De basis van het geloof

l. Zijn er redenen om te geloven dat er een God is?

Daarvoor moet ik eerst weten wat ik met het woord ‘God’ bedoel.

2. Wat bedoel je met God?

Voor dit moment bedoel ik daarmee: ‘God is datgene waarboven niets hogers gedacht kan worden.’ (Anselmus) Dit Hoogste Wezen is volmaakt, heeft alles geschapen heeft en bestuurt de geschiedenis.

3. Zijn er vanuit de natuurwetenschappen gezien redenen om te geloven dat zo’n God bestaat?

Het is duidelijk dat wij dit Hoogste Wezen niet natuurwetenschappelijk kunnen aantonen. Juist omdat Hij het Hoogste Wezen is en dus niet bij het universum hoort, kan Hij ook niet geanalyseerd worden met onze wetenschappelijke methoden. Omdat God niet bestaat uit materie, uit moleculen en atomen, kunnen we Hem niet wetenschappelijk waarnemen en onderzoeken. Zou God dus niet bestaan? Wie die conclusie trekt, lijkt op iemand die overal op de Noordzee onderzoek doet naar de visstand, maar daarbij slechts netten gebruikt met mazen van tien centimeter doorsnee en dan de conclusie trekt dat er dus in de Noordzee geen vissen voorkomen met een diameter van minder dan tien centimeter. De natuurwetenschappen kunnen Gods bestaan niet aantonen, maar ook niet ontkennen. Hun instrumentarium is simpelweg ontoereikend om het een of het ander te doen. Het betekent ook: we kunnen de wereld verklaren zonder God. God is natuurwetenschappelijk gezien niet noodzakelijk.

4. Zijn er vanuit de filosofie redenen om aan te nemen dat zo’n God bestaat?

Dit heeft men in het verleden wel gedacht. In de filosofie, dus los van het geloof, werden argumenten ontwikkeld voor het bestaan van God. Het belangrijkste argument is: Alle dingen in het universum hebben een oorsprong, een oorzaak. Aan het begin van die keten van oorzaken en gevolgen moet dan wel een Eerste Oorzaak bestaan, die zelf niet veroorzaakt is: God.

5. Wat is het goede van deze argumenten voor het Godsbestaan?

De argumenten zijn goed bedacht en soms heel scherpzinnig verwoord. Daarom wordt er tot op de dag van vandaag in de filosofie over gediscussieerd of ze echt kloppen. Dit laat in ieder geval zien: het geloof in God is echt niet alleen iets voor goedgelovige sukkels. Het is niet in strijd met het menselijk denken. Geloven betekent niet: het verstand op nul zetten. Er is geen sprake van dat we ons verstand maar zouden moeten opofferen om te kunnen geloven!

6. Welke problemen zijn er tevens mee gegeven?
-het zijn argumenten zijn, geen bewijzen. Dat betekent ook dat we langs deze weg nooit zekerheid krijgen over God en ook geen reden om in Hem te geloven. Ongelovigen zullen door deze argumenten niet worden overtuigd, omdat het geen bewijzen zijn. Gelovigen zullen deze argumenten niet nodig hebben, omdat ze betere redenen hebben om in God te geloven.
– we moeten goed bedenken wat voor godheid men met deze argumenten aantonen wil. Men heeft het over een Super Intelligente Eerste Oorzaak. Maar is dat ook het beeld van God dat we in de Bijbel tegenkomen?

7 Zijn er vanuit de filosofie ook bezwaren tégen het bestaan van een Hoogste Wezen aangevoerd?

Zeker. Twee zijn heel bekend en worden vaak gebruikt:

– Het eerste is: Als God bestaat, waarom is er dan zoveel kwaad en lijden in de wereld? Nu zou je daarop kunnen antwoorden: “Omdat God niet goed is. God is zelf (ook) kwaad, en daarom is er ook kwaad in de door Hem bestuurde wereld.” Maar in zo’n God wil je niet geloven, al zou Hij bestaan!

Je kunt ook antwoorden: “Dat komt omdat God niet almachtig is. God wil het kwade en het lijden niet, maar Hij staat er machteloos tegenover.” Maar dan is het Kwaad sterker dan God. Als het Kwaad sterker is dan God, dan is het Kwaad zelf God. Ook in zo’n God kun je niet geloven. Hoeveel je ook over de relatie tussen God en het kwaad kunt zeggen, voor onze ervaring zal het bestaan van het kwaad altijd een argument tegen God blijven.

-Het tweede argument tegen het bestaan van God is dat de wens hier de vader is van de gedachte. Men zegt dan: mensen geloven in God, omdat ze behoefte hebben aan iemand die hen beschermt. Die behoefte is zo sterk, dat de mens een God ‘verzonnen’ heeft en daar vervolgens bestaan aan toegekend. Het leven is immers onzeker. Die onzekerheid wordt in de kindertijd nog opgeheven door de ouders, vooral de vader die veiligheid biedt. Die vaderfiguur wordt vervolgens ‘geprojecteerd’ op God de Vader.’ Deze ‘projectietheorie’ is ontwikkeld door Sigmund Freud.

 

  1. Wat kunnen we uit dit alles concluderen?

Ook het wijsgerig denken brengt ons niet bij God. Het leidt hooguit tot een patstelling tussen de voor- en tegenargumenten. Maar misschien kennen we God dan uit onze ervaring? Laten we dat eens nader onderzoeken.

 

  1. Kunnen wij God kennen uit de natuur?

‘Kijk maar eens hoe mooi alles gemaakt is!’ Je kunt dit heel persoonlijk en direct zeggen, vanuit je dagelijkse waarneming. Hoe prachtig is een zonsondergang! Hoe indrukwekkend is de geboorte van een kind! Soms wordt het ook meer vanuit de wetenschappen gezegd: het hele universum kent een wonderlijke orde, wetmatigheid, doelgerichtheid en schoonheid. Dat geldt voor de microscopisch kleine wereld van het atoom tot de wereld van natuurwetten en sterrenstelsels. Dat wijst erop dat er wel zoiets moet zijn als een super-intelligente Schepper.

Toch is daar wel wat tegen in te brengen. De natuur kent niet alleen orde, maar ook wanorde, niet alleen schoonheid, maar ook het afzichtelijke, niet alleen goedheid, maar ook wreedheid. Er zijn de vogels met hun prachtige zang en schitterende kleuren. Maar er zijn ook de bloedzuigers en de pestbaccillen. De natuur kent een keiharde strijd om het bestaan waarin de meeste dieren alleen kunnen overleven door elkaar te doden en op te eten. Daarom roept de natuur eigenlijk twee ervaringen op: aan de ene kant de ervaring hoe goed en mooi de wereld is, die kan leiden tot de gedachte dat er een goede God is. Aan de andere kant de ervaring dat de wereld wreed en zinloos is, die kan leiden tot de gedachte dat er helemaal geen God is of, als Hij er is, dat Hij wel uitermate wreed moet zijn. De natuurervaring brengt ons niet bij God.

 

  1. Brengt de geschiedenis ons bij God?

Ook hier zijn eigenlijk weer twee lijnen te trekken. Aan de ene kant gebeuren er in de geschiedenis soms wonderlijke dingen, die het idee bij ons kunnen oproepen dat er wel een God moet zijn die de geschiedenis leidt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de geschiedenis van Israël. Toen men aan de theoloog Karl Barth vroeg of hij een godsbewijs kende, zei hij: ‘Israël!’ Dat was kort nadat het joodse volk in 1948 weer een eigen land en staat had gekregen. Na de verschrikking van de moord op zes miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, kreeg het joodse volk weer een eigen, veilige plek, en nog wel in het land dat God al beloofd had aan Abraham! Inderdaad, zo kun je soms verwonderd raken door gebeurtenissen in de geschiedenis.

Maar toch geldt hier weer hetzelfde als bij de natuur: er staat ook heel veel tegenover. Daarom roept ook de geschiedenis eigenlijk twee ervaringen op: aan de ene kant de ervaring dat het soms ‘de goede kant op gaat’ met de wereld, en dat er wonderen gebeuren. Dit kan leiden tot de gedachte dat er een God is die de wereld naar zijn Koninkrijk leidt. Aan de andere kant is er de ervaring dat de geschiedenis zinloos is, een ‘eeuwige herhaling van hetzelfde’. “IJl en vluchtig, zonder zin, nutteloos is alles”, zegt de Prediker (1:2). Dit kan leiden tot de gedachte dat er helemaal geen God is of, als Hij er is, dat Hij zich niet met de wereld bemoeit. Ook de geschiedenis brengt ons niet bij God.

 

  1. Is de godsdienstigheid van mensen dan misschien zelf een verwijzing naar God?

Alle volken en stammen van alle tijden en plaatsen hebben een religie. Dat is inderdaad opvallend. De mens is blijkbaar van nature religieus. Atheïsten, mensen die echt ontkennen dat er een Hoger Wezen is, zijn er pas sinds de negentiende eeuw. En dan nog alleen in de westerse wereld. En er zijn maar heel weinig mensen die dit volhouden. Vaak gaan ze als er iets bijzonders in hun leven gebeurt (iets heel moois, zoals de geboorte van hun eerste kind; of iets heel verdrietigs, zoals de dood van een geliefde) toch weer in Iets geloven. Natuurlijk verschillen de mensen fundamenteel van mening over wat het goddelijke is, maar wijst dit er toch niet op dat er iets bovenmenselijks moet zijn?

Het is begrijpelijk dat die vraag opkomt, maar toch moeten we ook hier kritisch zijn. Het aantal mensen dat een overtuiging aanhangt, zegt immers strikt genomen niets over de waarheid ervan. Als alle mensen zouden geloven dat twee plus twee vijf is, dan betekent dat nog niet dat dit ook zo is. Je komt niet achter de waarheid door de meeste stemmen te tellen. Hetzelfde geldt natuurlijk van de kerk. Je kunt zeggen: al tweeduizend jaar zijn er talloos veel mensen christen. Momenteel is ongeveer dertig procent van de wereldbevolking christen. Toch geldt ook dan het tegenargument dat hierboven genoemd werd.

 

  1. Brengt het geweten ons bij God?

We kunnen concluderen dat alle mensen een ‘geweten’ hebben: een innerlijk besef van goed en kwaad. Mensen lijken ‘van nature’ te weten dat doden of stelen verkeerd is en bestraft moet worden. Ook lijken ze ‘van nature’ te weten dat de liefde goed is en streven ze die na. Is dit niet het makkelijkst te verklaren door een God, die dit besef van goed en kwaad in de mens gelegd heeft?

Toch moeten we ook hier weer kritisch zijn. Het besef van goed en kwaad kan ook evolutionair eventueel verklaard worden. Stelen en moorden is niet goed voor de gemeenschap en de soort, en daarom is het besef gegroeid dat dit verkeerd is. Liefde en barmhartigheid bevorderen de gemeenschap en de soort en worden daarom als goed ervaren. Ook het besef van goed en kwaad brengt ons dus niet onweerlegbaar bij God.

 

  1. Brengt de Bijbel ons bij God?

Dat is zeker de ervaring van gelovigen door alle eeuwen heen. In de Bijbel spreekt God tot ons. Toch moeten we dat ook niet zo zien, dat de Bijbel bewijst dat er een God is. Dan klopt het niet. Als je zonder geloof en Heilige Geest de Bijbel leest, zal deze je niet bij God brengen. Daar is de Bijbel te ‘duister’ voor. Het is immers niet alleen het Woord van God. Het is óók gewoon het woord van mensen. Je kunt exact nagaan welke teksten wanneer, door wie en in welke omstandigheden geschreven zijn. Als je wilt, kun je ook bij die menselijke kant van de Bijbel blijven staan. Daarom is de Bijbel geen argument voor het bestaan van God.

 

  1. Brengt de historische persoon van Jezus ons bij God?

Ook dat is zeker de ervaring van gelovigen door alle eeuwen heen. In Jezus ontmoeten wij God. Toch moeten we ook dit niet zo zien, dat de historische figuur van Jezus onomstotelijk bewijst, dat er een God. Want ook Jezus kun je zonder geloof benaderen. Dan zie je niets meer en niets minder dan een historische persoon. Iemand die een bijzonder leven geleid heeft, een joodse rabbi, die bijzondere dingen gezegd heeft en die gekruisigd is. Maar er zijn meer bijzondere mensen geweest. Dat betekent nog niet dat God zich in deze mens heeft geopenbaard. En dat is precies wat de kerk gelooft. Dat is echter aan Jezus’ gezicht niet af te lezen. Daarom wordt er in Jezus’ dagen ook zo verschillend op Hem gereageerd. “Sommigen zeggen: Hij is Johannes de Doper. Anderen zeggen: Elia. En weer anderen: Jeremia of een van de profeten.” Maar Petrus zegt: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Dat is niet van Jezus’ gezicht af te lezen.

 

  1. Wat is nu de conclusie?

Wij moeten concluderen: niets in onze wereld brengt ons bij God. De natuurwetenschappen, de filosofie, de natuur, de geschiedenis, de godsdienstigheid, het geweten, ja zelfs de Bijbel en de historische figuur van Jezus brengen ons niet bij God. God kun je vanuit onze wereld niet aantonen. God is niet noodzakelijk. Daarmee zijn we in een impasse beland.

 

  1. Inderdaad, want: waarom geloven we dan?

Het enige antwoord dat je uiteindelijk op die vraag kunt geven, is: ‘ik geloof omdat ik aangesproken ben door Jezus Christus’. Paulus omschrijft het zo: “Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het Woord van God.” (Rom. 10:17) Bij het Woord van God moeten we hier niet in de allereerste plaats aan de Bijbel denken, maar aan Christus zelf. Hij is het Woord van God.[1] Hij heeft niet ooit geleefd, aan het begin van onze jaartelling. Nee, Hij leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid, ook nu, en Hij spreekt mensen aan. Als je door Hem aangesproken wordt, ontstaat geloof. Ten diepste is er geen andere grond voor het geloof dan de aanspraak van Jezus.

Jezus sprak mensen aan, zoals Zacheüs, toen Hij op aarde was. Maar Hij leeft ook vandaag nog en spreekt ook vandaag nog mensen aan. Hij roept ons. Net als voor Zacheüs is dat ook voor ons nu de basis van ons geloof.

 

  1. Maar hoe zit het dan met de wereld van de natuur, de geschiedenis, het denken – enzovoorts? Heeft die dan niets met God te maken?

Niets in de wereld brengt ons dus bij God. Alleen God kan ons bij God brengen. En als dat gebeurt, dan brengt God je ook bij de wereld. Dat betekent: Wetenschap, natuur, geschiedenis, geweten, de Bijbel, en de historische figuur van Jezus openbaren ons niet wie God is – maar: God openbaart ons wie Jezus is, wat de Bijbel is, wie wij zelf zijn, wat geschiedenis is en natuur, wat denken is en wetenschap. De werkelijkheid openbaart niet wie God, maar God openbaart wat werkelijk is.

Nog eens:

–          De natuur brengt ons niet bij God. Maar God laat ons zien wat de natuur eigenlijk is: niet zomaar een strijd om het bestaan, maar zijn schepping.

–          Het denken brengt ons niet bij God. Maar God verlicht ons verstand zo, dat we het voor het eerst goed leren gebruiken, zodat we Hem ook met het verstand gaan liefhebben.

–          De geschiedenis brengt ons niet bij God. Maar God laat ons zien wat geschiedenis is: niet zomaar een chaos van gebeurtenissen, maar de weg naar zijn Koninkrijk.

–          De godsdienstigheid van mensen brengt ons niet bij God. Maar God openbaart wat er goed en verkeerd is in onze godsdienst, wat het goede gebruik is en wat het misbruik. Als christen ben je ook heel kritisch naar godsdienst en kerk, juist omdat je bij God hoort!

–          Het geweten brengt ons niet bij God. Maar God geeft zijn geboden, zodat wij leren wat goed en kwaad is. En soms is dat heel tegennatuurlijk. ‘Heb je vijand lief als jezelf’ – dat leert je geweten je niet.

–          De Bijbel brengt je niet bij God. Maar God laat je zien wat de Bijbel is: niet alleen een menselijk boek, maar zijn Woord.

–          De historische figuur van Jezus brengt je niet bij God. Maar God laat je zien wie die Jezus eigenlijk is: Zijn Zoon, onze Heer.

 

  1. Waar spreekt Jezus Christus je aan?

Kortom: alleen God kan je laten zien dat er een God is, en wie Hij is. Maar natuurlijk valt die boodschap niet als een bliksem uit de hemel. God gebruikt daar middelen voor. Twee middelen springen in het oog: de Bijbel en de kerk. Dat zijn de plaatsen waar God je wil aanspreken. Als je Hem wilt ontmoeten, moet je dus naar de plaatsen gaan waar Hij zich laat vinden.

We spreken in dit verband wel van de ‘drie gestalten (vormen) van het Woord van God’. De eerste is de prediking: mensen die het Woord van God tot je richten. Je vader en moeder, school, maar bovenal de prediking op zondag in de kerk. De tweede gestalte is de Bijbel. Daaraan moet de prediking van mensen getoetst worden. De derde gestalte van het Woord is Jezus Christus zelf:

 

“In den beginne was het Woord

en het Woord was bij God

en het Woord was God

en het Woord is vleesgeworden en heeft onder gewoond.” (Joh. 1:1, 14)

 

  1. Waarom ben je dus een christen?

Omdat ik aangesproken ben door Jezus Christus.

20. Waarin komt deze aanspraak tot je?

In de Bijbel en in de kerk.

21. Is er geen aanspraak van Christus buiten de Schrift en de kerk?

Het geloof in Christus leert mij Hem te zien in alle dingen die bestaan en die geschieden, maar zonder reeds aangesproken te zijn door Christus in de Schrift en in de kerk, is de wereld mij een boek zonder letters.

22. Kan dit geloof weersproken worden?

De Bijbel en de kerk kunnen – met reden – weersproken worden, maar Christus en het geloof zijn onaantastbaar.

[1] Joh. 1:1,14 “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.”