Gerrit Achterberg

Verdiepingskring, 2015

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Twee gedichten uit de bundel ‘Spel van de wilde jacht’ (1957)

 

Onland[1]

In ’t onland stond een hert[2] zo groot als God.

Men kon ook zeggen klein als duimelot[3].

Tussen zijn horens flikkerde een kruis[4].

Het sprak, en ik werd minder dan een muis:[5]

 

Geen jager ooit spandeert[6] aan mij een schot,

want ik zit kogelvrij[7] in het komplot[8].

Hoe meer je op mij schiet, des te meer kruis

er in mij opschiet.[9] Lever het bewijs.[10]

 

Ik legde aan. Maar uit de struiken trad

de heilige Hubertus[11] die daar zat.

Hij schreeuwde lachend[12]: Zonde[13] van je kruit[14].

De jachttijd is gesloten[15]. Weg die spuit.

 

Ik zette het geweer tegen een boom;[16]

Een achterlader, nog van mijn oudoom.[17]

 

 

Horeb[18]

 

We zijn er bij gaan zitten op het mos[19]

en deden alle twee de schoenen los.[20]

Er klonken een paar woorden over ’t weer[21],

die snel verzwonden in de atmosfeer.

 

Onder het kreupelhout verschoot een vos[22].

Ik zag de bomen niet meer door het bos.[23]

Het hert sprong naar ons toe, licht als een veer,

en legde zich voor St.Hubertus neer.

 

Hij[24] zei: Aanbidden[25] wij, op deze plek.

En ook het dier boog daar de ranke nek.[26]

 

Belijden wij. En we beleden schuld[27],

getroffen door Gods kinder-katapult[28].

 

Geef Gode eer[29]. Wijd open mond[30] en bek,

hebben wij daar staan zingen[31] als een gek.

 

Deïsme

 

De mens is voor een tijd een plaats van God.

Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,

Dan wordt hij afgeschreven op een steen.

De overeenkomst lijkt te lopen tot

Deze voleinding, dit abrupte slot.

 

Want God gaat verder, zwenkend van hem heen

In zijn millioenen. God is nooit alleen.

Voor gene kwam een ander weer aan bod.

 

Wij zijn voor hem een vol benzinevat,

Dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt,

Al de afval, met zijn wezen in strijd.

 

Sinds hij zich van de schepping onderscheidt,

Gingen wij dood en liggen langs het pad,

 

Wanneer niet Christus, koopman in oud roest,

Ons juist in zo’n conditie vinden moest:

Alsof hij met de Vader had gesmoesd.

 

  1. Wat betekent de titel?
  2. Wat is het gelijkteken (r. 2)?
  3. Wat is het abrupte slot? (r. 5)
  4. Welk beeld van God spreekt uit de tweede strofe?
  5. Wat vind je van het beeld van Christus in r. 15?
  6. Wat betekent het ‘gesmoesd’? (vgl het gedicht ‘Onland’)
  7. Herken je in dit gedicht je eigen geloof?

 

Triniteit

 

God scherpt Zijn wet op deze steen,

die mijn bestaan geworden is.

Maar Jezus Christus geeft ons vis

en wijn tot Zijn gedachtenis.

 

Heeft Een van Beiden zich vergist?

Wij zijn een duister fenomeen,

zolang niet in ons leven rijst

het licht van den Heiligen Geest.

 

Heilige Geest, kom in het vers,

waarin Gij Drieën, Een voor Een,

hetzelfde zijt en ik alleen

zingend van U de woorden ben.

 

Heilige geest, vervul het vers

zo gans, dat er geen vezel is,

die niet van Uw belevenis

vibreert, als van de liefde vlees.

 

Moeder van Jezus is het vlees,

Zuster van Christus is het vers.

Vader, die in de hemelen zijt,

kome Uw koninkrijk.

 

  1. Is de ‘steen’ in r 1 ‘dezelfde’ als in het gedicht ‘Deïsme’? (r 3)
  2. Hoe wordt hier gesproken over de relatie tussen God de Vader en Christus? Is dat hetzelfde of anders als in ‘Deïsme’?
  3. Wat ‘gebeurt er in het vers (gedicht)’ (strofe 3). Waarom is dichten noodzakelijk?
  4. Welke functie heeft de heilige Geest?
  5. Welk bijbelgedeelte zou vrij verwerkt kunnen zijn in “Zuster van Christus is het vers”?
  6. Herken je in dit gedicht je eigen geloof?

 

 

[1] Uit de bundel ‘Spel van de wilde jacht’ (1957). Onland: woest land, woest en ledig, vervloekte aarde, Genesis 3.

[2] Hier beeld van Christus

[3] Christus is enerzijds veel méér dan een mens, goddelijk; en tegelijk minder dan een mens, dienaar, slaaf, gekruisigde. Fil. 2.

[4] Kruis van Christus. Ook: legende van St Hubertus, aan wie een hert verscheen met kruis tussen de horens, waarna diens bekering volgde. Bekeringsgedicht.

[5] Hele volgende strofe is spreken van het hert, van Christus,

[6] i.p.v. het gebruikelijke spenderen wegens a-klank. Jager-aan.

[7] Christus is niet te doden. Het kruis groeit wel, maar tussen de horens. Het lam staat als geslacht, Opb 5.

[8]  De raad van God, het complot om tot bekering te brengen, wat uiteindelijk gebeurt met de dichter.

[9] Hoe meer Christus moet lijden, hoe groter het kruis, hoe meer Hij zichzelf wordt. Het is onmogelijk Hem te vellen.

[10] Hert draagt de ik-persoon op om te schieten en zo te bewijzen dat dat geen zin heeft.

[11] Degene die volgens de legende eerder al een hert had gezien, hetzelfde heeft meegemaakt. Traditie, kerk, gemeenschap der heiligen.

[12] Paradox: lachend schreeuwen.

[13] Ook in de theologische zin! Jammer van je kruit, maar ook zonde in bijbelse zin.

[14] Rijm: kruis-kruit.

[15] Christus voor eens gekruisigd?

[16] Verzet en overgave. Kruit of kruis.

[17] Kwaad dat doorwerkt van geslacht op geslacht. Erfzonde.

[18] Opnieuw plaatsaanduiding. De plaats is niet veranderd vergeleken met het vorige gedicht (‘wij zijn erbij gaan zitten’), maar toch is de plaats van onland tot horeb geworden: plaats van Godsontmoeting, Ex. 3, Ex. 19, 1 Kon 19.

[19] Vgl ‘gras’, ps 23 e.a.?

[20] Zoals Mozes bij de brandende braamstruik, Horeb, Ex. 3. ‘Dit is heilige grond’.

[21] Bij Horeb onweer, bliksem! (Ex. 19, 1 Kon 19)

[22] Beeld van de satan, de sluwe vos. Die gaat ervan door.

[23] Ik-figuur is gedesoriënteerd door wat hij heeft meegemaakt.

[24] St Hubertus

[25] Er begint een soort liturgie: aanbidding/schuldbelijdenis, lofprijzing.

[26] Ook Christus buigt voor de Vader, vgl 1 Kor. 15

[27] Horeb is plaats van wetgeving, die tot schuldbekentenis leidt.

[28] Uiteindelijk heeft niet de jager het hert, maar het hert de jager getroffen. Maar dat hert is ‘zo klein als duimelot’, ‘zo licht als een veer’. Een kinder-katapult sluit daar bij aan.

[29] Soli Deo gloria.

[30] ‘Opent uwe mond’, ps 81:12.

[31] Danklied, loflied. Ellende-verlossing-dankbaarheid.