Preek Simon van Cyrene

“En zij dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van de akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Jezus’ kruis droeg.” (Marcus 15:21)

Gemeente van Christus,

I.

Daar loopt de stoet Jeruzalem uit. Buiten de poort worden de opstandelingen gebracht, de drie die gekruisigd zullen worden. Buiten de poort mag de vloek hen treffen. Zoals je een vuilnisbelt en een begraafplaats buiten de stad houdt, zo komen daar buiten de stad drie kruisen te staan, waar de gieren boven mogen cirkelen. Normale mensen lopen daar niet mee naartoe, alleen zij die zoveel minachting of haat, of zo’n koud hart hebben dat zij zonder met hun ogen te knipperen drie mannen kunnen zien sterven aan marteling.

Nu lopen zij nog. De Romeinse bevelhebber voorop. Daarachter wat soldaten. Dan de drie misdadigers, elk met een bordje op hun nek met de aanklacht. Bij een van hen staat er cynisch op: “de koning van de Joden”. Zo laten Romeinen zien wie er de baas is in Israël. Deze man is verkleed. Een rode koningsmantel, een kroon van doornen op het hoofd gedrukt. Het is koningsdag vandaag.

Maar de koning valt. Anderen heeft Hij doen opstaan, maar zelf kan Hij het niet meer. Sta op, neem je kruis op en wandel, roept iemand nog, maar het helpt niet meer. Ze geven Hem nog eens een schop, zoals je een ezel een schop geeft, maar het helpt niet meer. Hij haalt zelfs zijn eigen kruisiging niet.

II.

Dan plukken ze iemand van straat. Ene Simon. De eerste de beste die ze zien. Maar geen Romein. Een Romein zou zich nooit buigen onder een kruis, absoluut nooit, je gaat niet de schande dragen, ook niet de schande van een ander.

En een jood? De Romeinen zijn tot veel in staat, maar een van de joden die meelopen, dwingen ze ook niet. Vervloekt is een ieder die hangt aan het hout. Ook joden uit Jeruzalem, die deze Jezus graag willen zien sterven, zullen dat hout niet dragen. Ze lopen mee om te zien hoe deze nepkoning definitief ontmaskerd wordt. Ze lopen mee om Hem gestraft te zien worden. Ze gaan zijn kruis niet dragen, voor geen goud.

III.

Dus moet het een voorbijganger worden. Een zomaar iemand. Ene Simon van Cyrene. Cyrene, in het gebied van Lybië, lag ten westen van Egypte. Daar woonden veel joden. Zij hadden in Jeruzalem ook een eigen synagoge. Sommigen van hen gingen op latere leeftijd toch weer in Israël wonen, net zoals nu emigranten soms toch weer in hun vaderland oud willen worden en sterven. Zo iemand zal Simon misschien geweest zijn. In ieder geval heeft hij nog een stuk grond, een akker bij Jeruzalem, en daar komt hij vandaan. Hij wil net de stad ingaan, als de misdadigers met hun gevolg de stad uitgaan.

IV.

Hij is inderdaad een voorbijganger, dat wil zeggen iemand die niet bij de volgelingen van Jezus hoort, maar ook niet bij zijn tegenstanders. Van die mensen zijn er altijd een heleboel. Dat is nog zo. Het lijkt soms wel zo dat iedereen overal een mening over heeft, maar de grote schare heeft dat juist niet, nu niet en toen niet, die maken zich druk om andere dingen dan om het lot van ene Jezus.

Die hebben een akker. Il faut cultiver notre jardin. Zo eindigt het boekje ‘Candide’ van Voltaire. Wij moeten onze tuin, onze akker bewerken. Voltaire bedoelt: de problemen van deze wereld los je toch niet op. Ieder heeft genoeg uit zichzelf. Trek je maar een beetje terug. Terugtrekken op je eigen akker om niet aan de rest te denken. Werken op je akker om niet aan de rest te denken. Sadder and wiser, dat is het type van de voorbijganger. Niets kan hem meer echt raken. Nergens wil hij meer helemaal in betrokken worden. We kennen hem ook maar al te goed op godsdienstig gebied. Misschien ben je het zelf wel. De voorbijganger is de mens zonder overgave.

V.

Zo’n voorbijganger is Simon. Simon is iemand die innerlijk niet betrokken is op de zaak van Jezus. Maar er is iets met hem gaan gebeuren. Hij is een bekende figuur geworden in de vroege kerk. Dat blijkt wel uit hoe Markus over hem schrijft. “Simon van Cyrene, de vader Alexander en Rufus”. We mogen wel toevoegen: je weet wel. Simon van Cyrene. Wie zeg je? Simon, je weet wel, de vader van Alexander en Rufus. En toen dachten de mensen blijkbaar: aha, die! Lukas en Mattheüs hebben die namen niet, dus bij hen waren ze blijkbaar niet bekend. Maar in de gemeente van Markus wel. Blijkbaar was dit gezin daar bekend.

VI.

Er is dan ook iets met Simon gebeurd. Zij dwongen hem het kruis van Jezus te dragen. Dat doet wat met je. Ik heb al vaak gehoord hoe veel het mensen doet, als zij bij een begrafenis de kist droegen met het gestorven lichaam. Het lijkt een kleinigheid, ach, waarom zou je dat doen, je kunt het ook anderen laten doen. Maar die kleinigheid is niet zo klein. Je voelt het even zelf, de zwaarte van de kist en lichaam op je schouder. Je legt hem straks in het graf. Het laatste dat je voor iemand kunt doen, een eerbetoon. Een liefdedaad misschien. Zo dichtbij zal de dode hierna nooit meer zijn. Je zult hem missen. En tegelijk kan het ook een confrontatie zijn, zo’n kist dragen. Heden ik, morgen gij. Nog even en je ligt zelf ook in zo’n kist.

Bij The Passion, het drama dat elk jaar wordt opgevoerd op televisie, draagt de schare ook altijd een mega-groot kruis door de stad. Ik heb ook al vaak mensen horen vertellen dat dat echt iets met ze deed. Alsof ze er ineens zelf in betrokken werden.

Dat gebeurt dus ook met Simon. Van buitenstaander wordt hij deelnemer. De tot nu toe volslagen onbekende Simon van Cyrene wordt ineens speler in het definitieve drama van God met de wereld.

VII.

Waar zijn Jezus’ discipelen eigenlijk? Ik bedoel, dat de Romeinen het schandelijke kruis niet wilden dragen, snap ik. Dat de joden die riepen ‘laat Barabbas vrij!’ en ‘kruisig Hem!, kruisig Hem!’, dat die het niet wilden, snap ik ook. Maar was er niemand die Hem liefhad, die dit nog uit liefde voor Hem wilde doen? Eentje had er uitgeroepen: ik zou wel voor u willen sterven, Heer! Maar ook die is in de verste verte niet te bekennen. Discipel zijn is leuk en fijn, een soort van avontuur, totdat het kruis komt. Dan zijn ze ineens gevlogen.

Jezus moet het niet hebben van zijn discipelen. Hij moet het hebben van de toevallige voorbijgangers. Zo is het altijd geweest. Jezus had twaalf discipelen, toen elf, en toen weer twaalf, als apostelen. Maar Hij had het meest aan een dertiende, die er zomaar bijkwam, die zomaar in zijn kraag gevat werd. Paulus roept later uit, als hij gepikeerd is over het feit dat ze hem niet als echte apostel erkennen, in die wat boze bui roept hij uit: “Ik heb meer gedaan dan die twaalf apostelen samen!” En hij heeft eigenlijk ook gelijk. Ongeluk zit in een klein hoekje. Maar geluk, gelukkig toeval, hulp, die ook. Hulp komt meestal uit onverwachte hoek. Dat geldt ook voor de hulp die God op aarde krijgt.

VIII.

Simon kwam net terug van zijn akker. Il faut cultiver notre jardin. Wij moeten onze tuin bewerken. Wij hebben onze dagelijkse beslommeringen. Daarin past Jezus eigenlijk helemaal niet. We hebben onze handen vol aan onszelf. Ik heb net een vrouw getrouwd, net een akker gekocht – je weet wel, die gelijkenis. De akker staat symbool vol het gewone aardse leven, dat al onze aandacht opslokt. Das Sein des Daseins ist die Sorge, zei Heidegger. We hebben iets om voor te zorgen. Ons werk, ons huis, ons gezin, of het nu gepaard gaat met zorgen of niet, het slokt ons in ieder geval op. Jezus? Ach ja, Jezus. Dat is die man uit Nazareth, maar ik kom uit Cyrene. Ships passing in the night.

IX.

Tot Hij je erbij roept. Heden moet ik in jouw huis zijn. Verlaat je netten, ik zal je visser van mensen maken. Saul, Saul, wat vervolg je mij. En hier is het: kom, en draag mijn kruis. Ja, het zijn de Romeinen wel, die het zeggen, maar eigenlijk roept de Heer zelf. Simon, jij moet nu even mijn kruis dragen. Ik? Ja, jij.

Kijk, daar loopt nu ineens die Simon, met dat kruis op zijn rug. Nu moet iedereen wel denken, dat híj de misdadiger is. Wat een gruwelijke vergissing, als ze de onschuldige voor schuldig houden. Stel je voor dat het in onze tijd was. Voor je het weet staat er een foto van Simon op het internet, met daarbij de tekst: “Opstandeling afgevoerd naar Golgotha.” Allemaal likes en commentaar eronder. Een enkel emoticon met een traan.

X.

Ja, wiens kruis is het nu eigenlijk? Jezus’ kruis of Simons kruis? Is dat nog wel duidelijk? Of is die verwarring precies de bedoeling?

Kijk, er is geen twijfel over mogelijk of de scène die hier verteld wordt, is historisch. Het wordt door drie evangeliën verteld. Het lijkt zo’n onbelangrijk détail dat er geen reden is het te verzinnen. Met die namen Simon van Cyrene, Alexander en Rufus erbij is het tegelijk zo precies, dat het wel historisch moet zijn. Maar waarom wordt het verteld? Niet alleen omdat het gebeurd is natuurlijk. Het is onthouden en steeds opnieuw verteld, omdat we hier ook voor ons getekend zien wat het betekent om een leerling van Jezus te zijn.

Simon droeg zijn kruis. Marcus gebruikt hier hetzelfde woord als hij eerder in hoofdstuk 8 gebruikte, waar Jezus zegt: ‘Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.’ Wat daar gezegd wordt, daar krijgen we hier het plaatje bij. Simon draagt het kruis achter Jezus aan. Dat is geloven. Erbij geroepen worden om een stukje van het kruis van Christus te dragen.

XI.

Nemen wij dan het werk van Jezus over? Spannende vraag. Het lijkt er wel op hè, dat hier toch op zijn minst eventjes een omgekeerde plaatsvervanging plaatsvindt. Met plaatsvervanging bedoelen we normaal: Jezus nam onze plaats in. Wij hadden de straf moeten dragen. Maar in onze plaats droeg Hij onze straf.

Maar hier is het eventjes omgekeerd. Simon neemt Jezus’ plaats in. Niet helemaal. Jezus wordt straks aan het kruis geslagen. Simon ontsnapt daaraan. Maar dat gaat niet zonder voor een moment het kruis van Christus te hebben gedragen. Wat eigenlijk niet kan. Dat kruis is veel te zwaar. Maar het gebeurt toch.

Denk daar maar aan, bij het lijden waar je onder geroepen wordt. Het is het lijden van Christus dat over je komt. Ons kruisdragen is een stukje van het kruis van Christus dragen.

Dat betekent: het is één lijden, één pijn, één verdriet. Bij het kruisdragen is het niet: ieder voor zich en God voor ons allen, maar één met Christus in het lijden. Paulus heeft zich daar steeds over verwonderd en ook vrolijk gemaakt. Geloven is: delen in Christus’ lijden en zo ook delen in zijn opstanding. Filippenzen. In 2 Korinthe 1 hebben we gelezen, dat hij het heeft over het lijden ván Christus dat over óns komt. Niet eens het lijden met Christus, maar het lijden van Christus, dat komt, tegenwoordige tijd, dat over óns, niet over Hem, over óns komt.

Gek hè? Je zou kunnen denken: Hé, dat lijden van Christus is toch al voorbij? Nee, het lijden van Christus is niet voorbij. Dat is verleden tijd, Hij is opgestaan! De Heer is waarlijk opgestaan! U zij de glorie, opgestane Heer! Nee, het kómt over ons, nu, en toch is het het lijden ván Hem, ván Christus. Het duurt voort tot het einde der tijden. En het komt over ons. Wij dragen er een stukje aan mee.

Marc Chagall: beeld. De witte kruisiging. Te midden van ander lijden. Eén kruis.

Niet zomaar: in geloof. In geloof worden we verenigd met Christus. Heilige Geest: dat doet Hij. Ken je de troost daarvan? Als ieder nou echt zijn eigen kruis moest dragen, als het in het lijden nou was, ieder voor zich, dat zou vreselijk zijn. Maar Simons kruis wordt Christus kruis en Christus kruis wordt Simons. En jouw kruis is een stukje van Christus kruis en tegelijk mag je dat kruis ook weer aan Hem geven, want Hij wordt eraan geslagen en niet jij, maar jij moet het wel leren dragen. En niet weglopen.

Kruisdragen achter Jezus aan is dus niet het werk van Jezus overnemen. Het is zelfs nauwelijks een aanvullen te noemen, ook al gebruikt Paulus éénmaal dat woord in een wat verwarrende passage in de Kolossenzenbrief, waar hij zegt dat hij het mij zijn eigen lijden aanvult wat overbleef van de verdrukkingen van Christus. Maar ook daar zal hij toch niet echt iets anders bedoelen dan hij in dat eerste hoofdstuk van de tweede brief aan de Korinthiërs schrijft: in mijn eigen lijden komt het lijden van Christus over mij. Ik draag een stukje van het kruis. Er is maar één lijden,er is maar één kruis, en daar word ik samen met Hem gekruisigd.

Toen Jezus zei “neem je kruis op en volg Mij” (Mk. 8:34), toen konden we nog denken dat ons kruis een ánder kruis is dan dat van Jezus. Dat de kerkgeschiedenis is: Jezus loopt voorop met Zijn kruis, en daarachter al die christenen met hun eigen kruisje. Maar dat zou verschrikkelijk zijn. Dat is eerder een beeld van de hel, als het in het lijden toch nog ieder voor zich is. Hier zien we dat het eigenlijk één kruis is.

XII.

Dat is des te moeilijker te aanvaarden, omdat ‘kruis’ hier ook betekent: schuld. Jezus gaat gebukt onder de schuld van Simon en de anderen. En Simon gaat nu ook eventjes gebukt onder de last van de schuld. Ga je daar wel eens onder gebukt? Onder het feit dat je ook zo iemand bent die meer aan zijn akkertje denkt dan aan de Heer? Zo iemand die altijd in beslag wordt genomen door zichzelf en zijn ditjes en datjes, en die niks heeft tégen Jezus, maar ook niks voor Hem, die er liever niet mee te maken heeft, noch koud noch warm, maar zo lauw, lauw en gezapig, opgaand in wat zich toevallig aandient, niet scherp, niet gefocust, niet betrokken, niet eerst het koninkrijk van God zoekend en Zijn gerechtigheid? Nou, dan draag je dus een kruis. Dat is het kruis van je eigen zonde en schuld, van je eigen doodstraf. Dan voel je even wat dat is. Straks mag je het kruis weer afstaan aan Jezus. Dat moet je ook zeker doen. En dan wegwezen. Net zoals Simon waarschijnlijk gedaan heeft, toen hij op Golgotha kwam: het kruis neerleggen en als een speer naar huis. Laat je plaats maar innemen door Jezus. Hij neemt je schuld over. Maar toch niet zonder dat je even gevoeld hebt wat het weegt. Zonder dat je ontdekt hebt: Jezus’ dood heeft met mij te maken. Met mijn schuld. “Were you there when they crucified my lord?”, zingt een oude spiritual. Antwoord van de discipelen toen: nee, wij waren er niet bij. Antwoord van de voorbijganger Simon, en jou als gelovige: ja, ik wel.

XIII.

Simon moest daartoe gedwongen worden. Natuurlijk. Zo ging het bij ons toch ook? Zo gaat het bij ons toch nog steeds? Niemand gelooft voor de lol. Want geloven is: je kruis dragen. Het lijden van Christus op je laten drukken. En dat doet niemand voor de lol. Totdat God je bij je kraag vat, zomaar midden in het leven, en zegt: jou moet ik erbij hebben. Dat is de verkiezing. Verkiezing is niet iets om hoofdpijn van te krijgen. Het is de vrolijke wetenschap dat Simon niet toevallig van de akker geroepen werd en dat niemand hier toevallig in de kerk zit en dat niemand toevallig thuis zit te kijken en te luisteren, maar dat God helemaal vanuit de eeuwigheid zijn hand opheft, door het dunne vlies steekt dat eeuwigheid en tijd scheidt, en op je legt. En als God zijn hand op je legt, dan moet je komen.

Simon wil het kruis ook niet dragen eigenlijk. Hij stemt er wel mee in, uiteindelijk. Hij láát zich dwingen. Dat is het wonder van de heilige Geest. Simon had zich ook kunnen laten doodslaan, in plaats van het kruis te dragen. Ik weet zeker dat een Kajafas zich liever had laten doodslaan, dan dat hij zich zou buigen onder Jezus’ kruis. Simon had ook zijn schoffel en hark kunnen neersmijten en als een haas naar moeders pappot rennen. Ik weet zeker dat anderen dat gedaan hadden. Maar hij liet zich dwingen. Dat is de heilige Geest: het wonder dat een mens zich kan laten dwingen.

Tot het goede moet een mens altijd min of meer gedwongen worden, maar dan zó, dat hij zich laat dwingen, en dat het dus geen pure machtsuitoefening meer is. Probeer als ouders zo een beeld van de heilige Geest te zijn. Ben je zelf niet dankbaar dat je ouders je zó lieten dopen, toen je dat zelf als baby helemaal niet wilde en zelfs niet kon willen? De doop is het symbool waarin zich herhaalt wat aan Simon gebeurde: gedwongen worden met Christus te sterven. Tot de dag komt dat je juist dáár het aller- allerdankbaarst voor bent van alles wat er in je leven gebeurde: dat je gedoopt werd zónder dat je dat wilde.

XIV.

Wat hier dus voor ons getekend wordt, is dit: binnenkomen in de kerk. Simon is het beeld van de kerk. Romeinen schamen zich ervoor, het grote deel van het joodse volk wil er niet van weten, het is joden een ergernis en Grieken een dwaasheid, zoals Paulus het later zal formuleren, maar er zijn, er zíjn voorbijgangers die onder het kruis worden gebracht en die het gaan zien, dat het een kracht van God is, die je weghaalt bij je obsessie met je akkertje en je de ogen opent voor de eeuwigheid.

XV.

Wij, die toevallige voorbijgangers, wij worden met Hem gekruisigd, en wij zullen met Hem opstaan. Halleluja, eer aan de Vader, de Zoon en de heilige Geest, aan Hem die is en die was en die komt, aan de gekruisigde en opgestane, aan Hem die niet laat varen de werken van Zijn handen.

Amen.