een geschiedenis bekend van Luther, toen de pest in Wittenberg aankwam. Toen kreeg Luther een brief van een vriend, die schreef: “Luther, ik waarschuw je, de pest komt eraan! Wegwezen daar!” En Luther schreef terug: “Alsof Maarten Luther voor de Here God zo belangrijk is. Ik blijf hier, ik blijf op mijn post.”

Zo’n reactie van Luther komt ons anno 2020 allemaal, christen of niet, heel vreemd over. Bizar. En ja, het heeft iets vreemds. En toch, en toch… Hoe extreem het ook is, er zit ook iets in van het echt aanvaarden van de geschapenheid, de begrensdheid van je leven.

Wij bidden dus vandaag, straks, ook tégen Corona, want God is er ook tegen, dat mogen we gerust weten, Hij is tegen alles wat niet in overeenstemming is met het rijk van de shalom, Hij is tegen de mestvaalt en daarom gaat Hij Job er ook af halen. Maar dat eraf halen, wat met Job gebeurd in hoofdstuk 42, dat is voor ons de opstanding der doden. En ieder die wil opstaan, moet eerst sterven. “Alleen waar graven zijn, zijn opstandingen.” (Nietzsche)

Laten we dus niet bidden dat ons aardse leven een paradijsje mag zijn. Laten wij bidden dat we hier, buíten het paradijs, toch mogen léven, in vertrouwen dat God ook buiten het paradijs is. Hij heeft ons achtervolgd, toen wij het paradijs verlieten, en Hij achtervolgt ons nog.

X.

Dus? Blijft het erbij dat wij de wijsheid nooit zullen vinden? Inderdaad, díe wijsheid van het doorgronden, van alles, en speciaal van het boze, het lijden, die wijsheid zullen wij nooit vinden. Alléén God kent de plaats van de wijsheid (v 23), máár: tegen ons heeft Hij gezegd: de vreze des Heeren, dat is voor júllie wijsheid, je afkeren van het kwade, dat is jullie inzicht (v 28).

Door zijn woord, Thora, Weisung, onderricht, is er toch een leven voor ons. Dat is het, waardoor wij op onze manier toch goed en kwaad leren kennen. Waar een plek licht geschapen wordt. Het woord doet dat.

Dát woord, het woord van God dat ons een weg wijst, dat is niet ver weg, onachterhaalbaar, onvindbaar, néé. Dat staat er heel mooi in Deuteronomium 30, aan het einde van de Torah.

“Dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet de hemel, zodat u zou kunnen zeggen: wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat u zou kunnen zeggen: wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en het ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? Wat dit woord, deze wijsheid, is heel dichtbij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.”

Dat is de lichte plek waarin wij mogen leven.

XI.

In het midden van die lichte plek zit Job op de mestvaalt. Want hij is er met zijn lijden toch het dichtste bij gekomen, bij de wijsheid. En naast Job op zijn mestvaalt zit Christus. Job en Christus kennen elkaar, omdat zij beide rechtvaardigen zijn die onrechtvaardig moesten lijden. Job verwijst naar Christus en Christus zet Job in de schijnwerpers. Heb je geen acht geslagen op mijn knecht Job, vraagt Hij? Hij heeft het gezien. Mooi is dat, als Christus zo over je denkt, dat hij tegen de Satan zegt: heb je Marie ook gezien, en Martin, die hebben mij lief, om niet. Niet omdat ze daarmee alles verkrijgen, ook niet omdat ze daarmee alles begrijpen, maar zij hebben mij lief om niet. Zij hebben gezien dat het té moeilijk is om de zin van alles te doorgronden, maar zij hebben ook gehoord dat het níet te moeilijk is om Mijn woord te horen én te doen.

Onze plaats is daar, bij Job en bij Christus, onder de alwetende God, maar met het woord, met het onderwijs, hoe te leven in een wereld die van dit alles niets begrijpt… Maar wij mogen Hem kennen door het geloof. Christus is van God geworden tot wijsheid, zegt de apostel. De dwaasheid van de mestvaalt, de dwaasheid van het kruis is onze wijsheid, zij is de Alpha en de Omega van alles wat je kunt weten. Daartussen staat nog een heleboel, zoals tussen de Alpha en de Omega ook nog heel veel staat, alle andere letters van het alfabeth, maar uiteindelijk kom je altijd weer bij Hem uit. Hij is onze grens. En aan die grens worden je vragen niet opgelost, maar je wordt toch opgetild, krijg je geen antwoorden, maar wel een woord om echt te léven.

AMEN