Preek op de tweede zondag van de Corona-tijd

22 maart 2020, Waddinxveen.

Schriftlezingen: Johannes 14:25-31   en   Filippenzen 4:1-7

Tekst: Johannes 14:27 “Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik die u. Laat uw hart niet in beroering raken en niet bevreesd worden.”

Gemeente van Christus,

I.

Het is een vreemde situatie waarin wij ons bevinden. Ongehoord. Een dergelijke ontwrichting van ons gewone leven hebben we sinds de oorlog eigenlijk niet meer meegemaakt. Een dergelijke crisis in de handel en economie misschien wel eerder, maar niet dat we half gedwongen, half vrijwillig allemaal bijna in quarantaine gaan.

En nu zijn we in de kerk. Tenminste, we zijn hier maar met een handjevol, ook al heel vreemd, maar gelukkig verbonden met velen in de huiskamers. En zo kunnen we toch nog op een andere manier gemeente zijn. U thuis ervaart nu allemaal hoe het is om niet meer naar de kerk te kunnen. Sommige ouderen en chronisch zieken van de gemeente weten al langer hoe dat is. Zij weten ook dat er niets gaat boven echt contact. De virtuele wereld kan de echte wereld nooit vervangen. Want de virtuele wereld is onze schepping, maar de echte wereld is Gods schepping. Een wereld van lichamen die elkaar kunnen vastpakken. Misschien dat we die echte wereld weer extra gaan waarderen als deze crisis voorbij is. Ook de wereld van de dieren en de planten. Ik hoorde dat in China en Noord-Italië de natuur nu opleeft. De lucht is schoner, je hoort de vogels weer fluiten. Het is wrang om te zeggen, maar voor de natuur is Corona een zegen, is het ook een zegen dat Schiphol een keer voor een groot deel stil ligt. En dat moet ons aan het denken zetten, of we eigenlijk wel zo verder willen leven als we deden. Ook in Waddinxveen is het stiller. Geen vliegtuigen, geen verkeersgeluiden. De stilte, hoe vaak hebben we het daar niet over, dat ons leven zo gejaagd is, dat we eigenlijk wel eens wat rustiger willen leven. Maar nu we gedwongen worden om stil te staan, nu we zo stil worden gezet, merken we ook dat we dat eigenlijk heel moeilijk vinden, zo’n ander leven. En toch moeten we misschien wel deels anders gaan leven, om samen met alle mensen en de hele natuur op de lange termijn te mogen overleven.

II.

We zijn stilgezet. En zo, stilgezet, komen we bij God, op zijn dag, de zondag. Waar zullen we het over hebben? Wat dat virus met God te maken heeft? Ik heb daar iets over gezegd in de biddag-preek. Vandaag wil ik het over iets anders hebben. Ik heb trouwens niet lang zitten zoeken. Volgens mij moeten we vooral geloven, juist nu, dat elk Schriftwoord van God ingegeven is en nuttig tot opbouw van ons geloof, tot troost voor de tobbers en tot vermaning van de zelfverzekerden, zoals de Bijbel zegt. Ik heb dan ook niet extra lang zitten zoeken en bladeren in de Bijbel. We waren bij het Johannes-evangelie, en daar ben ik gebleven. We zaten in de lijdenstijd, de weken voor het paasfeest, en daar zijn we nog steeds. Ik heb iets gekozen uit de afscheidsgesprekken van Jezus, de gesprekken die Hij voert met zijn discipelen voordat Hij gekruisigd wordt. Johannes noemt dat trouwens niet gekruisigd worden, of gedood worden, maar verheerlijkt worden. Jezus’ dood is Jezus’ verheerlijking. Want zo komt Hij tot zijn bestemming. Voor ons.

III.

In die afscheidsgesprekken heeft Jezus het ook over vrede. Dat trof me. Want als we iets gemist hebben de afgelopen week, als we aan iets behoefte hebben, dan is het wel echte vrede.

“Mijn vrede geef ik U, mijn vrede laat ik u”, zegt Jezus bij zijn heengaan. En Paulus schrijft: “De vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus onze Heere”.

Vrede is in de bijbel veel meer dan de afwezigheid van oorlog. Het is een woord dat de situatie aanduidt waarin alles goed is. Het is goed tussen God en ons, het is goed tussen elkaar, het is goed tussen ons en de schepping. Er is harmonie, en recht. Het is de werkelijkheid van de wolf en het lam die tesamen neerliggen, waar zwaarden omgesmeed zijn tot ploegscharen, waar ieder onder zijn wijnstok en vijgenboom zit, waar het grote visioen vervuld is van de tijd waarin God zijn tent tussen opslaat en wij Hem kennen zullen van de oudste tot de jongste. Dat is vrede.

Jezus neemt afscheid, en in zijn afscheid heeft Hij ons dít nagelaten. Mijn vrede geef ik u. Het was gebruikelijk onder joden om met de vredegroet afscheid te nemen. Maar dan is zo’n vredegroet niet minder maar ook niet meer dan een goede wens. Ik wens je vrede! Mooi als je dat elkaar toewenst bij het uit elkaar gaan. Maar je kunt het niet waarmaken. Dat is het verschil met wat Jezus doet. Hij zegt niet: “Ik wens jullie vrede”, maar “Ik gééf jullie vrede”. Dat is de erfenis die wij krijgen door zijn heengaan, zijn verheerlijking, zijn kruisdood.

In die vrede leven wij. Wie gelooft, is besmet geraakt met die vrede. Die vrede is het virus waarmee Christus zijn discipelen aanstak, en dat sindsdien niet meer uit de wereld verdreven is, en nooit meer uit de wereld verdreven zal worden. Wie door dat virus van Gods shalom is geïnfecteerd, kan nog steeds door andere virussen ook geraakt worden, maar niet zo, dat zij die vrede wegnemen.

IV.

Er is een nieuwe catechismus verschenen die als kernwoord van het christen-zijn kiest: geluk. Waarin bestaat jouw geluk? Dat Jezus Christus mij gevonden heeft. Geloof maakt gelukkig, dat is de grondtoon van dit leerboekje.

Ik wil daar niet tegen polemiseren. Je kunt het best wel eens zo zeggen. Maar toch heeft de Bijbel haar eigen taal. Geloven is die taal leren spreken. En in die bijbeltaal staat het woord vrede, shalom, veel meer centraal dan het woord geluk, dat veel meer een modern, westers woord is. Een woord waarbij je snel denkt aan welvaart en voorspoed. Waarbij je ook snel aan jezelf denkt. Als we zo naar onze wereld kijken, dan hadden we het geluk aardig in de hand. We waren allemaal gelukszoekers geworden, en ook wel geluksvinders. Dat er ook nog veel pechvogels waren, vergaten we vaak.

V.

De taal van de vrede is iets anders dan die van pech en geluk. Want vrede is iets anders dan tevredenheid. Een leven waarmee je tevreden bent, dat hadden we wel ongeveer voor elkaar. Niets kon ons overkomen, en als ons toch iets overkwam, dan zouden de overheid en de wetenschap ons wel helpen. Maar nu ineens kan de overheid niet helpen, hooguit regels stellen. Nu ineens kan de wetenschap niet helpen. Weg is ons tevreden leventje.

VI.

Is het dan ook uit met de vrede? Als vrede en tevredenheid hetzelfde zijn wel. Maar ze zijn niet hetzelfde. De discipelen van Jezus krijgen geen leven waarmee ze tevreden kunnen zijn. Sterker nog, Jezus zegt in deze afscheidsrede dat ze zich voor moeten bereiden op vervolging. De wereld zal hen haten. Het virus van de haat zal zich verspreiden en haar net om hén sluiten.

Maar Hij belooft hen tégelijk vrede. Shalom. Is dat dan iets innerlijks? Een soort stoïcijnse gelatenheid? Al ontploft er een bom naast je, dan nog blijf je in een soort van yoga-houding, als een boeddha op je plaats?

Nou, het heeft zeker wel met je innerlijk te maken ja. Al zijn de uiterlijke omstandigheden nog zo beroerd, innerlijk laat je je niet uit het veld slaan. Daar heeft het zeker mee te maken. Maar dan niet omdat je nu eenmaal een kalm karakter hebt, of omdat je goed in yoga bent, maar omdat je door het geloof met Christus verbonden is. Als je met Christus verbonden bent, ben je met hét leven verbonden. Met het leven dat niet stuk kan. Uw leven is met Christus verborgen in God.

VII.

Míjn vrede geef ik u, zegt Jezus. Nadruk op dat woordje míjn dus. Geen algemene vrede. Geen vrede zoals wij die bedenken. Zíjn vrede. Vrede die er alleen is in Hem en door Hem. Om dat te benadrukken zegt Hij er nog bij: niet zoals de wereld die geeft, geef ik die. De wereld kan ons wel geluk geven, en tevredenheid, en vaak ook allerlei financiële en uiterlijke zekerheid. Er kan politieke vrede zijn en je kunt door veel aan mindfullness te doen misschien ook wel een soort innerlijke vrede krijgen. Maar al die vrede gaat verloren, gaat voorbij, zoals de wereld voorbij gaat, met al haar begeren. Alleen wat verbonden is met Christus blijft. Alleen wat verbonden is met Christus kan niet sterven. Daarom komt het er in deze tijd op aan of wij ons dat geloof echt hebben toegeëigend. Of wij nu echt anders in het leven zullen staan dan zij die niet geloven.

VIII.

Betekent dat dan dat je als christen niet angstig kunt worden? Nee, zeker niet. Gelovigen zijn net mensen. En of je angstig wordt van zo’n crisis of minder angstig, dat heeft voor een groot deel met je karakter en aanleg te maken. En laten we deze dagen vooral denken aan hen die van nature wat angstiger en bezorgder zijn, en hen steunen, voor hen bidden, hen helpen.

Maar juist nu mogen we misschien ook leren dat gelóóf echt iets anders is dan gevoel. Dat je in je gevoel angstig kunt zijn, maar toch echt gelóven dat je leven met Christus geborgen is bij God. En dat je daarom tóch je niet door je angst laat overheersen. Luther zei: “Soms geloof ik mét mijn gevoel, soms zónder mijn gevoel, en soms tégen mijn gevoel in.” Dat laatste is het moeilijkste. Maar deze crisis is een káns, een kans om dit te leren.

IX.

Mijn vrede gééf Ik u. Nee, dat is geen vrome wens van Jezus, dat is een dáád, zíjn daad, een werkelijkheid. Het is de daad van zijn dood. Want Jezus’ dood is niet iets wat Hem overkomt. Jezus’ dood is zijn vrije keuze, en daarom geschenk, gave, werkelijkheid. “De straf die ons de vréde aanbrengt, was op Hem”, zei de profeet Jesaja. De straf die ons de vréde aanbrengt. Het is eigenlijk heel goed en mooi dat deze crisis, nu ze ons toch moet treffen, ons dan maar treft in de lijdenstijd. Misschien kan de betekenis van Jezus’ lijden nu nog meer tot ons doordringen. Misschien kan de manier waarop Hij ermee omgaan nu nog meer een spiegel voor ons zijn. Misschien worden we nu nog dankbaarder voor wat Hij voor ons deed. Er vloeit zegen van het kruis naar ons toe.

X.

Mijn vrede gééf ik. Jezus bedoelt: ik geef die nu als erfenis aan jullie, want ik ga dood. En alleen van een dode kun je erven. Van die erfenis delen we iedere zondag uit, bij de zegen: “De Heere verheffe zijn aangezicht over u en geve u zijn vrede.” Of met de woorden van Paulus: “De vrede van God, die alle verstand te boven gaat, die zal jullie harten en gedachten behoeden.” Soms zegt iemand: als je niks meekrijgt uit de kerkdienst, dan krijg je in ieder geval nog de zegen mee. En diegene heeft het goed begrepen. Het mooiste is natuurlijk als die zegen met de hand op je hoofd gelegd wordt, zoals wanneer je belijdenis doet of wanneer je trouwt. Daar heb je dat lichamelijke weer, dat er toe doet. Dan ervaar je sterker dat het geen vrome wens is, maar een werkelijkheid. Maar anders moet het woord het doen, en als het moet kan dat ook. Het woord dat werkelijkheid schept. Het woord waarin Christus zelf levend aanwezig is. Hij, de dode die leeft, die uitdeelt. Wij leven van zijn erfenis.

XI.

Ergens anders benoemt Jezus die erfenis als: de heilige Geest. Hier zegt Hij: vrede laat ik jullie na. Een paar verzen verderop zegt Hij: de heilige Geest laat ik jullie na. Die hebben alles met elkaar te maken dus. Vrede is een vrucht van de Geest. En die Geest is heel praktisch. Daarom is het niet alleen iets innerlijks. Het is niet alleen de vrede van je hart. Die vrede doet ook iets met je hele leven, met handen, je daden, je woorden. Heel concreet. Als je in die vrede leeft, ga je bijvoorbeeld niet hamsteren. Ik werd vorige week zaterdag gesnapt met een pak wc-papier in de fietstas. Iemand dacht dat ik aan het hamsteren. Maar nee, het was gewoon op, en het was één pak. Zo concreet, zo praktisch is het christen zijn soms. Een christen hamstert niet. Punt uit. Want een christen weet van de geschiedenis van het manna, dat er elke dag lag, maar steeds weer voor één dag, en anders bedierf het. Wij hamsteren dus niet alleen niet omdat het niet nodig is, maar veel principiëler, omdat wij niet in de eerste plaats of alleen aan onszelf willen denken. Leven vanuit de vrede en het vertrouwen is leven in naastenliefde. Juist nu mogen we daarvan een voorbeeld zijn. Het contact met elkaar is niet meer mogelijk zoals gewoonlijk. Maar wij kunnen er nu op andere manieren voor elkaar zijn. De heilige Geest is ook de geest van creativiteit en daadkracht. Van nuchterheid en bezieling tegelijk. Ik ben dankbaar dat die Geest onder ons werkt, dat we juist nu ook op allerlei manier naar elkaar omzien. Zo concreet is het leven vanuit de vrede van de dood van Christus. Zo concreet maakt God ons vrij van angst en vrij tot het doen van het goede. Hij erbarme zich over ons en over heel ons land.

AMEN

Preek op de eerste zondag van de Corona-tijd

15 maart 2020, Rotterdam.

Schriftlezingen: Job 28 en 1 Korinthe 1:18-24

Tekst: Job 28:12, 20: “Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden? En waar is de plaats van het inzicht?”

Gemeente van Christus,

I.

Deze week was ik op een conferentie en daar sprak ik een predikant die vier dorpjes, vier gemeenten en vier kerkgebouwen onder zijn hoede had. In elk van die kerken zat op zondag nooit meer dan tien mensen, vertelde hij. Dus wij hebben het quotum al gehaald. Zelfs op deze hele rare zondagmiddag. In Duitsland is de kerk nog zo rijk, dat zulke gemeenten kunnen bestaan. Of dat goed is, is de vraag, maar het kan ons ook wel te denken geven: dat je altijd kunt doorgaan met de lofzang. Daarom is de beslissing van de kerkenraad om deze dienst te laten doorgaan ook de enige juiste beslissing. Juist in een crisis moet de kerk open zijn en moeten de gebeden doorgaan in het huis van God. Als ik chargeer, dan zeg ik: in een tijd waarin het goed gaat, mag de kerk wel eens een zondag dicht, maar juist in een tijd van crisis niet. Daarom hoop ik dat de kerken op een of andere manier de komende tijd open blijven.

II.

Maar hoe gaan we dat doen? Want ook al zijn we niet besmet met het Corona-virus, dan zijn we wel besmet met het ik-ben-bang-voor-Corona-virus. Afgelopen woensdag, op de biddag, hadden wij in Waddinxveen nog een volle kerk. En 24 uur later stond iedereen zich te verdringen in de supermarkt om zoveel mogelijk wc-papier binnen te slepen. Rare tijden. En in die tijden lezen wij: Job. Als je zo rondkijkt op de sociale media, zie je dat allerlei mensen in deze tijd grijpen naar het boek Job. Naar de man die alles had, en alles verloor. Of dat terecht is, dat grijpen naar Job nu, dat zal ik nu terzijde laten, maar Job 28: ja, dat lijkt me in ieder geval een goede vindplaats vandaag. De wijsheid, wie zal haar vinden?

III.

Wijsheid betekent in de bijbel meestal: levenswijsheid. Praktische levenswijsheid. Wat moet ik doen in deze situatie? Welke keuze moet ik maken in deze situatie? Je bent dus wijs volgens de bijbel als je dat kunt, als je in elke situatie de juiste keuze kunt maken, het goede kunt kiezen.

Maar hier in Job 28 is het anders. Hier heeft wijsheid ook te maken met doorgronden, begrijpen. En meestal willen we begrijpen omdat we willen beheersen. Als dat bedoelt is, dan zouden wij het woord wijsheid in onze tijd eerder vertalen met filosofie of wetenschap of techniek. Daarmee begrijpen wij en zo beheersen wij. En daar zijn we ontzettend goed in geworden. Heel goed.

En het lijkt wel dat hoe beter we worden in dat begrijpen en beheersen, hoe banger we zijn om een keer iets níet te doorgronden en te beheersen. Dat er nog een virus kan opduiken waar we niet zo snel een vaccin tegen hebben. Dat ontregelt. Het ontregelt onze economische wereld, onze welvaart, ons systeem, dat hele grote systeem dat we samen in stand houden. Het ontregelt onze door ons beheerste wereld.

En dat kwetst ons, dat ergert ons geweldig. Dat we zoiets als een vaccin tegen Corona niet even kunnen kopen. We kunnen toch alles kopen? Dat zijn we toch gewend? Job zegt het hier ook van de wijsheid, letterlijk: ‘we kunnen haar niet kopen’. Zelfs 2,5 duizend jaar geleden had men daar dus al last van, vooral de rijken, waar Job zelf toe behoorde voor zijn grote val; hoeveel te meer dan in onze tijd.

IV.

De wijsheid, wie zal haar vinden? Dat is de vraag waar we nu ook mee zitten, omdat we nu iets niet beheersen en begrijpen. Omdat we op zoek zijn.

En nu voelen we iets, dat eigenlijk steeds al bij ons leven hoorde. Ook in al onze veel zekerder tijden. Alleen toen konden we het makkelijker verdringen. Het leven, het mensenleven ís zoeken, graven. Het is ten diepste: het zoeken naar wijsheid, naar doorgronden van de betekenis van onszelf in deze eindeloze kosmos.

Dat spiegelt zich al in ons dagelijks leven. In het onderwijs en de wetenschap. Dat is één groot leren, zoeken, vragen, antwoorden, verder zoeken. Het spiegelt zich ook in ons werk, dat tegenwoordig ook is: blijven leren. Levenslang leren, van cursus naar cursus. We willen begrijpen.

Dat betekent ook: we zoeken de zin van alles. Ten diepste zoeken we niet heel veel dingen. We doen wel veel, we ontdekken veel, maar we zoeken ten diepste maar één ding: wijsheid, betekenis, bedoeling van onszelf, van ons bestaan. We willen niet alleen praktisch weten wat we moeten kiezen, we willen zelfs niet alleen beheersen, we willen ook begrijpen waarom we hier zijn, waartoe wij op aarde zijn, wat de zin is van dit alles, waar wij vandaan komen, waar wij naartoe gaan.

Als je dat niet weet, dan wordt je uiteindelijk gek. Zelfs als je alles beheerst, maar niet weet waarom of waartoe, dan wordt je gek. Daarom kunnen wij het niet laten, dat zoeken, naar vaste grond, naar zin en doel. “Zonder de wijsheid zijn we niet dom, maar worden we gek” (Willem Barnard).

V.

Ik vond mijn aardrijkskunde-schriftje terug van de brugklas. “Het heelal bestaat uit ongeveer 100 miljard sterrenstelsels. Eén daarvan is onze melkweg. Onze melkweg heeft ongeveer 100 miljard sterren. Al die sterren hebben planeten. En één van die sterren is onze zon.”

Ik schreef dat toen op alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. De leraar zei het voor, ik schreef het op. Als ik het nu weer zou opschrijven, zou ik er een poppetje onder tekenen, dat rondjes draait, duizelt. Het moet ons toch duizelen, de wereld? Wij schieten met een raket de lucht in, en we speuren op de bodem van de oceaan, omdat we uiteindelijk dat ene zoeken: wijsheid.

VI.

En nu is onze grote frustratie, dat wij bij alles wat wij vinden toch dat ene niet vinden. Wijsheid. Daarover gaat het in Job 28. Het wordt tijd dat ik even wat uitleg over dat hoofdstuk en de plek die het heeft in dit bijbelboek.

De bedoeling van het boek Job is dat wij leren omgaan met wat wij niet beheersen en bevatten kunnen. En het summum daarvan is het onbegrepen lijden, het lijden zonder oorzaak, zonder reden. Daarom treffen wij Job aan, de gelukkigste mens aller tijden, een soort combinatie van Dagobert Duck en Guus Geluk, en ook nog de vroomheid van vader Abraham erbij, alles, alles heeft Job. Tot hij alles verliest. En dan opent hij zijn mond met klachten. En dan ontstaan de debatten. Debatten die duren van hoofdstuk 3 tot en met 27. Zó lang zijn de vier kameraden of nep-kameraden op zoek naar wijsheid, doorgronding van het leven en speciaal: doorgronding van het lijden. Waarom moeten wij lijden?

En als ze dan bijna uitgesproken zijn, gaat Job in gedachten een soort werkbezoek brengen bij de werkers van zijn tijd, bij het uiterste vermogen van de mensen toen. Dat was toen de mijnbouw. We verdwijnen onder de grond. Het is onvoorstelbaar wat daar allemaal kan. Mensen bouwen ónder de grond, onvoorstelbaar. En daar vínden ze ook nog van alles, edel gesteente, goud en wat niet al. Dat was toen het summum van menselijk vermogen. In onze tijd zou Job naar de ontdekker van het DNA gegaan zijn, of naar de eerste mens die op de maan wandelde. Want daar zien we in onze tijd het vermogen van de mens. Dat was toen dus de mijnbouw.

We ontmoeten hier dus de mens van Psalm 8. “Alles hebt gij onder zijn voeten gelegd.” De mens die verder is dan de dieren. Van de dieren wordt hier expliciet gezegd: zij vinden de weg onder de grond níet. Er worden hier zelfs dingen over de mens gezegd die elders in de bijbel van Gód worden gezegd: hij woelt de bergen om, hij klieft de rotsen, hij brengt het verborgene aan het licht. Hier is de mens daar subject van, elders is dat God. Zo sterk geldt: hij is weinig minder dan een god gemaakt.

VII.

Totdat we stuiten op een grens. “Elke grens onderzoekt men” (vers 3), en toch blijkt áchter die grens weer een grens te liggen. En zo stuiten we steeds weer op een grens. Dat is in het klein al zo, bijvoorbeeld in je eigen werk. Je stelt jezelf een doel, een grens. Een target. En dan weer een target, en weer een target, en dan heb je dat gehaald, en dan is er weer een doel dat gehaald moet worden. Zo loop je steeds naar de grenzen en langs de grenzen. Ook die van je eigen kunnen. Daarom wordt je het ook een keer zat. Dan ga je over je grens, burnout. Of dan ben je blij dat je ermee mag uitscheiden, dat je met pensioen kunt. Dat je niet meer steeds naar de grenzen hoeft te gaan.

Dus: elke grens onderzoeken we, zo zijn wij geschapen, zo is het ook goed. Maar als je zoekt, dan stuit je ook op de grenzen. En zo stuit je uiteindelijk op deze grens: de wijsheid vind je níet. Zo eindigt Job zijn gesprekken: “Vrienden, we zijn uitgepraat.” Wij mensen komen er niet uit. Want in die hoofdstukken daarvoor is alle wijsheid van het oude oosten verzameld. Ook al onze wijsheid eigenlijk. Voor ons allemaal, voor alle tijden concludeert Job: uiteindelijk komen we er niet uit.

VIII.

Maar toch, zegt Job, ben ik wel iets verder gekomen. Want: onder de levenden wordt de wijsheid niet gevonden, máár: “Het verderf en de dood zeggen: Met onze oren hebben wij een gerucht over haar gehoord.” (v 22) Hij kwam er dichterbij, bij de bedoeling, de doorgronding, toen hij… op een mestvaalt kwam te zitten en dichter bij de dood kwam. Dat is een wijsheid die je op een andere manier ook bij de Prediker vindt, die liever naar een begrafenis gaat dan naar kermis.

Er is een mooi boekje van prof. Gerrit de Kruijf, dat heet ‘De dood van dichterbij’. Daar merk je het ook: als je dichter bij de dood komt, kom je dichter bij de wijsheid.

Ik moet daarbij ook denken aan een gedicht van Jacqueline van der Waals met de titel “Sinds ik het weet…” Ze bedoelt daarmee: sinds ik weet dat ik ongeneeslijk ziek ben. Want Jacqueline van der Waals was ongeneeslijk ziek en heeft daarna haar mooiste gedichten gemaakt. Ze schrijft:

“Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,

De schoonheid en de zoetheid aller dingen,

Die mij alom omgeuren en omringen,

Nog wèl zoo liefelijk en wèl zoo zoet,

 

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer

Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,

Het is of ieder zintuig en vermogen

Nog fijner werd en scherper dan weleer,

 

Sinds ik het weet, treed ik, wien ik ontmoet,

Den vreemden en den vrienden op mijn wegen,

Ontroerder en vertrouwelijker tegen,

En ‘k groet ze met een vriendelijker groet,

 

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij

En vaak, in d’ernst van ’t aardsche spel verloren,

Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,

Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.”

Van der Waals herkent zich dus in Job, in deze waarheid: het lijden en de dood, díe hebben, tégen al onze verwachting in, een eerste gerucht van de wijsheid vernomen. Dat is Jobs ervaring, dat je vanaf de mestvaalt béter ziet. Niet dat je meer ziet, maar je gaat anders kijken naar alles wat je daarvoor ook al zag. De dingen krijgen meer betekenis voor je. Je komt er meer open voor te staan, want je harnassen worden van je afgenomen. De dikke beschermlaag om je ziel, je hart, je leven, waarmee je je verdedigt en afzet en denkt dat je wat bent. En zo wordt je rijper voor God.

Niet dat je meer te weten komt, maar je richting van denken en spreken wordt anders. Dat is in het boek Job heel opvallend: terwijl de vrienden alleen maar óver God spreken, spreekt Job tót God. Dat is wat het lijden met hem doet, en daarin groeit hij dan toch iets dichter naar de wijsheid toe.

Moet je daarvoor eerst ongeneeslijk ziek zijn? Ik hoop het niet. Ik dénk het ook niet. Want: zo is ons aller leven nu al eigenlijk, dat het dicht bij de dood is. Wij kunnen uiteindelijk niet voor onszelf en ons bestaan zorgen. Waarom zou je wachten met die kennis tot je hét ook weet, tot je ook zo’n bericht hebt gehad als Job en Van der Waals? Waarom zou je wachten tot je Corona krijgt? Je kunt het nú al weten, dat je eindig bent, en daarom kun je nú al leven met de God die oneindig groter is

“Sinds ik het weet, is God mij meer nabij

En vaak, in d’ernst van ’t aardsche spel verloren,

Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,

Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.”

IX.

Wat betekent dat voor Corona? Wel, dat virus mogen we bestrijden, uiteraard. Dat moeten we ook. En het is te hopen dat we het snel indammen. Maar we moeten het, tegelijk, óók aanvaarden als een teken van boven dat wij altijd mensen zullen blijven, stervelingen zoals we hier genoemd worden (v. 13), die nooit alles zullen kunnen beheersen. Die in de begrénsdheid hun geluk moeten zien te vinden.

Er is een geschiedenis bekend van Luther, toen de pest in Wittenberg aankwam. Toen kreeg Luther een brief van een vriend, die schreef: “Luther, ik waarschuw je, de pest komt eraan! Wegwezen daar!” En Luther schreef terug: “Alsof Maarten Luther voor de Here God zo belangrijk is. Ik blijf hier, ik blijf op mijn post.”

Zo’n reactie van Luther komt ons anno 2020 allemaal, christen of niet, heel vreemd over. Bizar. En ja, het heeft iets vreemds. En toch, en toch… Hoe extreem het ook is, er zit ook iets in van het echt aanvaarden van de geschapenheid, de begrensdheid van je leven.

Wij bidden dus vandaag, straks, ook tégen Corona, want God is er ook tegen, dat mogen we gerust weten, Hij is tegen alles wat niet in overeenstemming is met het rijk van de shalom, Hij is tegen de mestvaalt en daarom gaat Hij Job er ook af halen. Maar dat eraf halen, wat met Job gebeurd in hoofdstuk 42, dat is voor ons de opstanding der doden. En ieder die wil opstaan, moet eerst sterven. “Alleen waar graven zijn, zijn opstandingen.” (Nietzsche)

Laten we dus niet bidden dat ons aardse leven een paradijsje mag zijn. Laten wij bidden dat we hier, buíten het paradijs, toch mogen léven, in vertrouwen dat God ook buiten het paradijs is. Hij heeft ons achtervolgd, toen wij het paradijs verlieten, en Hij achtervolgt ons nog.

X.

Dus? Blijft het erbij dat wij de wijsheid nooit zullen vinden? Inderdaad, díe wijsheid van het doorgronden, van alles, en speciaal van het boze, het lijden, die wijsheid zullen wij nooit vinden. Alléén God kent de plaats van de wijsheid (v 23), máár: tegen ons heeft Hij gezegd: de vreze des Heeren, dat is voor júllie wijsheid, je afkeren van het kwade, dat is jullie inzicht (v 28).

Door zijn woord, Thora, Weisung, onderricht, is er toch een leven voor ons. Dat is het, waardoor wij op onze manier toch goed en kwaad leren kennen. Waar een plek licht geschapen wordt. Het woord doet dat.

Dát woord, het woord van God dat ons een weg wijst, dat is niet ver weg, onachterhaalbaar, onvindbaar, néé. Dat staat er heel mooi in Deuteronomium 30, aan het einde van de Torah.

“Dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet de hemel, zodat u zou kunnen zeggen: wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat u zou kunnen zeggen: wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en het ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? Wat dit woord, deze wijsheid, is heel dichtbij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.”

Dat is de lichte plek waarin wij mogen leven.

XI.

In het midden van die lichte plek zit Job op de mestvaalt. Want hij is er met zijn lijden toch het dichtste bij gekomen, bij de wijsheid. En naast Job op zijn mestvaalt zit Christus. Job en Christus kennen elkaar, omdat zij beide rechtvaardigen zijn die onrechtvaardig moesten lijden. Job verwijst naar Christus en Christus zet Job in de schijnwerpers. Heb je geen acht geslagen op mijn knecht Job, vraagt Hij? Hij heeft het gezien. Mooi is dat, als Christus zo over je denkt, dat hij tegen de Satan zegt: heb je Marie ook gezien, en Martin, die hebben mij lief, om niet. Niet omdat ze daarmee alles verkrijgen, ook niet omdat ze daarmee alles begrijpen, maar zij hebben mij lief om niet. Zij hebben gezien dat het té moeilijk is om de zin van alles te doorgronden, maar zij hebben ook gehoord dat het níet te moeilijk is om Mijn woord te horen én te doen.

Onze plaats is daar, bij Job en bij Christus, onder de alwetende God, maar met het woord, met het onderwijs, hoe te leven in een wereld die van dit alles niets begrijpt… Maar wij mogen Hem kennen door het geloof. Christus is van God geworden tot wijsheid, zegt de apostel. De dwaasheid van de mestvaalt, de dwaasheid van het kruis is onze wijsheid, zij is de Alpha en de Omega van alles wat je kunt weten. Daartussen staat nog een heleboel, zoals tussen de Alpha en de Omega ook nog heel veel staat, alle andere letters van het alfabeth, maar uiteindelijk kom je altijd weer bij Hem uit. Hij is onze grens. En aan die grens worden je vragen niet opgelost, maar je wordt toch opgetild, krijg je geen antwoorden, maar wel een woord om echt te léven.

AMEN

Christen zijn en het streven naar geluk

DOMWEG GELUKKIG. CHRISTEN ZIJN EN HET STREVEN NAAR GELUK

Navigators Leiden, 30 januari 2020 (lange versie)

Willem Maarten Dekker

 

BESTE STUDENTEN

Wat leuk dat ik vanavond voor jullie mag spreken. Toen ik gevraagd werd om iets te zeggen over “christen zijn en het streven naar geluk” dacht ik: ja, ik snap wel dat dat voor jullie een belangrijk thema is. Jullie studeren in een tijd en een cultuur waar de individuele jacht op het individuele gekuk sterker is dan ooit. Bovendien zitten jullie in de levensfase waarin dat het sterkst op je af komt. Je grote keuzes heb je nog niet gemaakt, veel ligt nog open, maar de tijd begint wel te dringen, dat je die keuzes gaat maken. En die keuzes zullen veel invloed hebben op hoe de rest van je leven eruit zal zien. Het kan dan best beklemmend zijn, dat je overal, en vooral van je eigen keuzes, gelukkig van lijkt te moeten worden. Je ziet om je heen natuurlijk ook mensen die daar in “falen”, die de verkeerde keuzes maken of de stress van het kiezen en de jacht op het geluk niet aankunnen.

Hoe zit dat nou? Moeten we als christen streven naar geluk? En wat is geluk dan eigenlijk? En wat heeft de Bijbel ons hierover te leren?

BRUCKNER EN DE WACHTER

“Gij zult gelukkig zijn!” Zo heet een boek van de Franse filosoof Pascal Bruckner. Hij ziet dat als het elfde of liever als het enige gebod van onze westerse cultuur. Onze cultuur heeft nauwelijks nog morele geboden (wel veel juridische wetten…), maar dit éne is alomtegenwoordig: zorg dat je gelukkig wordt! De focus op gelukkig worden en gelukkig zijn heeft volgens hem haast religieuze trekjes gekregen. Het is een soort cultus, met volgens hem de nodige nadelen. Want waar een gebod is, daar is ook gebodsovertreding, falen. Zo voelt in de westerse cultuur iedereen schaamte en zelfs schuld, als hij of zij niet gelukkig is. En zo creëren wij met ons geluksgebod juist ongeluk. Om echt vrij te zijn moeten we dus zeggen: er bestaat ook een recht om ongelukkig te zijn.

Vergelijkbare geluiden kun je tegenwoordig horen van de alomtegenwoordige psychiater Dirk de Wachter: je hebt ook het recht om ongelukkig te zijn. Dat ontspant, stelt hij. We kunnen alleen gelukkig worden als we het streven naar geluk loslaten.

ONDERZOEK

Pascal Bruckner en Dirk de Wachter gaan ondertussen in tegen een cultuur die toch nog heel dominant is. De laatste tijd is geluk iets geworden dat we niet alleen individueel nastreven, maar dat zelfs gemeten wordt, zodat er beleid op gemaakt kan worden. Nieuw onderzoek van het CBS toont aan dat 90 % van de Nederlanders zich gelukkig voelt. Waarbij anderen zich dan weer afvragen hoe het kan dat het Malieveld steeds vol demonstranten staat, en hoe het kan dat half Nederland antidepressiva slikt… Onderzoek naar geluk is niet zo makkelijk, want wat is eigenlijk geluk en hoe kun je dat meten?

Maar volgens het recent verschenen ‘World Happiness Report 2017’ staat ons land op de zesde plaats van gelukkigste landen van de wereld. Leuk, maar zesde, dat betekent ook: het kán dus nog gelukkiger. We zijn nog steeds een beetje ongelukkig, want we staan niet op nummer 1. En nummer 1 is ook een beetje ongelukkig, want die vraagt zich af of hij volgend jaar nog wel op nummer 1, en wat hij moet doen om nr 1 te blijven. En dus zijn landen nu bezig om “ministers voor geluk” te creëren. Ik begreep dat er in de Verenigde Arabische Emiraten al een minister van happiness bestaat. En ook in Nederland leest de overheid zo’n rapport over geluk uiterst serieus, en stemt er haar beleid op af. Want we moeten en zullen gelukkig zijn.

EEN MENSENRECHT

En is dat, ondanks Bruckner en De Wachter, niet ook heel logisch? Zit het niet in ons ingebakken, om te streven naar geluk? “The pursuit of happiness” is toch iets algemeen menselijks? Het staat zelfs als een récht in de Amerikaanse grondwet. In de Declaration of Independance van Thomas Jefferson staat wordt dat bovendien uitdrukkelijk verbonden met God. God heeft de mens bepaalde onvervreemdbare rechten verleend, en één daarvan is: “the pursuit of happiness”!

Jefferson zou het antwoord op de vraag van vanavond dus helemaal niet moeilijk vinden. Natuurlijk gaan christen zijn en streven naar geluk perfect samen, want God heeft dat streven naar geluk zelf in ons ingeschapen! En daarom is het ons individuele récht! Maar dat betekent dan in Amerika ook al gauw: niemand heeft het recht ons dat recht te ontzeggen, of dat recht in te perken. Je kunt je van hier uit wel voorstellen dat het Amerikaanse christendom zich helemaal heeft kunnen verzusteren met kapitalisme en individueel liberalisme. En: Trump en de zijnen – zijn die dan niet de wrange vrucht van dit christendom? Zien we nu, met de uitbuiting van het milieu, met de kloof tussen arm en rijk, niet waar dit Amerikaanse christendom op uit loopt? Je gaat de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant dan wel begrijpen, die zei: een mens moet niet leven vanuit zijn streven, zijn verlangen, maar vanuit plícht – en dus vanuit het gebod! Het individuele streven naar geluk kan alleen maar leiden tot egoïsme en werken met de ellebogen. Heeft hij niet een punt?

MEER DAN GELD EN BEZIT

Nou, Kant heeft in ieder geval een punt als je met “streven naar geluk” bedoelt: streven naar geld of bezit. Als je dat bedoelt, als je met geluk eigenlijk geld en bezit bedoelt, ja, dan zijn we snel klaar. Niet alleen vanwege Kant, maar ook vanuit het Nieuwe Testament. In het Oude Testament worden rijkdom en bezit nog wel eens als zegen van God beschouwd, maar in het Nieuwe Testament niet. Jezus en de apostelen zijn ongemeen snel klaar met zulk streven. Dat wordt zonder meer als zonde beschouwd, hoe vervelend dat voor ons westerlingen ook is.

We hebben dus in ieder geval een bredere definitie van geluk nodig dan het hebben van een hoeveelheid geld en bezittingen. Laten we beginnen met een algemene definitie die wel houdbaar is: “je bent gelukkig als je een leven leidt waarin je verlangens bevredigd zijn”. Die definitie roept echter nog wel een paar vragen op, die ik nog wil behandelen.

WAT VERLANGEN WIJ?

Als geluk te maken heeft met de bevrediging van verlangens, dan kun je dus pas iets over geluk zeggen als je eerst weet wat eigenlijk onze wensen en verlangens zijn. Als die voor iedereen verschillend zijn, dan kun je niks over geluk zeggen. Maar ik denk dat onze verlangens uiteindelijk grotendeels overeenstemmen, omdat we nu eenmaal allemaal mensen zijn. Laten we simpel beginnen. We hebben in ieder geval allemaal behoefte aan eten, kleding en een dak boven ons hoofd. Volgens Bertold Brecht is het zelfs zo, dat we ons daarna pas op andere zaken kunnen richten. Hij zegt: “Zuerst das Fressen, dann die Moral.”

Nou weet ik niet of dat laatste helemaal klopt. Naar mijn idee spreekt het evangelie dit tegen, want in het evangelie zie je dat mensen zelfs méér naar het Woord van Jezus verlangen dan naar deze primaire levensbehoeften. Op een gegeven moment heeft de schare al dríe dagen niet gegeten, omdat ze zo aan Jezus’ lippen hangen (Markus 8:2). Ze vergeten gewoon hun hongergevoel. Hetzelfde, tenminste een beetje hetzelfde kon mij gebeuren toen ik student was. Als ik hard studeerde voor een tentamen, en ik vond het nog leuk ook, dan kon ik die dag met één maaltijd toe in plaats van drie. En toen ik totaal verliefd was, vergat ik de tijd helemaal. Dus ik geef Brecht niet zomaar gelijk. Misschien zijn onze “primaire behoeften” wel heel andere behoeften dan die aan eten, kleding en onderdak.

Maar zelfs áls Brecht gelijk heeft, dan nog verlangen wij mensen méér dan geld en goed. En dat meerdere is ook het diepere. Eten, drinken en onderdak, en ook geld en bezit zijn hóóguit voorwaarden voor geluk, en niet het geluk zelf. Waarom niet? Omdat ze niet direct met ons als unieke persoon te maken hebben. Op het niveau van eten, drinken, slapen, seks hebben en dergelijke onderscheiden wij ons nog niet van de dieren. En daarom kunnen wij er als ménsen geen echt geluk in vinden. Geluk heeft altijd te maken met wie jíj als unieke persóón bent. Het echte geluk is nooit extrinsiek (iets dat niet echt in verband staat met jou als persoon), maar intrinsiek: geluk dat gegeven is met wie je bent en wat je doet.

Dus als je toevallig tandarts wilt worden, dan zul je als christen een betere reden moeten hebben dan dat je er goed mee verdient. Je zult op zijn minst echt van het vak moeten houden. Dat lijkt mij totaal onmogelijk… – maar ik heb nu een tandarts die zichtbaar heel veel van zijn vak houdt, die altijd met de nieuwste technieken bezig is en die nog steeds van het vullen van elk gaatje volgens mij een enorm geluksgevoel krijgt. Dus misschien kan het. Maar dan is die tandarts dus niet gelukkig door zijn salaris, maar doordat hij, hoe vreemd dat mij ook in de oren klinkt, veel van zijn werk houdt, doordat het werk is dat echt bij hem past, dat hij dus ook als zijn persoonlijke roeping kan zien. (Niet alleen dominees zijn geroepen. De woorden ‘roeping’ en ‘beroep’ stammen beide van het werkwoord ‘roepen’. Elk beroep is bedoeld als: antwoord op een geroepen worden, antwoord op een roeping. Alleen dan kun je er geluk in vinden. Alleen dan kun je het zien als uitdrukking van Gods wil over je leven.)

JIJ BENT MIJN GELUK

Gelukkig ben je dus als je bent wie bent. Als je niet een ander hoeft te zijn dan die je bent. Als je dus een studie doet die echt bij jou past; als je werk hebt dat echt bij jou past. Dan kun je daarin voldoening vinden en dat is geluk.

Een tweede verlangen dat mij universeel menselijk lijkt, is het verlangen naar vriendschap en liefde, zodat je déélt in het geluk. Het hebben van spullen wordt al heel sneu, als je niemand hebt om het mee te delen. Altijd uit eten in een Michelin-sterren-restaurant is uiterst zielig, als je daar altijd in je eentje zit. Maar samen eten, daar word je altijd gelukkig van, al is het een eenvoudige maaltijd. In geluk moet je delen en laten delen, dan kun je het pas echt als geluk ervaren. Dat geldt zelfs voor studie en werk denk ik. In jullie studie heb je hopelijk ook af en toe Entdeckerfreude, zoals ik dat vaak had toen ik theologie studeerde. Maar dan moet je ook een ander hebben die diezelfde fascinatie deelt, en daardoor kan delen in die Entdeckerfreude. Je kunt eigenlijk niet in je eentje blij zijn met iets.

Daarom kunnen we in onze taal ook het woord geluk voor een persoon gebruiken. Het is goed Nederlands om te zeggen: “Jij bent mijn geluk.” Persoonlijke relaties maken gelukkig. De liefde maakt gelukkig. Ik bedoel dat niet zoet en zwoel persé, al is er ook niks mis met zoet en zwoel, maar ik bedoel het ook nuchter. De Bijbel is uitermate nuchter als het om de liefde gaat, zoals die van Adam en Eva in het paradijs. Adam alleen is niet gelukkig, ook al is hij in “het paradijs” met al dat moois om zich heen, en waar geen zonde is. Toch is hij midden in dat paradijs die ongelukkig, totdat hij iemand anders heeft zoals hij, Eva, die er is als hulp, en hij als haar hulp. (Er is dus minstens één kwaad dat dieper gaat dan de zonde, dat als het ware als mogelijkheid in de schepping zelf steekt: het alleen zijn.) Hij is van haar afhankelijk, en zij van hem. En dat is niet iets dat zij moeten overwinnen, nee, in die wederzijdse afhankelijkheid zijn zij gelukkig. Dat lijkt mij een grondfout in het westerse liberalisme, met zijn individuele streven naar geluk. Het suggereert dat mensen als individu gelukkig kunnen zijn. Maar dat kunnen we nooit. We kunnen alleen samen gelukkig zijn, in afhankelijkheid van elkaar.

We kunnen het meest gelukkig zijn in de relatie met die ene voor wie wij bestaan, en die voor ons bestaat. Die ene van wie je zegt: “jij bent mijn geluk” – en die tegen jou hetzelfde zegt. Maar vinden we die ene ook? Soms niet, soms even, soms voor het leven. Dat is de realiteit. Maar ook dit geluk is altijd: kwalitatief eindig. Zelfs als je die ander vindt voor altijd, dan nog zul je kwalitatief nooit volledig gelukkig worden in die relatie. Zelfs in de meest gelukkige relatie zul je niet altijd gelukkig en niet volmaakt gelukkig zijn. Hoe komt dat?

We kunnen nu naar de zonde stappen, als de grote boosdoener. Dat wil ik ook niet tegenspreken. De zonde bederft alles, niet alleen als daad, maar vooral als houding, als richting: als op-jezelf-gericht-zijn. In de liefde ga je streven naar het geluk van de ánder, meer nog dan naar het geluk van jezélf. En zonde is, dat wij dat niet kunnen, dat wij altijd meer gericht zijn op het geluk van onszelf dan op dat van de ander. En dat we juist daardoor steeds weer ongelukkig worden.

Met andere woorden: uiteíndelijk is het geluk hier op aarde niet te vinden. Dat heeft het christelijk geloof altijd verkondigd, of misschien moeten we zeggen: verondersteld. Wie zegt dat het ware geluk wél in het ondermaanse te vinden is, die kan eigenlijk niet religieus zijn. Religie heeft altijd te maken met het besef van de noodzaak van een ándere wereld, waar wij pas voluit tot ons doel komen.

Maar nu denk ik niet dat dat alleen met zonde te maken heeft. Het zit ook in de structuur van het streven zelf. Ik denk aan wat de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer in “Die Welt als Wille und Vorstellung” schrijft over het geluk. (Prachtig! Lezen!) Hij begint (net zoals ik gedaan heb) met de constatering dat geluk altijd te maken heeft wensen en verlangens. Deze wensen drukken een gemis uit. Geluk is dus altijd de opheffing van een gemis. En, gaat Schopenhauer, alleen zo heeft het geluk ook betekenis. Wij kunnen geluk alleen ervaren in contrast met gemis, ongeluk. Wij kunnen gemis en ellende direct ervaren, maar het geluk alleen indirect, via de herinnering aan het aan het geluk voorafgaande lijden. Daarom, zo Schopenhauer, roept elk nieuw geluk weer een nieuw gemis op. Want de stilstand in het geluk is het diepste ongeluk.

We zien dat inderdaad in de kunst, de vertellende kunst zoals de roman en de film. Als Odysseus eindelijk aangekomen is, is Homerus klaar, want dan valt er niks anders meer te vertellen dan verveling. Je kunt van het geluk geen kunst maken, omdat het niet zelfstandig bestaat. Elke romantische film eíndigt met de bruiloft, want “het bezit van de zaak is het eind van het vermaak”. Daarom zien we dat rijken nooit tevreden zijn met hun rijkdom, hoe enorm ook, maar altijd méér willen hebben. En daarom zijn we ook nooit volmaakt gelukkig in een liedesrelatie, omdat we altijd streven naar méér en alleen zo gelukkig kunnen zijn – en tégelijk zo gedoemd zijn tot ongeluk.

Ik denk dat dit de reden is dat veel mensen de eeuwigheid ook helemaal niet aantrekkelijk vinden. Zij krijgen er op zijn best slaperige neigingen van, maar eerder nog geeft het idee aan eeuwigheid hen de smaak van verveling. Geluk als toestand, als duur, kunnen wij ons niet voorstellen, omdat zij niet overeenstemt met de aard van ons aardse, relatieve geluk, dat altijd het contrast van en de overwinning op het gemis is, en nieuw gemis creëert. Wij moderne mensen hebben dus ook het verlangen naar de hemel grotendeels verloren, omdat wij ons die niet meer als plaats van echt geluk denken kunnen. (Om deze reden zegt de Hervormde theoloog Hendrikus Berkhof dat er ook in de eeuwigheid een vorm van geschiedenis moet zijn.) Dat was voor de middeleeuwen anders. De kerk omschreef het eeuwige geluk als “het zien van God”. Het eeuwige leven, het definitieve geluk, is dat wij God zullen zien, van aangezicht tot aangezicht.

Om wat losser te komen van ons streven naar aards geluk – we moeten er niet los van komen, maar het wel relativeren – moeten we ons bij deze heerlijkheid in ieder geval weer iets kunnen voorstellen. En kunnen we dat echt niet? Ik denk dan niet aan Berkhofs suggestie, dat er ook in de eeuwigheid geschiedenis is, omdat we dan ook de problemen die kleven aan geschiedenis (tekort, gemis, wording, vergaan) meenemen de eeuwigheid in. Ik denk aan de ervaring van “verdrinken” in de ogen van je geliefde. In die ervaring vallen tijd en ruimte eventjes weg – ik ga ervan uit dat ieder die hartstochtelijk verliefd is of dat is geweest, dat herkent. Bovendien is deze gelukservaring hoogst persoonlijk. Om deze twee redenen is deze aardse gelukservaring mijns inziens de beste analogie van het geluk van het eeuwige leven. In zoverre zouden ook niet-gelovigen moeten kunnen begrijpen met wat christenen bedoelen als zij van God zeggen: “Hij is mijn geluk.” Zoals het bijvoorbeeld staat in Psalm 16: “Ik zeg tot de HEER: “U bent mijn Heer, mijn geluk, niemand gaat u te boven.” (Psalm 16:2, NBV) Op dat moment “verdrinkt” de dichter in Gods ogen.

NIEUWE CATECHISMUS

Als je dít bedoelt met geluk: intrinsiek geluk, dat je ervaart in studie of werk dat bij je past en in vriendschap en liefde waarin je jezelf bent, en dat op aarde altijd onvolmaakt geluk zal blijven – dán lijkt streven naar zulk geluk mij helemaal verenigbaar met christelijk geloof. Want zo heeft God het aardse leven inderdaad bedoeld. Het feit dat wij op aarde altijd slechts ten dele gelukkig zijn, kan niet betekenen dat wij niet naar dit “ten dele” mogen streven. En hoe legitiem Schopenhauers sombere excursen over de onmogelijkheid van geluk ook zijn – dat betoog mag er niet toe leiden dat we denken dat het niets uitmaakt, alsof ieder op aarde even ongelukkig is. En wij moeten ook niet als christenen te gemakzuchtig alle geluk naar een hiernamaals verplaatsen. Juist in onze tijd zullen we ook moeten uitleggen dat geloven je ook hier op aarde “gelukkig” maakt.

Daarom snap ik ook best dat er christenen zijn die proberen het woord “geluk” een centrale plek te geven in het christelijk geloof. Je ziet dat sowieso al aan de verschillende Bijbelvertalingen. In de Herziene Statenvertaling komt het woord “geluk” of “gelukkig” maar 15 keer voor, maar in de Nieuwe Bijbelvertaling: 145 keer, en in de Bijbel in Gewone Taal: 244 keer. (Dus als je gelukkig wilt worden, weet je nu welke Bijbelvertaling je moet kiezen!) We zien een opkomst van het woord geluk dus, en dat heeft uiteraard iets met onze samenleving te maken, waarin het streven naar geluk zo belangrijk is geworden. Tegelijk is die opkomst van het woord “geluk” dus ook riskant, omdat het een woord is, waar mensen makkelijk verschillende betekenissen aan geven. In de NBV staat nu ook bij de “zaligsprekingen”: “gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig de treurenden, gelukkig de zachtmoedigen, enz.” (Mattheüs 5:1-12) De “zaligsprekingen” zijn dus “gelukkig-sprekingen” geworden. En daarmee is het onderscheid tussen het geluk dat het evangelie bedoelt, en het geluk dat wij van nature zo noemen, verdwenen. Dat is zowel winst als verlies.

Ik denk in dit verband ook aan de vorig jaar verschenen “Gewone Catechismus”. Het woord catechismus ken je misschien van de Heidelbergse catechismus, het leerboekje uit de tijd van de Reformatie dat in sommige kerken nog steeds wordt gebruikt. In 129 vragen en antwoorden wordt daar het christelijk geloof behandelt. De nieuwe catechismus, “gewone catechismus” genaamd, doet het in 100 vragen en antwoorden.

En deze catechismus kiest als kernwoord “geluk”. De eerste vraag luidt: “Waarin vind jij je geluk?” De tweede vraag: “Ga jij niet zelf over je geluk?” Vraag 3: “Zoekt ieder mens dan niet zelf het geluk?” Vraag 12: “Hoe word je als gedoopte een gelukkig mens?” Vraag 50: “Hoe maakt Jezus Christus jou gelukkig?” Vraag 65: “Hoe kunnen Gods geboden je gelukkig maken?” Vraag 83: “Hoe maakt de Geest je gelukkig?” Met andere woorden: het grondidee van deze catechismus is dat het geloof je écht gelukkig maakt.

Wat zullen we daarvan zeggen? Wel, één ding vind ik er in ieder geval goed aan, en dat is dat in het antwoord op de eerste vraag een belangrijke omkering plaatsvindt. De eerste vraag luidt zoals gezegd: “Waarin vind jij je geluk?” En het antwoord luidt dan: “Mijn geluk is dat Jezus Christus mij gevonden heeft.” Daarin vindt een uiterst belangrijke subjectwisseling plaats. Mijn geluk is niet dat ik dit of dat gedaan heb of bereikt heb. Mijn geluk is dat Híj. Mijn geluk is dus ook niet dat ík zo goed ben om te geloven, maar dat God het geloof in mij wekt.

Dat is een heel belangrijke subjectwisseling omdat dit het geluk in zekere zin buiten onze verantwoordelijkheid plaatst. Ik kan mijn eigen geluk niet maken en daarom ben ik ook niet schuldig aan mijn eigen ongeluk. Want de kritiek van Bruckner op het geluksstreven in onze cultuur lijkt mij op dit punt geheel terecht. Als wij verantwoordelijk worden voor ons eigen geluk, dan zorgen we uiteindelijk alleen maar voor de toename van schaamte en schuld, en daarmee creëren we juist ongeluk.

Maar misschien nog belangrijker: die subjectwisseling is ook helemaal in overeenstemming met onze algemene menselijke ervaring, ook op andere terreinen dan die van het geloof. In de term “streven naar geluk” wordt gesuggereerd dat geluk maakbaar is. Wij kunnen alleen naar iets streven, als het ook binnen ons bereik ligt. In die zin kunnen we alleen streven naar geluk, als het geluk maakbaar is. Maar stemt dat wel overeen met onze ervaring? Is geluk niet veel meer iets dat over je komt, dan iets dat je kunt organiseren? Zit er niet iets ongrijpbaars in geluk, iets dat zich aan onze greep onttrekt? Ik denk dat veel mensen dat zullen beamen: geluk maak je niet, geluk overkomt je. En daarom is het juist zo mooi. Het kan je zomaar overkomen, ook in omstandigheden waarin je het niet verwacht.

Als student hield ik veel van de poëzie van J.C. Bloem. Net als Schopenhauer is Bloem niet bepaald een grote optimist. Toch heeft hij ook mooie dingen over gelukservaringen geschreven. Dat gaat vaak samen: de meest sombere schrijvers zijn de enige die echt weten wat geluk is. Dat is in de Bijbel al zo: de mooiste teksten over geluk vind je in het filosofische, sombere boek van de Prediker. Dat is ook nu nog zo.

Het beroemdste gedicht van Bloem kent iedereen, “De Dapperstraat”:

“Natuur is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant,

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

 

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,

D’ in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

 

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,

Verregend, op een miezerigen morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.”

 

Volgens Bloem toont het leven zijn wonderen opeens, onverwacht. En als dát gebeurt, dan ben plotseling “domweg gelukkig”. Dat kan overal, zelfs verregend, en op een miezerige morgen, in een onooglijke straat van de stad. Dit gedicht is een prachtige uitdrukking van de ervaring dat geluk je overkómt.

 

Dat zit ook in een andere betekenis van het woord “geluk”, die Van Dale geeft. We kunnen ook zeggen: “Hij of zij had geluk.” En dan bedoelen we: hij had mazzel. Geluk is dan voorspoed die je zónder eigen toedoen overkomt. Hij had het niet verdiend of bewerkt, maar alles zat mee.

Die kant zit ook aan alle echte geluk. Het is niet altijd zo dat de beste de hoogste positie krijgt, aan de universiteit, in het bedrijfsleven, in de politiek of waar dan ook. Het is vaak zo dat je net op het juiste moment op de juiste plek bent, dat er net op dat moment iemand is die je verder helpt. We zeggen dan ook wel: “stom geluk”. Dat doet denken aan Fortuna, de Romeinse godin die werd vereerd en wier naam “geluk” betekent. Zij wordt voorgesteld met een blinddoek, dat wil zeggen, zij deelt het geluk “random” uit. De een heeft pech, de ander geluk.

BEREIKEN WIJ HET GELUK IN DIT ONDERMAANSE?

We zagen (met Schopenhauer) al dat je geluk nooit kunt vasthouden, omdat het bezit ervan verveling en dus niet gemis oproept. Maar hetzelfde geldt ook omdat geluk niet in je eigen hand ligt. Dat geldt al van die topsporter, of topwetenschapper, of top-wat-dan-ook, wiens positie zomaar voorbij kan zijn. Maar het geldt voor alle geluk. Daarom zegt Schopenhauer ook terecht, dat de gelukservaring altijd iets is van ogenblikken, van momenten.

Aan dit niet-maakbare en niet-duurzame van het geluk zit een bittere kant aan, omdat het niet altijd rechtvaardig is of rechtvaardig voelt en omdat het verlies van geluk ook altijd met verdriet gepaard gaat. Maar er zit ook een mooie kant aan, namelijk dat het overeenstemt met de ervaring dat je je geluk niet aan jezelf te danken hebt. Zo is het in de liefde. Echte liefde is altijd veel meer iets dat je overkomt, dan iets dat je maakt.

En zo is het dan ook in het geloof. Je krijgt het geluk van God, op momenten, in flitsen. Niet alleen het leven, maar ook God toont zijn wonderen opeens, onverwacht, als geschenk. Ook het geloof is primair iets dat je overkomt. Het grootste is niet dat wij God vinden, maar dat God ons gevonden heeft en nog steeds vindt. Daar ligt de basis van een gelukkig leven.

GELUK EN TROOST

En tóch, aan het einde, nog één vraag. Of misschien moet ik zeggen: nóg een vraag. En die komt bij mij op als ik die eerste vraag van de Gewone Catechismus van 2019 vergelijk met de eerste vraag van de Heidelberger catechismus. Daar luidt de eerste vraag niet: “Waarin vind jij je geluk?”, maar: “Wat is je enige troost in leven en in sterven?” We moeten daar het woord “troost” niet verkeerd begrijpen. Het heeft niet zozeer te maken met verdriet of emotionaliteit. Het betekent zoiets als “houvast”. Volgens de Heidelberger hebben wij niet allereerst geluk nodig, maar houvast, en wel in leven en sterven. Je hoort daar als het goed is de pest en de brandstapels op de achtergrond, want in die tijd werd het boekje geschreven. In de tijd van een voortdurend dreigende dood.

Onze tijd is anders. Geen pest en brandstapels, maar welvaart, overal om ons heen. Het is logisch dat in zo’n samenleving de vraag naar geluk sterker is dan die naar houvast. Toch is het voor mij de vraag of de vraag naar existentieel houvast niet nog dieper bij onze menselijke natuur aansluit dan de vraag geluk. Meer nog dan gelukszoekers zijn wij denk ik troostzoekers. Dat komt omdat wij als gelukszoekers de ervaring hebben, ons in het geluk zo vaak te vergissen. Dan worden we alleen maar moe van dat streven naar geluk, zonder het definitief te vinden. Dan wordt het zoeken naar geluk een wet, zoals Bruckner zegt. En van elke wet, ook die wet, geldt wat Paulus ervan zegt: “de wet doodt”.

Christus is het einde van de wet. Ook het einde van het streven naar geluk als wet. Als je Christus vindt, wordt je bevrijd van elke wet. En dán, dan krijg je het geluk tóch nog, onverwachts, als geschenk.

Zo lees ik ook wat Jezus zegt in Mattheüs 6: “Zoek eerst het koninkrijk van God, en al het andere zal je erbij gegeven worden.” Het geluk, het áárdse geluk, hoort ook bij “al het andere”. Het is niet het enige geluk, het is het geluk dat altijd gepaard gaat met tekort, maar het is er wel. Want niet alleen de Verlosser maakt gelukkig, ook de Schepper doet dat al.

Dus: zoek God, en dan krijg je het aardse en dus onvolmaakte, maar toch echte geluk erbij. Als een toegift die God je gunt. Dan is dat aardse geluk ook iets waar je ongegeneerd, zonder schuld en schaamte en dankbaar van kunt en mag genieten. Want het blijft natuurlijk wel gewoon waar wat Hieronymus van Alphen zegt in een van zijn kindergedichtjes:

“Ik ben een kind / van God bemind / en tot geluk geschapen”

Rilke’s ‘Sonnetten aan Orpheus’

Deze bespreking wordt in verkorte vorm in ‘Liter’ gepubliceerd.

Rainer Maria Rilke, De sonnetten aan Orpheus, vertaald en van commentaar voorzien door Wessel ten Boom, Utrecht: uitgeverij IJzer 2019, 266 pag., € 25,- ISBN 9789086841820.

Ten Boom is emeritus predikant van de Protestantse kerk en heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Recent verscheen een bundel artikelen van zijn hand onder de titel ‘Leven in de waagschaal’ (Skandalon 2019). Daarin staan ook boeiende opstellen over literatoren als Vestdijk, Groenewegen en Nijhoff; en drie opstellen over Rilke. Hij is in zijn werk altijd bezig met de confrontatie van de openbaring en de moderne cultuur. Beleerd door Karl Barth blijft hij toch met Miskotte erkennen dat het heidense bloed in ons blijft stromen. Dat blijkt in het bijzonder in dit boek: een vertaling met commentaar van Rilkes ‘Sonnetten aan Orpheus’. Deze gedichten werden in 2016 nog in een nieuwe Nederlandse vertaling (van de hand van Bert Karel Schreurs) uitgebracht, maar toch zag uitgeverij IJzer er brood in om weer met een nieuwe vertaling te komen. Prettig is dat de Duitse en Nederlandse tekst naast elkaar staan afgedrukt, zodat de lezer goed mee kan denken. Ten Boom vertaalt naar mijn idee letterlijk waar het kan, en minder letterlijk waar het niet anders kan, of waar hij een mooie vondst gedaan heeft, zoals bij de frase ‘Ein für alle Male / ists Orpheus, wenn es singt’ (28). Blok en Jellema vertaalden daar “Want ten enenmale / is ’t Orpheus, in elk lied”, maar bij Ten Boom heet het “Want Orpheus’ snaar / is het die trilt in elk gezang” (29). Natuurlijk meestal is de vertaling meer letterlijk. “Aber noch ist uns das Dasein verzaubert; an hundert / Stellen ist es noch Ursprung. Ein Spielen von reinen / Kräften, die keiner berührt, der nicht kniet und bewundert.” Dit wordt bij Ten Boom: “Maar nog is voor ons het bestaan betoverd; op honderd / plaatsen nog oorsprong. Zuivere krachten spelen / een spel, waar niemand aan raakt die niet knielt en bewondert.” (92-93) Overigens vertaalt Ten Boom ‘Dasein’ hier met ‘bestaan’, terwijl hij het elders vertaalt met ‘daar-zijn’ (25), en aan deze zeer letterlijke vertaling ook zijn interpretatie verbindt (142). Als die interpretatie klopt, was concordant vertalen met ‘daar-zijn’ meer op zijn plaats geweest.

Deze uitgave heeft door het uitvoerige commentaar hoe dan ook veel toegevoegde waarde bij de Rilke-literatuur die al bestaat. Ten Boom becommentarieert elk van de 55 gedichten afzonderlijk en plaatst ze daarbij niet alleen in hun tijd en in de context van geheel Rilkes oeuvre, maar ook brengt hij Rilke in gesprek met filosofen en theologen.

De sonnetten aan Orpheus werden door de ‘late’ Rilke, in 1922, ‘aus einem Guss’ geschreven. Jaren van stilte gingen eraan vooraf. Toen hij weer schrijven kon, ervoer Rilke dat als een openbaring. Hij had een nieuwe toegang tot de werkelijkheid gevonden. Niet meer neoromantisch, niet meer christelijk en ook niet modern in de zin van Verlicht, overtuigd van de menselijke redelijke kracht. Maar vooral zoiets als ‘heidens’. Dat zit niet alleen in de vorm van deze sonnetten, die we blijkbaar moeten begrijpen als lof aan de Griekse god Orpheus, de kunstenaar die al musicerend zijn Euridice uit de onderwereld trachtte te halen – zonder succes. Leven, liefde, dood, offer en kunst zijn zijn thema’s. Rilke vertelt de mythe (die trouwens in verschillende varianten is overgeleverd, 151-154) niet na, maar refereert wel geregeld aan onderdelen ervan. Vooral verstaat hij Orpheus als goddelijke kracht die na en door zijn dood de hele werkelijkheid bezielt (28 e.a.). De mens die zich daarvoor open stelt, ervaart dit goddelijke, inspirerende in de wereld om hem heen. Goed heidens worden daarbij de grenzen tussen dier, mens en god vaag – zodat er niet meer sprake kan zijn van een nieuw horen naar een Stem buiten ons. Dit lijkt in het eerste gedicht wel zo te zijn, en Ten Boom ziet dan een parallel met Israëls geloof (20-21, 133vv); maar al snel blijkt de Stem tegelijk ons eigen innerlijk te zijn (133 e.a.). En de ene God vervalt weer in vele ‘Götter’ (32, 66 , 90, 120) met daar bovenop de schikgodinnen en het noodlot. Dit is een element dat tegenwoordig weer populair is, maar waar Ten Boom helaas niet afzonderlijk op ingaat: wat kunnen wij met de bejubelde terugkeer van het polytheïsme? Ik heb de indruk dat Ten Boom Rilke op dat punt nog sterk vanuit een christelijk, monotheïstisch kader leest.

Ten Boom vraagt dus niet alleen naar het hoe en waarom van deze poëzie, maar gaat ook met de auteur in gesprek over het wát. Deze typische ‘denkgedichten’ vragen daar ook om. Ten Boom ziet het (zowel Grieks- als Germaans-) heidense van Rilke (235 e.a.) en werkt dit vooral uit in een vergelijking tussen hem en Martin Heidegger (145-146, 148-150 e.a.), die openlijk de lof van de latere Rilke zong en in hem een zanger van het Zijn zag. Maar volgens Ten Boom is er bij Rilke meer aan de hand. Niet alleen had Rilke in tegenstelling tot Heidegger wél waardering voor het jodendom (al geeft hij er wel een typisch heidense interpretatie aan: het jodendom als een soort bloedverwantschap met Adonai, 182), maar hij is ook minder nostalgisch en zwaarmoedig. Er is meer geloof in het níeuwe, andere, dat niet persé samenvalt met het aloude. Ten Boom ziet ook verwantschap van Rilke met de vroege Karl Barth, die in zijn commentaar op de Romeinenbrief uit dezelfde periode (1919/1922) het ook verwachtte van een radicaal nieuwe, ‘ganz Andere’ God (144 e.a.). Hij maakt goed duidelijk dat zij in het afscheid van het traditionele christendom één zijn, maar kan niet verhullen dat zij in hun antwoord op de crisis heel verschillende wegen gaan. Het specifieke van de bijbelse God schittert bij Rilke door afwezigheid. Het gaat bij hem wel om het beleven van het goddelijke, maar niet om een persoonlijke verhouding tot een persoonlijke God, waarin dan ook schuld en verzoening een rol spelen. Dit ervaren van het goddelijke wordt dan ook door Rilke heel consequent uitgespeeld tegen geloven (brief uit 1921, geciteerd p. 181). Geen geloof in God, zijn Woord, zijn daden, máár ervaring van het goddelijke, binnen de grenzen van dit aardse bestaan. Daarmee is Rilke een vertolker van een tegenwoordig sterk aanwezig levensgevoel. Hij blijft, in de woorden van Miskotte de ‘lyricus die, mede door zijn denkkracht, ten volle vertolkt wat ons beweegt’ (159). Het is de verdienste van Ten Boom dat hij middels Rilke dit gesprek over heidendom en christendom voert – zonder daarbij Rilke de les te lezen. We krijgen het allemaal te lezen en zien zo het grote alternatief voor ons. Dat spreekt misschien het meest aan het slot, wanneer het steeds meer gaat over de dood. Bij Rilke oftewel bij Orpheus gaat het wel om nieuw leven, maar dan om cyclisch nieuw leven, zoals het in de natuur steeds weer lente wordt. Om opstanding uit de doden kan het niet gaan. Daarin is Rilke ons moderne mensen nabij, en daarin laat hij als in een negatief de uniciteit en de provocatie van het christelijk geloof zien. Wie weet dat deze bladzijden geschreven werden door een denker die zelf ernstig ziek is, krijgt de urgentie van dit alternatief nog meer voor ogen. Een uitgave die zowel voor liefhebbers van de (Duitse) literatuur als voor filosofen en theologen fascinerende en belangwekkende lectuur is.

 

Tranen, tranen (meditatie n.a.v. Jer. 9:1 en Rom. 12:15)

“Och, was mijn hoofd maar water en mijn oog een bron van tranen, ik zou dag en nacht wenen” (Jeremia 9:1)

“Ween met de wenenden” (Romeinen 12:15)

Waarom willen wij wel blij zijn met de blijden, maar vinden wij het zo moeilijk om te wenen met de wenenden? Of liever gezegd: wij willen niet eens blij zijn met de blijden. Het lukt ons niet, want dan komt er weer jalouzie en naijver doorheen: wat zij heeft, heb ik niet.

We willen hoogstens lachen met de lachers. “Als je lacht, lacht de wereld met je mee; maar als je huilt, huil je alleen” zegt een spreekwoord. Dat spreekwoord is ongeveer de hardste veroordeling van ons mensen die je je kunt indenken. Wij zijn alleen solidair aan de oppervlakte. In de diepte zijn we allemaal eenzaam.

Het evangelie wil ons dat allemaal afleren. Het leert ons blij te zijn met de blijden, de gezegenden, zonder jalouzie. De ander gunnend wat hij of zij ontvangt, beseffend dat wij niets hebben dat wij niet hebben ontvangen. Dan kom je van de lol in de vreugde, van de pret in de blijdschap, van de oppervlakte in de diepte, van de buitenkant in het hart. Het hart heeft veel vreugde, als het er maar ongegeneerd zou mogen zijn.

Het evangelie gaat nog verder als het van ons eist ook te wenen met de wenenden. Dat stuit ons tegen de borst. Al te vaak laten we de tranen van onszelf niet eens bij onszelf toe. Je verstopt het, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Tot het barst, ineens, en stroomt, en niet meer stopt. Dan pas kan je genezing beginnen.

Maar dan nog de tranen van de ander durven zien en daarin nabij durven zijn. De wenende niet alleen laten met zijn tranen, maar daarin er gewoon zijn, niet angstig en niet oordelend. Dat is wat God kan en ook doet. ‘God zal alle tranen van de ogen afwissen’. Dat betekent: bij elk van ons persoonlijk zal Hij dat doen, niet bij allen tegelijk, als met een grote tovertruc, maar als een pastor die je éérst laat huilen en dán alles wegveegt en zegt: ‘Nu is het weg, nu is het goed. Ga in tot de gezegenden van de Vader.’

Als wij dat niet kunnen leren van het evangelie, om zo de ander in haar of zijn tranen nabij te zijn, wat leren wij dan wel? Wat maakt het dan eigenlijk uit dat er een christelijke gemeente is? Wie schiet daar wat mee op? Niemand, als wij dit niet leren, steeds opnieuw. Zie de tranen van de ander niet als iets waar je met een boog omheen moet lopen, en ook niet als iets waar meteen een zakdoek bij moet, wat opgelost moet worden, maar als iets waardoor jij ook kunt leren huilen. Dat wil Jezus je leren: huilen. Eerst zelf bij God, en dan met de ander.

(Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/18, 7 juni 2019)

 

 

 

Kinderlijk, niet kinderachtig (meditatie n.a.v. Matth. 18:3 en 1 Kor. 14:20)

Kinderlijk, niet kinderachtig

“Als u niet wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk niet binnengaan.” (Mattheüs 18:3)

“Broeders word geen kinderen in het denken, maar word in het denken volwassen.” (1 Kor. 14:20)

De eerste tekst die hierboven staat, kan zich binnen de huidige christenheid in een enorme populariteit verheugen. En dat is terecht. Dat wij moeten worden als de kinderen, is de samenvatting van de wet, en dat wij het mogen en kunnen worden, is de samenvatting van het evangelie. Wie dit gevat heeft, heeft alles gevat. De hemel is hem opengegaan.

De tweede tekst is zeer impopulair. Zelfs veel getrouwe Bijbellezers weten niet dat hij ook in hun Bijbel staat. Terwijl wij ook de eerste tekst pas goed begrijpen als wij de tweede erbij nemen – en omgekeerd.

Beide teksten lijken op gespannen voet met elkaar te staan. Maar dat is slechts schijn. Dat zou alleen zo zijn als Jezus met het eerste woord ons verstand zou willen kortwieken. Jezus heeft echter gezegd: “U zult de Here uw God liefhebben met héél uw verstand.” Het geloof is niet een manier om je verstand uit te schakelen; het is de ultieme manier om je verstand voluit te gebruiken. Jezus heeft met de eerste tekst niet negatief over het verstand willen spreken, maar ons willen leren dat nederigheid, ontvankelijkheid en vertrouwen nodig zijn om God te vinden.

We kunnen beide teksten bijeen houden als we met de dichter P.A. de Génestet onderscheiden tussen kinderlijkheid en kinderachtigheid. Hij dichtte: “Vrees God, maar vriend, wees niet vreesachtig; wees kinderlijk, niet kinderachtig.”

Kinderlijk is een geloof dat ontvankelijk is voor wat God belooft; kinderachtig is een geloof dat niet over die beloften durft na te denken. Kinderlijk is een geloof dat gewoon de wereld in gaat, omdat God ook daar is; kinderachtig is een geloof dat zich van de wereld afsluit – uit angst of omdat het bij God wil zijn. Kinderlijk is een geloof dat datgene wat het niet begrijpt simpelweg aan God overlaat; kinderachtig is een geloof dat alles in een systeem probeert te gieten. Kinderlijk is een geloof dat fouten durft te maken, in denken en leven; kinderachtig is een geloof dat uit angst fouten te maken nergens echt aan begint. Kinderlijk is een geloof dat dapper zondigt, in de wetenschap dat God graag vergeeft; kinderachtig is een geloof dat de Vader als een boekhouder van onze zonden beschouwt. Kinderlijk is een geloof dat nederig kan knielen voor God die altijd groter is; kinderachtig is een geloof dat ons – op wat voor manier dan ook – klein wil houden. Kinderlijk is een geloof dat God en alléén God vreest; kinderachtig is een geloof dat vreesachtig in de wereld staat. Kinderlijk is een geloof dat wezenlijk vertrouwen is; kinderachtig is een geloof dat niet durft te denken omdat het in wezen God niet vertrouwt. Kinderlijk is een geloof dat ook verlangen is, omdat God altijd nog meer in petto heeft; kinderachtig is een geloof dat denkt alles nu wel te weten.

Laten wij onszelf onderzoeken: is ons geloof kinderlijk of kinderachtig?

(Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen 81/17, 24 mei 2019)

Oh, oh! (column)

Vanuit mijn studeerkamer, van achter het glas observeer ik onze jongste zoon, die in de tuin scharrelt. ‘Scharrelen’ is inderdaad precies wat de dreumes doet. Hij gaat niet van hier naar daar, doelgericht, zoals homo faber doet, maar hij draait rondjes en laat zich leiden door wat hij ziet. Als Adam wijst hij alles aan en geeft alles wat leeft namen. Vogels heten bijvoorbeeld ‘piepie’, en die volgt hij voortdurend met zijn ogen. Hij huppelt achter een insect aan, voelt aan de blaadjes van de bomen, gaat zitten om een madeliefje van het leven te beroven. Het herinnert me aan het enthousiasme waarmee een van onze andere kinderen een kuikentje, net uit het ei gekropen, in de handen nam en doodkneep. Heerlijk, die gretigheid, die vervoering.

De hummel slaat nu met zijn handjes naar de bellen die zijn broer blaast, daarbij roepend: ‘oh, oh!’ Daar is zijn hart vol van, van die uitroep ‘oh!’ Onlangs gaven wij hem zijn eerste fietsje cadeau, een driewielertje met laadbak. Toen hij die kreeg, riep hij het weer: ‘oh, oh!’ Hij kon er bijna niet mee stoppen. En hetzelfde doet hij elke avond bij het eten. Of het nu Hollandse worteltjes zijn of Marokkaanse couscous, elke keer is hij weer even enthousiast. Alleen mogen wij hem niet voeren. Dan wendt hij boos zijn aangezicht af, keert ons de rug toe, tot wij hem gewoon bord en al geven, en hij met zijn handen mag eten. En dat mag hij, want wij bewonen, zoals algemeen bekend, ‘het huis zonder regels’. Dat zorgt ervoor dat je blijft roepen: ‘oh, oh!’ Sommige mensen stoppen met die klank na hun tweede levensjaar, om hem daarna in de huwelijksnacht nog één keer te herhalen, maar dan is het uit. Zonde, zonde. De essentie van het leven is dit: zorg dat je blijft roepen ‘oh, oh!’ Thierry Baudet is zo’n kind dat wil blijven roepen: ‘oh, oh!’ Dat verlangen roept blijkbaar veel herkenning op.

Van de eerste filosoof, Thales van Milete, wordt verteld dat hij een keer in een put viel, omdat hij naar boven, naar de sterren keek, en ‘oh, oh!’ riep van verbazing. Ja, dat zou mijn zoon ook zomaar kunnen overkomen. Het is lastig zowel te leven met de nuchterheid van de homo faber als met de verwondering van Thales, Immanuel Kant (die in ieder geval nog door twee dingen met ‘bewondering en ontzag’ vervuld werd: de sterrenhemel boven hem en de morele wet in hem), een Adam en Eva, een profeet en een apostel, of een Jezus, dat grote, grote kind. Omdat Jezus een groot kind was, noemen we Hem Gods Zoon. Oh, die vijgenboom, oh, die Judas, oh, dat zonnestraaltje op die stoeptegel, oh, oh, oh!

Ik heb nog maar twee jongens en twee meisjes. Ik denk dat ik maar doorga met het verwekken van kinderen, tot het eerste kleinkind zich aandient. Dan hoef ik die fase van de dreumes nooit te missen. Dan kan ik altijd blijven meedoen: ‘oh, oh!’

(De Nieuwe Koers mei 2019)

Als de wereld een lijk is (column)

“Jezus heeft gezegd: wie de wereld heeft gekend, heeft een lijk gevonden, en wie een lijk gevonden heeft, die wereld is hem niet waardig.” Die spreuk kwam ik tegen in het evangelie van Thomas, dat ik herlas met het oog op de catechisatie. Ik ben gezegend met tieners die veelal op een reformatorische school zitten en het verschil tussen Abner en Zacheüs inmiddels wel kennen. Van het evangelie van Thomas hadden ze nog niet gehoord. Dit gnostische geschrift werd in 1945 ontdekt en bevat 114 ‘geheime spreuken van Jezus’. We hebben samen nagedacht over de vraag waarom de verkondiging van dit evangelie niet bij Nieuwe Testament past. Geen onzinnige vraag in een tijd van de Dan Browns en hun eindeloze fantasie, dat de kerk ‘de ware Jezus’ aan de mensheid onthouden heeft.

Mij viel bij herlezing op hoe aantrekkelijk de gnostiek is. Gnostiek is: de mens is in wezen goed, goddelijk. ‘Verlossing’ bestaat erin je dit ontdekt. Als je ontdekt wie je zelf bent, wie je in je eigen goede kern bent, dan ben je al verlost. Daarom hoeft het koninkrijk van God van de gnostische Jezus ook niet meer te komen. Op de vraag van de discipelen naar de komst van het Rijk, antwoordt de Jezus van het evangelie van Thomas: “Wat jullie verwachten is al gekomen, maar jullie kennen het niet.”

               Een heerlijk evangelie. Wij zijn geen zondaren en hoeven dus ook niet verlost te worden. Het koninkrijk hoeven we niet meer te verwachten, want het is er al. En een Zaligmaker hebben we niet nodig; een leermeester is voldoende. En ook die leraar heb je alleen maar nodig totdat je het zelf begrijpt. Geen wonder dat het vandaag weer zo’n populair evangelie is, ook binnen het christendom. Waar wij ons verzetten tegen het dogma van des mensen ellende, en tegen de verzoening door het bloed van Christus alleen, waar wij God zoeken in onszelf – daar kijkt steeds de gnostiek mee.

               Maar we vergeten dan voor het gemak hoe de gnostiek tegen de wereld aankijkt. Dat staat in de spreuk waar ik mee begon. Voor de gnosticus is de wereld een lijk. Als hij ontdekt dat hij in zijn onzichtbare kern goddelijk is, dan ontdekt hij ook dat al het zichtbare slecht en verdorven is, een gevangenis, ja een stinkend lijk.

               Als de wereld in je denken al een lijk is, mag het ook wel een lijk worden. We hebben weer lijken zien liggen de afgelopen tijd. In Christ Church, in Utrecht. Degenen die denken dat zij iets goddelijks ontdekt hebben in zichzelf, mogen de mensen verachten en vermoorden. Wie ontdekt heeft dat hij een zondaar is, die telt zich bij de wereld, de ene, die hij liefheeft omdat God haar liefheeft. Het dogma van des mensen ellende is het meest hoopvolle bericht dat er is, en geeft de beste garantie voor een vreedzame wereld. Het idee van de goede of goddelijke mens daarentegen stapelt lijk op lijk.

(De Nieuwe Koers april 2019)