Evolutie, zondeval, populisme

Het is interessant om te zien welke reacties er tot nu toe gekomen zijn op mijn boek ‘Dit broze bestaan. Over het geloof in God de Schepper’ (Utrecht: Boekencentrum 2017). De reacties zijn tamelijk wisselend, en dat had ik wel verwacht. Naast de lof die ik vooral ontvangen heb in Trouw en Friesch Dagblad, zijn er de kritische vragen. Deze concentreren zich voornamelijk op de drie punten die ik in mijn woord vooraf al had vermoed:

“sommige lezers kunnen sommige in dit boek verdedigde stellingen als verontrustend ervaren. Ik denk dan aan mijn acceptatie van de evolutietheorie, mijn waardering van de zondeval als onhistorische waarheid en mijn voorzichtige begrip voor het populisme als conservatief-romantische volksbeweging.” (Dit broze bestaan, 8)

Dit zijn inderdaad de drie punten waarop kritiek gekomen is. Ik zal er hieronder kort op ingaan, waarbij ik de eerste twee punten samen neem. De recensies waaraan ik refereer zijn elders op deze website te vinden.

  1. De evolutietheorie en de zondeval

De Vries (RD) en Huijgen (De Wekker) stellen allebei vragen bij mijn aanvaarding van Genesis 1-3 als onhistorische waarheid. Volgens De Vries leidt de ontkenning van Adam als historisch individu automatisch tot het afscheid nemen van ‘de Christus der Schriften’ en is dit ‘een ernstige aantasting van Gods Woord’. Hij herhaalt in zijn reactie op mijn boek de fundamentalistische Schriftvisie en wijst op grond daarvan mijn omgang met de Schrift af. Daarbij wordt gesuggereerd dat dit fundamentalistische Schriftverstaan het aloude verstaan van de kerk is. Dit is echter niet het geval. De oude kerk en de Reformatie hadden een heel ander Schriftverstaan, waarin veel meer ruimte is voor de feilbaarheid van de Schrift. Het fundamentalistische Schriftverstaan is niet het traditionele, maar is zelf heel modern. Het fundamentalisme is een negentiende eeuws en voor het grootste deel zelfs een twintigste eeuws verschijnsel, zowel in het christendom als ook in de islam. Dit geldt ook voor het creationisme. Wie dit standpunt huldigt, zou eerst moeten verantwoorden waarom we vanuit zo’n modern dogmatisch vooroordeel de Schrift moeten benaderen en theologische standpunten moeten beoordelen.

Het tweede probleem is dat in deze visie alle resultaten van meer dan een eeuw natuurwetenschappelijk onderzoek genegeerd worden. De evolutietheorie is niet een recente theorie van een of ander individu, maar een paradigma dat in lange tijd, op basis van heel veel onderzoek door vele van elkaar onafhankelijke instituten en personen is ontstaan. Het is onder de huidige omstandigheden absurd zich daarvan te distantiëren. Men kweekt daarmee eerder ongeloof, omdat men gelovigen dwingt tot een sacrificium intellectus. Men moet daarentegen God liefhebben met het verstand.

Het derde probleem is dat ingenieur De Vries zonder argumentatie concludeert dat mijn boek, door het aanvaarden van de onhistorische waarheid van Genesis 1-3, “een ernstige aantasting van Gods Woord” is. Blijkbaar doet alleen de fundamentalistische Schriftvisie recht aan Gods Woord. Dit is onjuist. Elke Schriftvisie erkent de Bijbel als Gods Woord. Daarom wordt wereldwijd in alle kerken op de kansels gelukkig alleen de Bijbel gelezen. Wat de uitdrukking ‘Gods Woord’ echter betekent en wat dit voor implicaties heeft voor de (scheppings)theologie, daarover verschillen de meningen. Het gesprek daarover moet, vooral onder theologen, gevoerd worden. Ik sluit mij in mijn boek aan bij de onder theologen gangbare visie dat het begin van Genesis het genre van de ‘mythe’ heeft. Dat is net zo min een aantasting van Gods Woord als stellen dat de Romeinenbrief tot het genre van de brieven behoort, de Psalmen tot het genre van de liederen en Richteren 9:8vv tot het genre van de fabel. Dit onderscheiden van genres heeft niets te maken met het wel of niet erkennen van de Bijbel als Gods Woord. Ik ben van jongs af aan vervuld van een diepe eerbied voor de heilige Schrift als Gods Woord, en toen ik later theologisch meer van de Bijbel ging begrijpen, is die eerbied alleen maar toegenomen. Het theologisch gesprek zou – niet alleen in deze discussie over de Schepping – winnen wanneer wij dit van elkaar aannemen.

Het vierde, wellicht grootste probleem is dat ingenieur De Vries nergens ingaat op mijn bijbeluitleg. Mijn boek volstrekt zich als Schriftuitleg. Wat ik zeg, zeg ik niet vanuit een aanvaarding van de evolutietheorie, maar vanuit het lezen van de Schrift. Ook bij elke andere natuurwetenschappelijke theorie over het ontstaan van het heelal en de mens zou mijn visie blijven staan. Ik ontkoppel natuurwetenschap en geloof, omdat het eerste gaat over de feiten van onze wereld, maar het tweede over de waarheid ervan. Dit zet ik uiteen in het eerste hoofdstuk van mijn boek.

Huijgen (De Wekker) meent te kunnen stellen dat de eschatologie bij mij ontbreekt, omdat ik stel dat God het bestaande wil. De logica in deze gedachtengang ontgaat mij. Ik heb uitvoerig uiteengezet dat en hoe God aan de ene kant het bestaande wil, en aan de andere kant ook niet. Het eerste belijden wij als wij zeggen dat God schepper is, het tweede als wij stellen dat Hij de verlosser is. Huygen wil blijkbaar niet beide vasthouden, en meent dat we slechts over God als verlosser en voleinder kunnen spreken als wij niet zeggen dat God het bestaande wil. De christelijke triniteitsleer is echter mede ontworpen om beide tegelijk te kunnen stellen. Juist de gereformeerde traditie heeft altijd gesteld dat God deze werkelijkheid in haar geheel wil. Zij ligt onder zijn besluit. Dat sluit de eschatologie op geen enkele manier uit.

  1. Populisme

Het tweede punt van kritiek richt zich op het slothoofdstuk van mijn boek. Dit handelt over populisme en pluralisme. Ik toon in dat hoofdstuk begrip voor de recente opkomst van het conservatisme en in het verlengde daarvan het populisme. Ik zoek de wortels hiervan in de Europese romantische cultuur, die diepe wortels heeft en eigenlijk vanaf het begin van de Verlichting naast het rationalisme voorkomt (vgl. bijvoorbeeld J.G.Herder). Ik ben dus bezig het populisme te begrijpen, niet het te verdedigen. Ik ben ook niet bezig de werkelijkheid te veranderen. De beroemde uitspraak van Karl Marx – ‘De filosofen hebben geprobeerd de werkelijkheid te begrijpen, nu wordt het tijd haar te veranderen’ – zou ik zo willen variëren: ‘mensen zijn er om de werkelijkheid te begrijpen, God is er om die te veranderen’.

Als Spruyt in zijn bijdrage in het RD voor zichzelf concludeert dat hij niet meer in de politiek gelooft – en dat kritisch tegen mij inbrengt, omdat ik teveel met het populisme zou meegaan – , dan geldt dat evenzeer voor mij. Ik geloof al heel lang niet meer in de politiek als oplossing voor problemen, en daarom voel ik mij ook niet aangetrokken tot het populisme. De opmerking van Taede Smedes, dat ik Gods hand zou zien in de komst van Trump en de Brexit is dan ook alleen juist, als men daarbij zegt – zoals ik in mijn boek uitdrukkelijk doe – dat ik álles onder Gods hand en bestuur zie. Zoals God het Babylonische en Romeinse rijk liet opkomen én ondergaan, zoals Hij zijn volk Israël in ballingschap bracht én eruit bevrijdde, zo moeten we ook zijn leiding zien in alles wat gebeurt. Dat is het ware scheppingsgeloof, dat dus niet los te maken is van het geloof in de voorzienigheid. Dit klassieke geloof heeft men in de moderniteit veelal verlaten voor een geloof in God als bevrijder en verlosser. Dit is te eenzijdig. Wij moeten God zowel als Schepper van alle dingen, als ook als Verlosser eren.

Juist wanneer wij in staat zijn een werkelijk open visie op de geschiedenis te hebben, een visie waarin de geschiedenis steeds alle kanten op kan omdat God haar leidt en omdat het koninkrijk van God iets anders is dan een zelfbedachte heilstaat – juist dan kunnen wij ook het populisme open tegemoet treden en haar historisch verstaan als een uiting van een in Europa diepgeworteld en met het geloof in de schepper verbonden romantisch conservatisme, waar een waarheidselement in zit – namelijk voor zover het het geloof in een concrete Schepper voortzet tegen het menselijke autonomiedenken in. Dit menselijke autonomiedenken is, zo men wil, het eigenlijke front van mijn boek.

Willem Maarten Dekker