Geschiedenis van het wereldchristendom

A. Christus of de keizer? (30-300 n. Chr.)

  1. De christelijke Kerk ontstond toen de Heilige Geest werd uitgestort op het Pinksterfeest te Jeruzalem (30 na Chr.). Het eerste tijdperk was dat van de apostelen, waarvan het Bijbelboek Handelingen vertelt. De hoofdpersonen waren Petrus, Paulus, Johannes en Jakobus (een broer van Jezus). Petrus en Jakobus blijven in Israël en richten zich op de zending onder de joden. Paulus maakt in de jaren 51-57 zendingsreizen door de hele toen bekende wereld (Israël, Turkije, Griekenland, Spanje, Italië). Hij richt zich vooral op de zending onder de heidenen. De eerste christenen kwamen op zeer eenvoudige wijze samen, meestal in een huis (huisgemeente). Eerst vierden ze elke avond samen het Avondmaal, later elke zondag.
  2. In jaar 49 na Christus vindt het ‘apostelconcilie’ in Jeruzalem plaats. Dit was een bijeenkomst van Paulus met de apostelen in Jeruzalem. De centrale vraag die werd besproken was of de heidenen die tot het christendom overgingen besneden moesten worden en zich aan de Joodse wet moesten houden. Paulus vond van niet, veel anderen vonden van wel. Uiteindelijk besluit de vergadering in het voordeel van Paulus. De heidenen die zich bekeren worden “geen andere verplichtingen opgelegd dan wat strikt noodzakelijk is: onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht.” (Handelingen 15:30) Zo komt op dit concilie een definitieve breuk met het traditionele jodendom tot stand. Was het christendom tot dan toe een groepering binnen het jodendom, nu gaat het een eigen godsdienst worden, die steeds meer door niet-joden, en steeds minder door joden beleden wordt.
  3. In 70 na Christus werd Jeruzalem met de tempel door de Romeinen verwoest. De offers en de priesterdienst hielden op. Het joodse volk werd door de hele wereld verspreid (= diaspora).
  4. Het christendom drong in de eerste eeuw door in bijna alle delen van het Romeinse Rijk, al waren het nog maar kleine gemeenten. De kerk was tot het jaar 300 nog echt zendingskerk, zonder macht of aanzien. Het Romeinse rijk was, ondanks alle uiterlijke glans, een ‘wereld zonder liefde’, een wereld waarin hoogmoed, onbarmhartigheid, onderdrukking en geweld gewoon waren. De christenen onderscheidden zich van hun omgeving door: nederigheid, vergevingsgezindheid en onderlinge liefde. Daardoor was het christendom voor velen aantrekkelijk. Aan de andere kant riep dit juist ook veel vijandschap op. Christenen werden bespot en er werden leugens over hen verteld.
  5. De Christenen kwamen met de Romeinse Staat in botsing, doordat zij weigerden het beeld van de keizer te aanbidden. Zo kwam het in de eerste eeuwen vaak tot bloedige vervolgingen. In het jaar 64 vindt de grote brand van Rome plaats en dan beginnen de eerste vervolgingen (Rome, onder keizer Nero). Petrus en Paulus zijn daar waarschijnlijk omgebracht. In de jaren 249-250 zijn er hevige vervolgingen onder keizer Decius. Deze wil het oude heidendom herstellen en verplicht iedere burger om te offeren aan de Romeinse goden. Wie dat niet doet, riskeert een boete, gevangenschap, dwangarbeid of de dood. Veel christenen zweren hun geloof af, maar veel volharden ook.
  6. In de tweede eeuw werd de kerk van binnenuit bedreigd door gevaarlijke dwaalleer. Ter afweer hiervan werden drie maatregelen genomen: 1. de canon van het Nieuwe Testament werd vastgesteld, zodat iedere christen wist wat als het gezaghebbende Woord van God gold; 2. de Apostolische geloofsbelijdenis werd opgesteld, waarin duidelijk werd gemaakt wat wel en niet tot het christelijk geloof behoort; 3. gemeenten werden voortaan geleid door een bisschop, zodat dwaalleer gemakkelijker geweerd kon worden.
  7. Uiteindelijk kwam er een keizer, die zelf christen werd, namelijk Constantijn de Grote (ong. 300). In het jaar 313 komt het ‘edict van Milaan’ tot stand. Daar staat in vermeld dat de Romeinse burgers vrij zijn zelf hun religie te kiezen en te belijden. Zo komt er een einde aan de christenvervolgingen. Het christendom had zonder geweld het Romeinse rijk overwonnen. De kerk gaat nu een nieuwe fase in: zij wordt een kerk met macht en aanzien.

 B. Kerkvaders, concilies, kloosters (300-500)

  1. Na de bekering van Constantijn de Grote beschermden de Romeinse keizers de kerk en bestreden ze het heidendom. Velen, die in hun hart nog heidenen waren, traden toe tot de kerk en brachten heidense gedachten, gebruiken en gewoonten in de kerk. In die zin ging de strijd tussen christendom en heidendom nog door.
  2. De kerkelijke twisten werden beslist op een concilie. Dit is een vergadering waarin leiders uit de hele toenmalige kerk vertegenwoordigd zijn. Er zijn zeven belangrijke concilies geweest.
  3. Het eerste en meest bekende concilie is dat van Nicea (325). Hier werd stelling genomen tegenover de leer van Arius. Deze beweerde dat Christus een hemels wezen is, maar geschapen door God. Daar tegenover beleed de kerk Christus als “waarachtig God en waarachtig mens”.
  4. De periode 300-500 is ook de periode van de kerkvaders. Dit zijn mensen, die door hun leiding en hun geschriften in de kerk grote en blijvende invloed ten goede hebben uitgeoefend.
  5. Een belangrijke kerkvader is Hiëronymus. Hij vertaalde de Bijbel in het Latijn. Deze vertaling, de zogenaamde Vulgaat, werd tot aan de Reformatie als dé Bijbel gebruikt. Het origineel (Oude Testament in het Hebreeuws, Nieuwe Testament in het Grieks) werd niet gebruikt. Daardoor was er geen optimaal begrip van wat de Bijbel bedoelt. Vertalingen in landstalen bestonden niet, zodat alleen de priesters en bisschoppen de Bijbel (in vertaling) konden lezen. Pas met de Reformatie gingen de predikanten de Bijbel in de oorspronkelijke talen lezen en is de Bijbel in de landstalen vertaald.
  6. De belangrijkste kerkvader is Augustinus (ong. 400). Hij kwam uit Noord-Afrika, het huidige Algerije. Door zijn vele geschriften, waarvan de leer van zonde en genade de kern vormt, heeft hij tot op onze tijd zeer grote invloed uitgeoefend op de verkondiging van de kerk. Zijn bekendste boeken zijn: ‘Belijdenissen’, waarin hij zijn leven en bekering vertelt, en ‘de Stad van God’, waarin hij een grootse theologische en filosofische verdediging van het christendom biedt..
  7. In 451 vond het concilie van Chalcedon plaats. Dit ging over de verhouding van de goddelijke en menselijke natuur van Christus. De kerk belijdt dat er in de éne persoon van Christus twee naturen zijn, de goddelijke en menselijke, die ‘ongemengd, onveranderd, ongedeeld en ongescheiden’ bij elkaar zijn.
  8. Veel christenen vonden dat de kerk te wereldgelijkvormig werd. Zij trokken zich als kluizenaars terug in de eenzaamheid (de woestijn bijvoorbeeld) of gingen als monniken en nonnen in kloosters samenwonen.

 C. Vroege Middeleeuwen (500-1000)

  1. Tussen 400 en 500 hadden in Europa grote veranderingen plaats. De Germanen overstroomden het Romeinse rijk, dat tenslotte helemaal instortte. In 410 plundert Alaric de stad Rome en daarmee valt het rijk. Daarmee kwam er ook een nieuwe taak voor de kerk: de Evangelieverkondiging onder deze jonge, onbeschaafde volken.
  2. In deze tijd gaan de bisschoppen van Rome een steeds belangrijkere plaats innemen in de kerk. Zij laten zich paus noemen en gaan zich geleidelijk aan gezag toekennen over de andere bisschoppen. Zij beschouwen zich als ‘plaatsvervanger van Christus op aarde’. Deze pauselijke opvatting kreeg in het westen de overhand, terwijl men in het oosten alle bisschoppen als gelijkwaardig beschouwt. Dit leidde in 1054 tot de eerste kerkscheuring: de Oosters-Orthodoxe kerk in het oosten, die de paus niet wilde erkennen en de Rooms-katholieke kerk in het westen. Daarnaast had dit schisma ook te maken met een verschil in visie op de leer van de Drieëenheid. Terwijl de oosterse kerk leert dat de Geest uitgaat ‘van de Vader’, leert de westerse kerk dat de Geest uitgaat ‘van de Vader en de Zoon’ (Filioque).
  3. De Oosters-Orthodoxe kerk heeft in de 7e eeuw grote verliezen geleden door de opkomst van de Islam. Turkije bijvoorbeeld, dat eerst geheel christelijk was, is geheel islamitisch geworden.
  4. Tussen het jaar 500 en 1000 drong het Evangelie door in heel West- en Noord-Europa. In het jaar 503 laat Clovis, de koning van de belangrijkste stam van west-Europa, de Franken, zich dopen. Velen van zijn volk volgen zijn voorbeeld. Dit betekent een belangrijke stap in de kerstening van Europa.
  5. Zo komt het Evangelie ook in Nederland. De belangrijkste kerkleiders uit deze begintijd van het Nederlandse christendom zijn: 1. Willibrord. Hij kwam uit Engeland en landde in 692 op de Hollandse kust. Hij werd de eerste bisschop van Utrecht. In het centrum van Utrecht staat een groot standbeeld van hem, gezeten op een paard, met de kerk in zijn hand. 2. Bonifatius. Ook hij kwam uit Engeland. Hij werd in 754 bij Dokkum door de Friezen vermoord. 3. Liudger. Hij was een Fries en de eerste Nederlandse zendeling. Hij bracht het Evangelie in Friesland en in de Achterhoek. Hij werd bisschop van Munster (ong. 800).

 D. Late Middeleeuwen (1000-1517)

  1. In deze eeuwen meenden de pausen als stadhouders van Christus de wereld te moeten beheersen. Zij maakten wel een onderscheid tussen de wereldlijke macht, die bij de keizer lag, en de geestelijke macht, van de kerk (de paus). De wereldlijke macht gaat over zaken tussen personen (diefstal, moord etc.). Hierover oordeelt de staat. De geestelijke macht gaat over het geloof. Hierover oordeelt de kerk. De paus moet toezien op het ware geloof, en elke ketterij bestrijden. Dat laatste gebeurde door middel van de Inquisitie. Gelovigen die zich niet hielden aan de katholieke leer, konden ter dood gebracht worden.
  2. In deze tijd trokken miljoenen mensen ter kruistocht naar het Heilige Land, om dat op de Turken te veroveren (1100-1300). Ze werden daartoe opgeroepen door het kerkelijk gezag met de leus: ‘God wil het’.
  3. Ondertussen drong er steeds meer bederf in de kerk door. Dat kwam niet alleen door de heerszucht en hebzucht van vele pausen en bisschoppen, maar ook werd de leer van de kerk vervormd door verschillende dwalingen:
  4. De mis werd gezien als de herhaling van het offer van Christus, in plaats van als de gedachtenis aan het eenmalige offer van Christus.
  5. In de mis ontvingen de gelovigen alleen het brood, en niet de wijn, tegen het gebod van Christus in.
  6. De aflaatpraktijk. Je kon door een gift aan de kerk te schenken een ‘aflaatbrief’ ontvangen: een bewijs dat je zonden vergeven waren. Dit kon zelfs voor overledenen gebeuren, die hierdoor minder lang in het vagevuur hoefden te blijven. Zonder berouw en boete kon je dus vergeving ontvangen.
  7. De verering van heiligen, beelden en relikwieën, die altijd al bestaan had, nam in deze tijd extreme vormen aan, waardoor het geloof in Christus verdrongen werd.
  8. Toch heeft God ook in deze eeuwen de kerk gebruikt om mensen tot Christus te leiden. Van de diepe vroomheid van de Middeleeuwen getuigen nog altijd de indrukwekkende kerkgebouwen uit die tijd.
  9. Bovendien kwamen er ook vernieuwingsbewegingen op binnen de kerk, zoals die van de Waldenzen. Rond 1175 voelde de lyonese koopman Petrus Valdes zich aangesproken door de opdracht van Jezus aan zijn apostelen. Hij besloot zijn bezit prijs te geven en te gaan prediken. Anderen volgden zijn voorbeeld. Zij bekritiseerden de levenswijze van de rijke geestelijken en brachten kennis van de bijbel over. Ze verwierpen de eed en het wapendragen en ook de aflaatpraktijken en het opdragen van missen ten behoeve van gestorvenen. Ze hadden geen afgerond systeem, maar probeerden concreet Christus na te volgen. Aanvankelijk liet de kerk hen toe, maar in 1184 kwam er een pauselijk verbod met excommunicatie, in 1215 gevolgd door de veroordeling tot ‘ketters’ en vervolging door de inquisitie. In Noord-Italië bleef echter een groep bestaan, die zich later met de Reformatie verbond.
  10. Een andere belangrijke vernieuwingsbeweging ontstond rond Franciscus van Assisi (ong. 1200). Hij brak met alle macht, rijkdom, pracht en praal van de kerk, en verbond het geloof juist met een leven in vrijwillige armoede. Zij vormden later een kloosterorde en bleven zo bij de Rooms-katholieke kerk betrokken. Deze orde van de Franciscanen of Minderbroeders bestaat nog steeds.
  11. In deze tijd bloeit de theologie. Vanuit de kloosters (!) ontstaan in de dertiende eeuw de universiteiten. De belangrijkste theoloog van de katholieke kerk wordt Thomas van Aquino (omstr. 1250). In zijn theologie worden denken en geloven (‘natuur’ en ‘genade’) op een heel harmonische manier met elkaar verbonden.
  12. Het pausdom raakte in de 14e en 15e eeuw vreselijk in verval. De periode van 1309 tot 1377 wordt de ‘Babylonische gevangenschap’ van de pausen genoemd. Zij zetelden in die periode niet in Rome, maar in Avignon en waren helemaal afhankelijk van de Franse koning. De periode daarna, van 1378 tot 1417, wordt ‘het grote schisma’ genoemd. Er heersen in die periode steeds twee pausen, een in Avignon en een in Rome, die elkaar ‘uit de kerk zetten’ (excommuniceren)!
  13. Ook leidden vele bisschoppen en monniken een allerschandelijkst leven. Geen wonder, dat in veel landen de roep klonk om een hervorming van de kerk. Tal van personen en bewegingen uit deze eeuwen kunnen beschouwd worden als voorlopers van de Reformatie. Dat geldt onder andere voor Johannes Hus. Deze Tsjech had vanuit de Bijbel scherpe kritiek op de kerkelijke organisatie en het pausdom. Hij werd in 1415 veroordeeld en op de brandstapel gebracht. Voor zijn sterven zou hij gezegd hebben: ‘Jullie verbranden nu een gans (‘Hus’ betekent ‘gans’) maar uit mijn as zal een zwaan herrijzen.’ Die woorden zag men in vervulling gaan toen Luther opstond. Vandaar dat de zwaan het symbool van de lutherse kerk is!
  14. In Nederland was er ook een vernieuwingsbeweging in de katholieke kerk: de ‘moderne devotie’. Geert Grote (ong. 1375), een groot volksprediker, was de stichter van deze beweging. Ook Thomas á Kempis, de schrijver van het beroemde boekje ‘De navolging van Christus’ behoorde tot deze beweging. Er waren kloosters van de moderne devotie o.a. in Windesheim.
  15. Kritiek op de kerk blijft en wordt door de opkomst van de bijbelwetenschap sterker. Ook geleerden buiten de geestelijkheid om kunnen de bronnen gaan lezen. In Nederland is er de humanist Wessel Gansfort (ong. 1450) die kritiek uit op de overschatting van pausen en concilies, op de aflaattheorie en op de heiligenverering.
  16. Ook de Nederlandse Desiderius Erasmus (ong. 1500) hoorde bij de humanisten. Hij publiceert een Nieuwe Testament in het Grieks, waardoor iedere taalkenner kon nagaan in hoeverre de latijnse kerkelijke vertaling hiermee overeenstemde. Bekend werd zijn boekje ‘Lof der zotheid’ waarin hij de onkunde van de meeste geestelijken hekelde en het feit dat zij de gelovigen dom hielden.

 E. 1517-1648

  1. Op 31 oktober 1517 sloeg een monnik uit Wittenberg, Maarten Luther, 95 stellingen tegen de aflaathandel aan de poort van de slotkerk aldaar. Later werd dit moment gezien als het begin van de Reformatie. Daarom vieren wij nog jaarlijks op 31 oktober ‘Hervormingsdag’.
  2. Tengevolge van zijn stellingen, die groot opzien baarden, raakte Luther in conflict met de paus. In 1520 deed de paus hem in de ban, waaruit bleek dat de kerkelijke leiding zich niet door het Woord Gods wilde laten hervormen. Nu bleef er niets anders over dan te proberen de plaatselijke gemeenten en de regionale kerken te hervormen. Hierdoor ontstond een zware strijd tussen de pausgezinden en de hervormingsgezinden, die zich uitbreidde over een groot deel van Europa.
  3. Op de Rijksdag te Worms (1521) weigerde Luther te herroepen, tenzij hij uit de Bijbel van zijn dwaling werd overtuigd. Hier sprak hij volgens de overlevering de woorden: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’
  4. Na afloop van de Rijksdag werd hij naar de Wartburg gebracht, waar hij een tijd lang ondergedoken zat en werkte aan de eerste Bijbelvertaling in de landstaal. Tot die tijd was de Bijbel alleen vertaald in het Latijn (de Vulgaat), de taal die alleen door de priesters en bisschoppen gelezen kon worden. De Reformatie gaf de Bijbel in de handen van het ‘gewone’ volk.
  5. In 1525 trouwde de monnik Luther met Catharina van Bora. Zo werd het in de ogen van Rome van kwaad tot erger. Maar Luther meende dat men God niet moest dienen in afzondering, zoals in het klooster, maar dat God juist in het gewone leven van huwelijk, werk en gezin, gediend wilde worden. Hij noemde het gezin ‘het nieuwe klooster’, een ‘kerkje in de kerk’.
  6. De leer van de Reformatie kan samengevat worden in de drie ‘sola’s’: sola Scriptura (‘alleen de Schrift’; niet Schrift én traditie hebben gezag); sola gratia (‘alleen door genade’; niet door genade én eigen verdienste worden we behouden); sola fide (‘alleen door geloof’; niet door geloof én goede werken worden wij gerechtvaardigd). Soms worden daar nog twee ‘sola’s’ aan toegevoegd, die ook typisch Reformatorisch zijn. ‘Solus Christus’ (‘alleen Christus’; niet Christus én Maria en de heiligen redden ons); ‘soli Deo gloria’ (‘alleen aan God de eer’; eer of roem mag er niet zijn voor de mens, de mens is de genade niet waard en kan die ook niet verdienen, de eer voor zijn redding en voor zijn goede werken komt alleen God toe).
  7. Het belangrijkste belijdenisgeschrift van de lutherse kerk wordt de Augsburgse confessie…
  8. In Nederland drong de hervorming spoedig door. De eerste martelaren werden in 1523 in Brussel verbrand. In 1525 stierf Jan de Bakker in Den Haag de marteldood.
  9. De Roomse kerk probeerde door de instelling van de inquisitie-rechtbanken en van de orde der Jezuïeten haar wankelend gezag terug te winnen, waarbij Roomse vorsten als Karel V en Philips II haar steunden.
  10. In Genève werd de Reformatie ingevoerd door Johannes Calvijn. Hij ontwikkelde een andere ‘variant’ van protestantisme: het gereformeerde, dat zich steeds meer ging onderscheiden van de oorspronkelijke, lutherse reformatie. Calvijn kreeg vooral invloed in Zwitserland, Frankrijk, Nederland, Engeland en Schotland (en later door emigratie ook in de Verenigde Staten). De verschillende protestantse kerken in Nederland vinden hun oorsprong allemaal ook bij Calvijn.
  11. Kenmerkend voor Calvijn is: a. het ambt van ouderling. In de lutherse kerk is er eigenlijk maar één ambt, dat van predikant. Calvijn maakt de ouderling en daarmee de kerkenraad het belangrijkste in de gemeente. De ouderlingen moeten toezien op leer en leven van de gemeente. Vooral rond het Avondmaal heerst een strenge tucht.
  12. Kenmerkend voor Calvijn is ook de ‘theocratie’: niet alleen de kerk, maar ook de staat is onderworpen aan Gods gezag en moet God dienen. Berucht is de affaire met Michael Servet, een theoloog en kerkleider die de Drieëenheid verwierp. Mede door Calvijn is deze, door de stad Genève, op de brandstapel gebracht. De staat moet de ware (gereformeerde) godsdienst bevorderen.
  13. Kenmerkend voor Calvijn is ook dat alles draait om de eer van God.
  14. Een derde Reformator is Zwingli. Hij is de Reformator van Zürich. …
  15. In Groot-Brittannië ontstaat de Anglicaanse kerk, doordat in 1533 koning Hendrik VIII wordt geëxcommuniceerd.
  16. In 1545 begint het concilie van Trente.
  17. De protestanten hebben in verschillende landen hun vrijheid met het zwaard moeten veroveren: in Frankrijk de Hugenoten. De vervolging tegen hen begon in 1572. In 1685 werden zij uit het land verdreven. Velen van hen zijn toen naar Nederland gevlucht. In Nederland was er de tachtigjarige oorlog tegen het Rooms-katholieke Spanje (1568-1648). In Duitsland was er de dertigjarige oorlog (1618-1648). In 1648 ontstaat er weer vrede in Europa.
  18. Naast lutheranen en gereformeerden ontstaat nog een derde stroming: de dopersen. Zij worden zo genoemd omdat zij tegen de kinderdoop zijn. Uiteindelijk heeft niet de Bijbel, maar de directe inspiratie van de heilige Geest voor hen gezag. Zij willen het kerkelijk instituut ook nog verder afbouwen dan Luther en Calvijn. In Nederland worden zij geleid door Menno Simons. De kenmerken van zijn gemeenten worden: sterke wereldmijding, afkeer van staatsinvloed, zelfstandige Bijbelstudie, bereidheid om het lijden te aanvaarden, streven naar heiliging.
  19. In ons land werd omstreeks 1610 de Hervormde Kerk in beroering gebracht door een zware inwendige strijd tussen de ‘remonstranten’ en de ‘gereformeerden’ (contra-remonstranten). De remonstranten kwamen in verzet tegen met name de leer van de uitverkiezing. Volgens hen hing de zaligheid uiteindelijk niet af van Gods beslissing, maar van de menselijke beslissing. Deze leer werd op de synode van Dordrecht (1618-1619) door de kerk veroordeeld. De eerste kerkscheuring binnen het protestantisme was een feit.
  20. De synode van Dordrecht gaf ook opdracht tot het vervaardigen van een nieuwe Bijbelvertaling, die in 1637 gereed kwam: de Statenvertaling.
  21. Het resultaat van deze strijd was het volgende: in Spanje en Italië werd het protestantisme bijna geheel uitgeroeid. In Frankrijk en Oostenrijk bleef er ook niet veel van over. In Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland zegevierde de lutherse hervorming. Het grootste deel van Duitsland werd eveneens luthers. In Zwitserland, Schotland en Nederland zegevierde de gereformeerde hervorming.
  22. In de Hervormingstijd ontstonden ook de gereformeerde belijdenisgeschriften (zie elders)

 F. 1648-1795

  1. In deze periode had in de meeste landen de wereldlijke overheid zeggenschap in kerkelijke zaken. Ook waar verschillenden kerken werden geduld, werd er toch één als de nationale volkskerk erkend en boven de andere verheven. Zo waren er ook in ons land meerdere kerkgenootschappen, maar de Nederlandse Hervormde kerk gold als bevoorrechte ‘staatskerk’.
  2. In veel protestantse kerken ging het kerkelijk leven verstarren. Alle nadruk viel op de zuivere leer, maar velen stemden daar alleen verstandelijk mee in, zonder dat zij een levend geloof hadden.
  3. In verschillende landen kwam daartegen echter een reactie. In Nederland sprak men van de ‘Nadere Reformatie’. Deze beweging legde de nadruk op de bekering en op een vroom leven. Groot was de invloed van mannen als Voetius, Van Lodenstein en á Brakel.
  4. Maar de beweging van de ‘Nadere Reformatie’ verviel soms in de fout om de bekeerde mens in het middelpunt te plaatsen en te menen, dat, wie niet volgens hun weg bekeerd was en niet hun vrome levensgewoonten aannam, geen echte christen kon zijn. De Nadere Reformatie werkt tot op de dag van vandaag door in de zogenaamde ‘gereformeerde gezindte’ (de Gereformeerde Bond, de Hersteld Hervormde kerk, de Christelijke gereformeerde kerk, de Gereformeerde gemeenten).
  5. In deze tijd (18e eeuw) kwam ook de machtige stroming van de ‘Verlichting’ op, die zich afkeerde van het christelijk geloof, zoals dit de eeuwen door beleden was. Men leerde dat de mensheid door het ‘licht van het verstand’ de waarheid en het geluk zou vinden. Velen, vooral in Frankrijk, verwierpen de Bijbel en de leer van de kerk als verouderd. Anderen wilden de Verlichting met het Evangelie verenigen, waarbij de kracht van het Evangelie voor een groot deel verloren ging. Het geloof werd een kwestie van verstand en moraal (deugdzaam leven), in plaats van vertrouwen op Jezus Christus.
  6. Deze Verlichting had ook binnen de kerk invloed, zoals onder meer nog blijkt uit de oude Psalmberijming, die uit deze tijd stamt (1773). In de oude psalmberijming wordt God soms het ‘Opperwezen’ genoemd – een titel die je in de Bijbel niet vindt, maar uit de Verlichting stamt (bijv. Psalm 8:1,9). Ook wordt het geloof heel sterk verbonden met een ‘deugdzaam leven’, hetgeen in de Bijbel niet voorkomt (vergelijk bijvoorbeeld de Berijming Psalm 1:4 eens met de Bijbeltekst). En geloof wordt heel sterk verbonden met verstand en rede, wat men in de Bijbel evenmin zo vindt (vergelijk Psalm 14:1 eens met de Bijbeltekst).
  7. Het hoogtepunt van de Verlichting was de Franse revolutie (1789, in ons land 1795), die een storm over Europa ontketende. Een van de voornaamste gevolgen was de scheiding van kerk en staat.

 G. 1795-1914

  1. Op de Franse revolutie volgde de overheersing door Napoleon. Toen deze in 1815 haar einde vond, herademden de volken van Europa. Men verlangde nu bovenal naar rust. In de kerk bepaalde een mengsel van Verlichting en christendom de boodschap. De reformatorische boodschap van zonde en genade was op de meeste plaatsen niet zo duidelijk hoorbaar meer.
  2. Koning Willem I wilde ook op kerkelijk gebied orde op zaken stellen en legde in 1816 aan de Hervormde kerk een organisatie op, die niet de belijdenis centraal stelde, maar de handhaving van orde en rust. De kerk liet zich dit na enig vergeefs protest welgevallen.
  3. Grote en zegenrijke invloed is uitgegaan van het Réveil, een internationale, godsdienstige opwekkingsbeweging, die vooral onder de hogere standen aanhang vond (Bilderdijk, Da Costa, Groen van Prinsterer). Op het gebied van evangelisatie, geloofsopvoeding en geloofsverdieping heeft deze beweging veel betekend.
  4. Gelovigen die het onder de ‘vrijzinnige’ prediking in de Nederlandse Hervormde kerk niet meer konden vinden, kwamen bijeen in huiskamers (conventikels). Van daaruit ontstond verzet tegen de prediking, de organisatie en de liturgie (gezangen) van de Hervormde Kerk. Dit leidde in 1834 tot de Afscheiding onder leiding van ds. H. de Cock te Ulrum. Zij vormden de Christelijke Gereformeerde Kerk: de tweede kerkscheuring in ons land.
  5. Intussen bleef de geest van de Verlichting doorwerken, zij het ook in andere vormen. De vele uitvindingen, de opkomst van de moderne industrie, de uitbreiding van de politieke vrijheid, de bloei van de wetenschappen, de toenemende volksontwikkeling, dit alles bevestigde bij de ‘moderne mens’ het geloof in de vooruitgang. Men meende dat de mens door zich helemaal vrij te ontplooien, los van God en de kerk, het beste uit zichzelf naar boven zou halen en de samenleving zich steeds hoger zou ontwikkelen.
  6. Omstreeks 1850 kwam in de kerk het zogenaamde modernisme op, dat alles ontkende wat in strijd was met de wetenschap van die dagen: bijvoorbeeld wonderen, gebedsverhoring, dat Jezus de Zoon van God is, dat Hij is opgestaan en ten hemel gevaren. Als reactie op dit modernisme ontstaan er in de kerk verschillende stromingen. De verdeeldheid neemt toe. De Confessionele Vereniging werd opgericht (1864; Groen van Prinsterer, Hoedemaker), die opkwam voor de belijdenis van de kerk. Deze Vereniging bestaat nog steeds en vormt een stroming binnen de Protestantse Kerk in Nederland. De Gereformeerde Bond wordt even later opgericht (1906), eveneens uit zorg om de leer van de kerk. Ook deze bestaat nog steeds. Ook de ‘ethische richting’ (Gunning) kwam op, die probeerde te bemiddelen tussen het modernisme en de confessionele stroming. Deze stroming is nu niet meer herkenbaar in de PKN. Ook de vrijzinnigen gaan in deze tijd een eigen stroming binnen de kerk vormen.
  7. Ook de RKK heeft de maken met het modernisme.
  8. In 1886 ontstaat onder leiding van Abraham Kuyper een nieuwe kerkscheuring: de derde, de ‘Doleantie’ genaamd. De Gereformeerde kerken ontstaan, geboren uit verzet tegen de ‘vrijzinnige koers’ van de Hervormde kerk. De Gereformeerde kerken zullen zich in 2004 weer verenigen met de Hervormde kerk tot de Protestantse Kerk in Nederland.
  9. In 1907 ontstaan de Gereformeerde gemeenten (“in Nederland en Noord-Amerika”).
  10. Onder de arbeiders van de moderne industrie heersten treurige toestanden. De kerk deed er weinig aan om dit te verbeteren. De socialisten trokken zich het lot van de arbeiders wel aan. Dit socialisme was vaak anti-kerkelijk en versterkte zo de ontkerstening van de samenleving.
  11. Al met al is de periode 1795-1914 ook de eerste periode van ontkerkelijking. Drie groepen raken van de kerk vervreemd: 1. de arbeiders, doordat de kerk geen oog heeft voor hun nood. 2. de hoogopgeleiden, doordat de kerk geen antwoord heeft op de opkomende wetenschap. 3. veel ‘gewone gelovigen’, doordat de kerk verstrikt raakt in onderlinge verdeeldheid.

 H. 1914-1960

  1. 1914-1918. Dit zijn de jaren van de eerste wereldoorlog. Deze verstoort wreed het geloof in de vooruitgang, dat tot dan toe geheerst had. Velen raakten alle geestelijk houvast kwijt, wat leidde tot zedenverwildering en genotzucht.
  2. 1918-1939. De jaren tussen de eerste en tweede wereldoorlog. In Europa heerst armoede en werkloosheid. De democratie komt onder druk te staan, totalitaire leiders als Hitler en Mussolini komen op. In de kerk heerst veel gezapigheid en vrijzinnigheid, maar er is ook een stroming onder leiding van de Zwitserse theoloog Karl Barth, die opnieuw opkomt voor de prediking van de Reformatie. Deze stroming krijgt ook invloed in Nederland. Men verlangt naar een vernieuwing van de Hervormde kerk: een nieuwe organisatie, vernieuwing van de liturgie en meer eenheid met andere kerken.
  3. 1939-1945. De tweede wereldoorlog. In de kerk ontstaat na enige aarzeling een krachtig geestelijk verzet tegen het nationaal-socialisme. Men ziet in de verheerlijking van ‘bloed en bodem’, van eigen ras en staat, een nieuwe vorm van heidendom. De kerk verzet zich tegen de Jodenvervolging, de aantasting van de christelijke vrijheden en het onrecht. De kerk wordt voor veel mensen weer een thuis.
  4. 1944. Midden in de oorlog, in 1944, vindt in Nederland nog een kerkscheuring plaats. Uit de gereformeerde kerken scheidt een groep onder leiding van Klaas Schilder zich af. Zij vormen de Gereformeerde kerken vrijgemaakt.
  5. 1945-1960. Na de oorlog gaan er enerzijds dingen verbeteren in de kerk. Er komt een nieuwe kerkorde (1951), een nieuwe Bijbelvertaling (1951), een nieuwe Psalmberijming (1968) en een nieuw Liedboek (1973). De Nederlandse Hervormde kerk wil weer echt volkskerk zijn: kerk ten dienste van het hele Nederlandse volk. Zij wil de evangelisatie weer ter hand nemen en een boodschap voor de wereld hebben. Toch komt ook de oude verdeeldheid, die er voor de oorlog was, weer terug. Verdeeldheid binnen de kerk tussen ‘vrijzinnigen’ en ‘rechtzinnigen’. Ook verdeeldheid tussen de verschillende kerken. Bovendien blijken steeds meer mensen zich van de kerk los te maken.
  6. In 1948 ontstaan de oud-gereformeerde gemeenten in Nederland.
  7. In 1953 vindt in Nederland weer een kerkscheuring plaats. De gereformeerde gemeenten in Nederland ontstaan.

I. 1960-heden

  1. In 1967 ontstaat opnieuw een kerkscheuring. Een groep uit de Gereformeerde kerken vrijgemaakt scheidt zich af en vormt de Nederlands gereformeerde kerken.
  2. 1968 is een nieuw ‘revolutiejaar’ in Europa. De mensen gaan nog meer dan voorheen zelf bepalen wat ze met hun leven willen. Zij laten zich niet meer gezeggen door welk gezag dan ook. De vader in het gezin, de overheid en de kerk: zij verliezen aan invloed. De sexuele revolutie zorgt voor een lossere moraal. De kerk wordt ervaren als onderdrukkend instituut, waar je je maar beter van bevrijden kunt.
  3. De ontkerkelijking gaat door. In 1960 is 81 % van de Nederlanders lid van een kerk, in 2007 is dit nog 43%. Het kerkbezoek ligt nog veel lager.
  4. De meeste mensen die afscheid nemen van de kerk, sluiten zich niet ergens anders bij aan. Zo groeit het aantal mensen dat nergens bij hoort van 18 % in 1960 naar 49 % in 2007.
  5. De enige godsdienst die in Nederland groeit, is de Islam. In 1960 is nog 0 % van de bevolking moslim, in 2007 is dit 6 %. Terwijl dit eerst alleen immigranten uit Turkije en Marokko zijn, worden sinds de jaren 1990 ook autochtone Nederlanders islamitisch. Momenteel worden meer christenen in Nederland moslim, dan andersom. De islam behoort daarom naast de ontkerkelijking tot de uitdagingen van de kerk voor de toekomst.
  6. De immigratie zorgt niet alleen voor een toename van het aantal moslims, maar ook voor een verbreding van het christendom in Nederland. Nu al zijn er zo’n 800.000 allochtone christenen in ons land. In een stad als Amsterdam zijn er veel meer allochtone, dan autochtone christenen.
  7. Tussen de kerken gaat het zoeken naar eenheid door. In 1962 begint op initiatief van een aantal Hervormde en gereformeerde predikanten het ‘Samen-op-weg-proces’. Dit leidt in 2004 tot het ontstaan van de Protestantse kerk in Nederland, een vereniging van drie kerken: de Nederlandse Hervormde kerk, de Gereformeerde kerken en de Evangelisch-Lutherse kerk.
  8. Tegelijk gaat ook de verdeeldheid door. In 1980 ontstaan de Gereformeerde gemeenten in Nederland buiten verband, een afsplitsing van de gereformeerde gemeenten in Nederland. Met het ontstaan van de PKN is er ook een stroming binnen de Nederlandse Hervormde kerk die niet mee wenst te gaan in deze vereniging. Zij scheiden zich af en vormen de Hersteld Hervormde kerk. Ook een heel klein deel van de Gereformeerde kerken gaat niet mee. Zij vormen de Voortgezette gereformeerde kerken in Nederland. Ook in de gereformeerd-vrijgemaakte kerken ontstaat steeds meer tweedracht tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen. Sinds 2003 zijn er gemeenten die zich afscheiden en de ‘Nieuwe vrijgemaakte kerken’ vormen.