Het Oude Testament

1.     De aanduiding ‘Oude Testament’

Deze betekent dat deze boeken gaan over het oorspronkelijke verbond dat God met het volk Israël gesloten heeft. ‘Testament’ betekent hier dus ‘verbond’. Een testament is een verbond dat gesloten wordt door de dood van een dier of mens die in plaats van de verbondspartners sterft; of symbolisch door een beetje bloed van de verbondspartners zelf dat vloeit als bevestiging van het verbond. In het Oude Testament is het de dood en het bloed van de offerdieren dat het verbond bevestigt. Daarnaast verwijst ‘testament’ naar een op schrift gestelde wilsbeschikking. Zo verwijst het woord in de kern naar de tien geboden, die op twee stenen tafelen geschreven werden en het document zijn van het verbond; en in bredere zin naar het geheel van de boeken van het Oude Testament.

 

2.     De prehistorie I: schepping

De Bijbel begint met het Oude Testament. Dit begint met het boek Genesis (wording), en dit boek begint met de schepping van de wereld, het begin van alles. De eerste zin van de Bijbel is: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” (Gen. 1:1) Het woord ‘scheppen’ wordt alleen voor God gebruikt, omdat het betekent: iets maken door het woord dat je spreekt, zonder dat er iets anders voor nodig is. Alleen God kan dit. God schiep de wereld (heelal) en de mens. Hij plaatste ons in zijn wereld en stelde ons onder zijn gezag.

In het eerste hoofdstuk van de Bijbel horen we in de eenvoudigste woorden de hoogste waarheid over onszelf en over de plaats, waar God ons heeft gesteld.

In zes dagen schiep God hemel en aarde: het licht, het uitspansel, aarde en zee met de plantenwereld, de hemellichten, de vissen en vogels, de landdieren en de mens. De mens is uniek daarin, dat geschapen is naar Gods beeld. “En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” (1:27) Zoals er een meervoud is in God (“Laten Wij mensen maken…, 1:26), zo ook in de mens: man en vrouw. In die tweeheid is de mens beeld van God, dat betekent: zoals God zichzelf en de mens liefheeft, en over de mens heerst, zo kan de mens God en zichzelf (man respectievelijk vrouw) liefhebben en over de dieren en planten heersen. Dit heersen over al wat leeft, is de opdracht die de mens van God krijgt. (1:28)

Na elke dag spreekt God uit dat het gemaakte goed is en na de zesde klinkt overtreffend: “En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.” (1:31a) Op de zevende dag rustte God. Ook daarin is de mens beeld van God: zoals God zes dagen gewerkt heeft en de zevende mocht rusten, zo moet de mens naar Gods wet zes dagen arbeiden en dan mag hij de sabbat genieten. (Ex. 20)

God plaatste de mens in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren, onder Zijn gebod. Hij stelde hem over de dieren, die hij hun naam mocht geven, en gaf hem zijn vrouw, als een ‘hulp die bij hem past’ (2:18).

 

II.

Deze vertelling van de schepping is opgeschreven ten tijde van de Babylonische ballingschap, in de zesde eeuw voor Christus; dus door geleerde joden; echter niet in het land Israël, maar in Babel. Daarbij is gebruik gemaakt van scheppingsverhalen uit de omgeving van Israël, zoals uit Babel.

Volgens het Mesopotamische scheppingsepos waren er in het begin slechts twee goden: Apsu = het oerwater onder de aarde en Tiamat = de zee. Zij krijgen vier generaties goden die erg rumoerig worden. Apsu wil er een einde aan maken. Dit wordt echter ontdekt door de god Ea, die alles weet. Ea doodt Apsu en neemt zijn domein en plaats over. Ea schept Marduk: een supergod. Tiamat is dan verontrust en de goden hitsen haar op om de dood van Apsu te wreken. Tiamat schept een groepje monsters. Aan één van hen, Qingu, geeft ze zelfs de tafels van het lot. Ea en Tiamat strijden één tegen één. Ea verliest. Nu is het Marduks tijd. Voor het gevecht eist Marduk echter één voorwaarde van de goden: als hij wint, wordt hij de oppergod. De goden besluiten dat dat goed is. Marduk vecht en wint. Hij krijgt ook de tafels van het lot in handen. Hij hakt Tiamat in tweeën en daarvan maakt hij hemel en aarde. Uit Qingu’s bloed schept hij de mens, om het zware werk te doen. Hij verdeelt de goden in hemelgoden en onderwereld-goden. Als laatste werk moeten de goden Babylon bouwen. Marduk wordt uitgeroepen tot koning der goden.

Aan een mythe als dit kun je goed het verschil tussen de heidense religies en de Bijbel aflezen.

We kunnen dan ook niet zeggen dat Genesis 1 en 2 letterlijk beschrijven wat er gebeurd is bij het ontstaan van het heelal. Het scheppingsverhaal is een schepping van het geloof van Israël. Dit geloof is uniek. Daarom is ook het scheppingsverhaal uniek. De schrijvers hebben gebruik gemaakt van allerlei elementen uit bestaande scheppingsverhalen, maar corrigeren deze ook en spotten er zelfs mee. De zon en de maan, die rondom Israël als goden vereerd werden, worden in het scheppingsverhaal van Genesis bijvoorbeeld pas op de vierde geschapen. Het zijn niet meer dan lampjes die God ophangt. Het licht daarentegen wordt al geschapen op de eerste dag. Er is een licht dat niet afhankelijk is van de zon. Een ander element is dat in de scheppingsverhalen van rondom Israël de wereld het resultaat is van een strijd tussen goden en machten. De wereld moet bevochten worden. In Genesis 1:2a wordt hier nog aan herinnerd: “De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed;” Alle hier gebruikte woorden hebben een mythologische klank. Wat dat betreft kan niet zomaar gezegd worden dat God volgens Genesis 1 schept uit het niets. Ook schepping is reeds overwinning op het antigoddelijke duister. Toch wordt niet echt van een strijd gesproken. De God van Israël is volkomen superieur. Daarom spreekt uit Genesis 1 een grote rust.

Omdat Genesis 1 een schepping van Israëls geloof uit de zesde eeuw voor Christus is, in debat met de godsdiensten van rondom, kan niet zomaar gezegd worden dat een christen dit letterlijk moet opvatten. Tegenwoordig wordt het ontstaan van de wereld niet meer godsdienstig, maar natuurwetenschappelijk verklaard. Het christelijk geloof biedt daar ruimte toe. We moeten daarom onderscheiden tussen evolutietheorie en evolutionisme. De evolutietheorie is een natuurwetenschappelijke theorie over het ontstaan van het heelal en van de levende wezens op aarde. Het evolutionisme stelt: “Omdat er evolutie is, is er geen God.” Dit volgt echter niet uit de evolutietheorie. Een christen kan dus de evolutietheorie aanvaarden, maar hij moet het evolutionisme verwerpen. Het is onzinnig om te proberen buiten het geloof om te beargumenteren dat het heelal geschapen is door God: “Door het geloof zien wij in dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God.” (Hebr. 11:3a)

 

3.     De prehistorie II: de zondeval

God plaatst de mens in een tuin, de hof van Eden. Twee bomen daar zijn bijzonder: de boom des levens en de boom van de kennis van goed en kwaad. Van de laatste mag de mens niet eten; als hij dat toch doet, zal hij sterven. Dit noemen we ook wel het ‘proefgebod’. God stelt de mens op de proef, of deze wel een betrouwbare partner is. Zo zal God de mens en het volk steeds weer op de proef stellen: Abraham (Gen. 22), het volk in de woestijn, en ook Jezus (Matth. 4).

 

Het derde bijzondere wezen in de hof is de slang. Deze weet bij de mensen twijfel te wekken aan wat God heeft gezegd en hen zo tot zonde te verleiden. Tegen het goddelijke gebod in steken ze hun hand uit naar de verboden boom en eten ze de vrucht. Maar de gevolgen maken hen ongelukkig, ze staan daar in hun schamelheid en trachten hun naaktheid te bedekken, voor God weg te vluchten en de schuld van zich af te schuiven.

Maar God komt, met zijn vloek voor de slang, die hen verleidde, en met zijn straf voor de vrouw en de man, die zich lieten verleiden: verdreven uit het paradijs, wacht hun een moeizaam leven met veel rampen op een vervloekte aarde; een leven dat eindigt in de dood: ‘want stof bent u, en u zult tot stof terugkeren.’ De dood wordt in de Bijbel derhalve niet slechts als een ‘gevolg’ van de zonde gezien (alsof God er ook niets aan kan doen), maar als vloek van God over het mensenleven, een uiting van Gods toorn: ‘wij vergaan door uw toorn’. (Ps 90:7a)

Doch te midden hiervan blijft Gods genade, die eenmaal de boze overwinnen zal. God doet de belofte: “Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar nageslacht. Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult het de hiel vermorzelen.” (3:15) In Jezus heeft God die belofte vervuld.

 

II.

Ook deze geschiedenis van de zondeval is waarschijnlijk geschreven tijdens de ballingschap. Ook hiervan zijn parallellen in de buitenbijbelse literatuur, maar ook hier is de bijbel uniek. Vergeleken met de buitenbijbelse verhalen wordt in Genesis veel meer nadruk gelegd op de persoonlijke ongehoorzaamheid van de mens als bron van alle kwaad.

Ook dit hoofdstuk is niet bedoeld als geschiedschrijving in onze zin van het woord, maar om te zeggen hoe God en mens wezenlijk tegenover elkaar staan. Er wordt hier dus niet iets verteld over een meneer Adam en een mevrouw Eva van heel vroeger. Adam betekent gewoon: mens. Het is geen persoonsnaam, maar een soortnaam. In Adam en Eva zien we dus de mensheid. Het gaat dan ook niet om de zonde van twee individuen, maar om de zonde van de mens als zodanig. Het Nieuwe Testament drukt dat zo uit, dat Adam het hoofd van de mensheid is, en dat daarom allen in Adam gezondigd hebben.

Het mythologische karakter betekent ook, dat de zonde veel meer is dan het letterlijk eten van een verboden vrucht. Door het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad ontvangt de mens de kennis van goed en kwaad. Dat betekent dat hij daarmee op Gods stoel gaat zitten. Hij doet een poging ‘als God te zijn’. God is immers naar bijbels idee de enige die bepaalt wat goed en kwaad is. Hij is de goede wetgever; de mens moet zijn goede wetten gehoorzamen. Het gaat dus niet om een letterlijke boom en vrucht, maar om het feit dat de mens zich Gods plek wil toeëigenen.

Vergelijkbaars geldt voor de slang. Het gaat niet om een letterlijke slang (op pootjes, vs.  ) die letterlijk gesproken zou hebben. De slang is symbool van de onderwereld en het kwaad, dat zich sluw van de mens meester maakt.

 

Bij Genesis 1 hebben we gezegd dat een christen de evolutietheorie niet hoeft af te wijzen. Dat neemt niet weg dat het ontstaan van de zonde in de evolutie moeilijk te plaatsen is. Volgens de evolutietheorie is de wereld en de mens nooit goed geweest. Lijden en dood hadden van meet af aan een plek in de wereld. Het is ook niet overtuigend om in de evolutie een fase te veronderstellen, waarin er al wel mensen waren, maar nog geen zonde en dood. Toch maakt dat het bijbelverhaal niet betekenisloos. De bijbel wil ons zeggen: onze wereld is weliswaar verloren, ‘vervloekt’ zelfs. Zo is het echter door God nooit bedoeld en het is ook niet Gods schuld dat dit zo is. Dat is een boodschap die we altijd kunnen vasthouden, ongeacht de theorie over het ontstaan van de wereld.

 

4.     De prehistorie III: van Kaïn tot Babel.

Adams geslacht, eenmaal tot zonde vervallen, komt spoedig tot de diepste goddeloosheid. Kaïn, Adams zoon, kan het niet verkroppen dat God het offer van zijn broer Abel aanvaardt en het zijne niet. “Door het geloof heeft Abel God een beter offer gebracht dan Kaïn.” (Hebr. 11:4a) Kaïn geeft zozeer aan zijn afgunst toe, dat hij Abel in toorn doodslaat. God zegt: “Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.” God vervloekt Kaïn enerzijds, maar anderzijds ontvangt deze onverdiend ontvangt het teken van Gods genade. Een van zijn nakomelingen, Lamech, zingt zijn woest wraaklied. En ook het langste leven, dat van Methusalem, maakt hem slechts rijp voor de zondvloed. Maar “Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God nam hem weg.” (5:22). “Door het geloof werd Henoch weggenomen, opdat hij de dood niet zou zien.” (Hebr. 11:5a)

Het menselijk geslacht is tenslotte zo verdorven, dat God zijn verdelging beraamt; met uitzondering van Noach, ‘de prediker der gerechtigheid’ (2 Petr. 2:5), die nog met God leeft. Hem wil God redden door middel van de ark, die hij moet maken. “Door het geloof heeft Noach […] de ark gebouwd, tot redding van zijn gezin. Daardoor heeft hij de wereld veroordeeld.” (Hebr. 11:7) Noach en zijn gezin blijven gespaard in de ark bij de zondvloed, die overigens heel de mensheid verdelgt.

Uit Noach met zijn zonen Sem, Cham en Jafeth bouwt God de nieuwe mensheid. Met hen sluit Hij zijn verbond met zijn verordeningen en zijn teken: de regenboog. God belooft: “Voortaan, al de dagen van de aarde, zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.” (8:22) Het beeld Gods in de mens is ondanks alles niet teloor gegaan en daarom wordt strikt verboden dat iemand nog eens als Kaïn optreden zal: “Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.” (9:6)

Zo gaat de wereld verder, maar ook de zonde. Dat zien we duidelijk bij Cham, die zijn vader bespot en daarom vervloekt wordt (9:18-29). De wereld na de zondvloed is niet beter dan die ervoor. De volkerenwereld (vgl. de volkerenlijst in Gen. 10) wil niet leven uit God, maar uit zichzelf: men wil een stad en een toren bouwen om zichzelf een naam te maken. Maar God verstoort hun plan en de toren van Babel wordt niet voltooid (Gen. 11).

 

II.

Ook deze geschiedenis is geschreven ten tijde van de babylonische ballingschap en ook hier is gebruik gemaakt van een bestaand zondvloedverhaal, namelijk het Gilgamesh-epos. We moeten dit dus niet lezen als een moderne geschiedschrijving, maar als een religieuze verbeelding, waarin de diepte van de menselijke verlorenheid en het leven onder de vloek, maar ook de diepte van Gods genade tot uitdrukking wordt gebracht. We moeten dus niet vragen stellen als: “Hoe pasten al die dieren in de ark?” Dit zijn vragen die van toepassing zouden zijn als het om een moderne geschiedschrijving ging, maar dat is het niet. We moeten veeleer vragen: wat wordt hier over God en mens in hun onderlinge verhouding gezegd?

Van het zondvloedverhaal bestaat een oudere Mesopotamische mythe, de Atrahasismythe. Hierin wordt verteld dat de (mesopotamische) goden in het begin al het werk moesten doen. Dan gaan zij klagen bij Ellil, de koning van de goden, die in het bezit is van het bord van het lot, waarmee het lot van goden en mensen wordt bepaald. De grote goden besluiten dan dat er mensen voor het zware werk moeten komen. De godin Belet-ili schept ze. Deze schepping loopt echter uit de hand. Ellil kan niet meer slapen omdat de mensen teveel kakelen. Ellil besluit dan tot de slechte daad van de zondvloed. Enki waarschuwt Atrahasis (de Noach-figuur) en instrueert de bootbouw. Zeven dagen is er vloed. Atrahasis ontkomt door de boot en offert als dank. De goden maken ruzie: hoe kan er iemand ontsnapt zijn aan de vloed? Enki belijdt schuld. Dan komt er een vloek op de menselijke voortplanting: met smart zal de vrouw kinderen baren en opvoeden.

Aan de hand van deze mythe kan goed het verschil en de overeenkomst met de Bijbel worden bepaald.

Met Genesis 11 eindigt het eerste deel van het boek Genesis, het mythologische deel. Vanaf Genesis 12 zijn we in een andere wereld.

 

5.     De oerhistorie I: Abraham

God roept Abraham, nakomeling van Sem, om zijn vaderland (Ur der Chaldeeën, later Haran) te verlaten en naar een vreemd land te gaan, en belooft hem nakomelingschap tot heil der ganse wereld:

“De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.” (Gen. 12:1-3)

 

Gehoorzaam gaat Abraham met zijn vrouw Sara en zijn neef Lot naar Kanaän. (12). De Hebreeënbrief zegt ervan: “Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou.” (Hebr. 11:8a)

 

Hoe zal God zijn belofte vervullen? Moet Abraham zijn neef Lot als erfgenaam kiezen? Nee! Lot blijft niet bij Abraham, maar kiest het goddeloze Sodom tot woonplaats (13,14).

Moet Abraham dan soms in zijn knecht Eliëzer zijn erfgenaam zien? Ook niet, want een eigen zoon van Abraham wordt door God toegezegd (15). “En hij geloofde in de HEERE, en die rekende hem dat tot gerechtigheid.” (15:6)

Evenmin blijkt Hagars zoon, Ismaël, de erfgenaam te zijn, maar Abraham en Sara zullen, ondanks hun hoge ouderdom, een eigen zoon hebben (17,18). Daarom geeft God hem een nieuwe naam: Abram wordt Abraham. Dat betekent: vader van een menigte volken (Gen. 17:5) Als Sara op die belofte lachend antwoord, zegt God: “Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?” (18:14a)

 

Sodom wordt verwoest. – Zelfs Abrahams pleitrede kan deze verdorven stad niet redden, aangezien er geen tien rechtvaardigen te vinden zijn, maar God redt Lot met de zijnen (18,19).

 

Izaäk wordt geboren, de zoon der belofte, en Ismaël met zijn moeder weggezonden, omdat hij niet de erfgenaam mag zijn (21).

God vraagt Abraham om Izaäk te offeren en stelt zijn geloof op de zwaarste proef, maar Abraham blijft geloven en mag met Izaäk terugkeren (22). Het geloof is ook de kracht om de beproeving te aanvaarden en de te doorstaan, zo interpreteert de Hebreeënbrief later: “Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef gesteld werd, Izak geofferd.” (Hebr 11:17a)

 

Na Sara’s dood (23) vindt men op het gebed in Rebekka de goede vrouw voor Izaäk (23). – Ondanks alles heeft Abraham op God gehoopt en is hij niet beschaamd. Zo is hij geworden “de vader der gelovigen” (Rom. 4:9,11).

 

II.

De verhalen over de aartsvaders zijn niet meer mythologisch, zoals in Genesis 1-11, maar ook nog niet echt historisch, zoals vanaf het boek Exodus. We kunnen het legendarische verhalen noemen. De aartsvadersverhalen hebben in zo verre een aangrijpingspunt in de geschiedenis, dat de diepste oorsprong van het monotheïsme mogelijk teruggaat op de roeping van een enkele familie rond het jaar 1800 voor Christus. Abraham zou afkomstig zijn uit Ur, gelegen in het zuiden van Babylonië (het huidige Irak). In deze stad zijn opgravingen gedaan waarbij een grote tempel van de god Sin, de maangod, tevoorschijn is gekomen.

De beschrijving van deze oorsprong vindt echter plaats vanuit een situatie waarin er al werkelijk een volk Israël, bestaande uit 12 stammen, bestaat. In de verhalen zit ook terugprojectie en idealisering, zoals dat zelfs in moderne geschiedschrijving nog het geval is. De manier waarop wij over Willem van Oranje spreken, hangt mede af van of wij zelf (autochtoon) Nederlander zijn of niet, of wij christen zijn of niet, of wij protestant of katholiek zijn, of wij koningsgezind zijn of republikein, etcetera. Zo is ook de vertelling van de oorsprong van Israëls geloof en volksbestaan mede een schepping van het latere Israël zelf. Toch zijn deze verhalen ook niet mythologisch meer. Het zijn legenden waarvan we mogen vermoeden dat zij een historische kern hebben, al is die niet meer te bepalen.

 

6.     De oerhistorie II: Jakob

Izaäk was de zoon van Abraham, in levenswijze, maar ook in geloof. Hij werd de vader van Jakob, die meer op de voorgrond treedt. – Zo was hij de schakel in de rij der aartsvaders, door wie God zijn belofte vervulde en zijn volk formeerde.

Jakob wordt in de bijbel ten voeten uit voor ons getekend, niet alleen in zijn goede, maar vooral ook in zijn verkeerde daden. – Jakob, de bedrieger, doch die onder alles door, worstelde om Gods grote zegen.

Zo wordt hij ons getekend in een reeks van prachtige verhalen (Gen. 25-33). Hij weet met list het eerstgeboorterecht van zijn broer Ezau te bemachtigen (25). En later steelt hij, geholpen door zijn moeder Rebekka, de vaderlijke zegen, door zich als Ezau voor te doen (27). Voor Ezau’s wraak moet hij vluchten en toch ontvangt hij onderweg, bij Bethel, in een droom Gods beloften voor zijn leven (28). Als Jakob wakker geworden is, zegt hij: “Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.” (28:17)

Zijn oom Laban bedriegt hem met Lea, die hij in plaats van Rachel huwt, zodat hij nog eens zeven jaar om haar dienen moet (29). Maar zelf terug bedriegt hij Laban met het loon (30). Zo komt hij rijk terug, door God beschermd tegen Labans wraakplannen (31). De vrees voor Ezau drijft hem bij de Jabbok tot innig smeekgebed, waarin Jakob bekent: “ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt.” (32:10a) Te Pniël worstelt Jakob met God. In die worsteling zegt hij: “Ik laat u niet gaan, tenzij u mij zegent.” (32:26b) Daar ontvangt Jakob een nieuwe naam: “Israël; want u hebt met God en mensen gestreden, en hebt overwonnen.” (32:28b) Jakob wordt het type van het volk Israël en van ieder die – onverdiend – Gods zegen ondervindt. “Welzalig hij, die de God van Jakob tot zijn hulp heeft.” (Ps 146:5) En God redt hem uit Ezau’s hand (33).

 

7.     De oerhistorie III: Jozef

Jozef is een zoon van Jakob, de oudste zoon van zijn meest geliefde vrouw Rachel, op wie hij zijn vurigste liefde overplantte, toen zij stierf (bij de geboorte van Benjamin). En ook in Jozefs leven wordt het openbaar, dat God hem heeft verkoren tot zijn plaats in het geslacht der aartsvaders, namelijk tot redding van zijn volk, waartoe al zijn ‘avonturen’ hem moeten voeren.

Jozef wordt door zijn vader Jakob bevoorrecht en door zijn broers benijd en gehaat, zodat zij hem als slaaf naar Egypte verkopen (Gen. 37).

Jozef wordt door zijn meester Potifar eerst tot huismeester aangesteld; dan wordt hij door diens vrouw verleid, maar Jozef antwoordt: “Hoe zou ik dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?” (39:9b). Daarna wordt hij op een valse beschuldiging van de vrouw in de gevangenis geworpen (39). Hier verklaart hij de dromen van bakker en schenker van de farao. En het gebeurt volgens de voorspelling: de schenker wordt bevrijd en de bakker wordt opgehangen (40). Twee jaar later moet hij ook de dromen van de farao verklaren: van de zeven vette en de zeven magere koeien, van de zeven volle en de zeven dunne aren, die beide wijzen op zeven jaren van overvloed en daarna zeven jaren van gebrek. Hij geeft de farao de raad om koren te verzamelen, wordt zelf uitverkoren om dit plan uit te voeren en wordt daarna tot onderkoning van Egypte aangesteld (41). De farao geeft Jozef daartoe een nieuwe naam: Zafnath Paäneah, hetgeen iets betekent als: “hij die in leven houdt”.

Zijn broers komen in de hongersnood bij hem koren kopen zonder hem te herkennen, maar ze worden op de proef gesteld (42). Ze blijken echter alles over te hebben voor hun oude vader Jakob en hun jongste broer Benjamin (43,44). Dan maakt Jozef zich bekend en het is een treffende ontmoeting en verzoening, waarin Jozef zegt: “God heeft mij voor jullie uit gezonden tot behoud van jullie leven.” (45:5b)

Nu mogen allen in Egypte komen wonen (46, 47). Jakobs leven eindigt met een belofte: “Zie, ik ga sterven, maar God zal met jullie zijn en Hij zal jullie terugbrengen naar het land van jullie vaderen.” (48:21) Dan volgt een afzonderlijke zegen aan elk van Jozefs zonen (48) en aan zijn eigen zonen (49). Hij wordt in Kanaän begraven (50). Jozef neemt ook na de dood van zijn vader echter geen wraak op zijn broers, maar zegt: “Jullie hebben weliswaar kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden.” (50:20) Zo wordt in Jozefs leven bijzonder waar, wat Paulus later schrijft: “Wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede.” (Rom. 8:28a)

Dit waren Jakobs twaalf zonen, die aan de basis staan van de twaalf stammen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda (van Lea); Dan en Naftali (van Rachels slavin Bilha); Gad en Aser (van Lea’s slavin Zilpa); Issaschar en Zebulon (van Lea) en Jozef en Benjamin (van Rachel).

 

8.     Mozes

In het boek Genesis vonden we familiegeschiedenis, maar Exodus geeft ons een volksgeschiedenis. Het gaat over een volk in Egypte, de ‘kinderen van Israël’, Gods volk, wie Gods beloften en dus het beloofde land wacht. Daarom heet het boek Exodus (uittocht), omdat Israël uit Egypte gevoerd werd naar Kanaän.

Een nieuwe farao probeert het jonge volk van Israël, dat zich zo snel uitbreidt, uit te roeien: de zware dwangarbeid van stenen bakken moet hen uitputten en door de harde maatregelen van het doen doden der pasgeboren zoontjes moeten ze uitsterven. Maar Israël groeit tegen de verdrukking in (Ex. 1)

 

Mozes, in vertrouwen op Gods genade in hun biezenkistje in de rivier neergezet, wordt door vader of dochter als kind aangenomen en hierdoor in het paleis van de verdrukker grootgebracht tot verlosser van zijn volk. Want welbewust schaart hij zich aan hun zijde, ook al wordt die hulp door Israël versmaad en moet hij vluchten, zodat hij herder wordt in de woestijn van Midian (2).

Daar hoort hij uit een brandend braambos Gods stem. God maakt zich bekend als “de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob.” (3:6) Mozes wil echter weten wat Gods Naam is. Dan zegt God: “Ik ben die Ik zijn zal.” (3:14) God roept Mozes tot redding van zijn volk. Al zijn bezwaren worden door God overwonnen en hij gaat gehoorzaam met Aäron, zijn broer, naar de farao om hem Gods boodschap te brengen (3,4).

Maar de farao weigert Israël te laten trekken en verzwaart nog hun last (5,6). Doch nu krijgt hij met Israëls God te doen. God zegt tegen Mozes: “Nu zult u zien wat Ik de farao zal aandoen. Voorzeker, door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja, door een sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven.” (5:24)

De opeenvolgende plagen zijn tekenen van Gods macht en waarschuwingen voor de farao. “Maar de Here verhardde het hart van de farao” (10:27). Het is alsof God zegt: doe maar, strijd tegen mij, als je kunt en durft (7-10).

Nu komt de beslissende nacht: de engel des verderfs dood alle eerstgeboren zonen in Egypte. Toch Israël, gevrijwaard door het bloed aan de deurposten, houdt reeds zijn Paasmaal, viert zijn verlossingsfeest en trekt vrij heen (11,12). Opnieuw verhardt God het hart van de farao: “Ik zal het hart van de farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger geëerd worden, zodat de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEERE ben.” (14:4) De farao jaagt Israël inderdaad na, maar God leidt zijn volk droogvoets door de Schelfzee, doch brengt de farao daarin om. Het volk hoeft niets te doen: “De HEERE zal voor u strijden, en u moet stil zijn.” (14:14) “Zo verloste de Here op die dag de Israëlieten uit de macht der Egyptenaren.” (14:30) En Mozes zingt zijn lied: “Wie is als Gij, Here?” (15:11) De verlossing geschiedde niet door wil en werk van Mozes of van het volk, maar door God! De bevrijding vond ook niet plaats vanwege Israëls goedheid of geloof, maar vanwege God zelf: “Niet omdat u groter was dan al de andere volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte.” (Dtn. 7:7-8)

 

II.

Met Exodus 1 begint opnieuw een nieuwe fase in de vertelling. Kunnen we Genesis 1-11 grofweg als mythologie typeren en Genesis 12-50 als legende, vanaf Exodus 1 begint een vorm van geschiedschrijving; echter een premoderne, niet een moderne vorm van geschiedschrijving. Dat we nu wel meer voet aan de historische grond krijgen, bevestigen ook buitenbijbelse bronnen. Op een stèle uit 1208 voor Christus bezingt de farao Merenptah een overwinning op het volk “Israël”. Dit is het oudste buitenbijbelse bewijs voor het bestaan van Israël. In deze periode moet ook zoiets als de uittocht uit Egypte plaatsgevonden hebben.

 

9.     De wetgeving

Israël trekt de barre woestenij in, maar als volk van God. Hij doet hen leven uit zijn hand. Na een tocht van drie dagen vindt het smachtende volk bron, maar het water is bitter: Mara! Doch God maakt het drinkbaar, “want Ik, de Here, ben uw Heelmeester” (Ex. 15:26). Daarna bereikt men de oase Elim met bronnen en palmbomen (15).

In de woestijn Sin begint het volk te morren, maar God belooft brood en vlees en geeft manna en kwakkels (16). “Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte leidde. Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.” (Ps. 81:11)

Weer mort Israël om water, u slaat Mozes op Gods bevel water uit de steenrots. De plaats noemt hij Massa en Meriba (verzoeking en twist).

De strijd tegen het woestijnvolk Amalek onder leiding van Jozua wordt op het aanhoudend gebed van Mozes door Israël gewonnen (17).

Op raad van Jethro, de schoonvader van Mozes, stelt deze oversten aan over het volk om hem te helpen bij de rechtspraak (18).

Zo brengt God zijn volk bij de berg Sinaï, waar het zich moet heiligen om Gods wetten te ontvangen (19). “Heilig moet u zijn, want ik, de HEERE, uw God, ben heilig. Ik heb u van de volken afgezonderd om van Mij te zijn.” (Lev. 19:2b, 20:26)

God sluit zijn verbond met het volk, waarbij het zich verplicht naar Gods wet te leven.

Deze wet kan samengevat worden in de liefde tot God en tot de naaste. Het eerste komt tot uitdrukking in de oerbelijdenis van het joodse volk: “Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één! Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.” (Deut. 6:4-5) Het tweede staat in Leviticus: “u moet uw naaste liefhebben als uzelf.” (Lev. 19:18) Hier wordt echter met naaste bedoeld: de volksgenoot. Jezus zal dit gebod later veel radicaler interpreteren.

Het verbond wordt met offer bloed bezegeld. Zo stempelt God Israël tot zijn volk, aan zijn dienst gewijd. (20, 24)

 

De 10 geboden in het kort:

  1. Geen andere goden dienen.
  2. Geen Gods beelden maken.
  3. Gods Naam niet misbruiken.
  4. De rust dacht heiligen
  5. De ouders eren.
  6. Niet doden.
  7. Geen echtbreuk plegen.
  8. Niet stelen.
  9. Niet vals getuigen.
  10. Andermans goed niet begeren.

 

10.Een heilig volk

 

De heilige God vraagt een heilig volk, dat wil zeggen voor hem afgezonderd en aan zijn dienst gewijd. Het hele leven behoort hem toe en dient op hem gericht te zijn. Daartoe gaf God Israël zijn wetten over inrichting van de eredienst en heiliging van het leven.

 

Bevinden zich verspreid over de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium; maar vooral in de tweede helft van Exodus en in Leviticus. We vinden hier voorschriften voor de inrichting van een heilige plaats, voor heilige personen, tijden en handelingen.

 

De heilige plaats was de tabernakel. Dit woord betekent tent en bedoelt de woning van God. Dit was het verplaatsbare heiligdom der Israëlieten in de woestijn, ‘de tent der samenkomst’ genoemd, omdat God hier samenkwam met Israël zijn volk. De tabernakel was een draagbaar gebouwtje van hout en tentdoek, kostbaar bewerkt. Het allerheiligste of heilige der heiligen, het achterste vertrek, vormde een kubus. Hier stond de ark des verbond, met massief gouden deksel, het verzoendeksel, waarop twee naar elkaar gebogen engelengestalten. Dit was de troon van God.

Het heilige – hiervan door gordijnen afgescheiden – was tweemaal zo lang. Het bevatte de tafel der toonbroden, de zevenarmige kandelaar en het reukofferaltaar. In de voorhof hieromheen, stonden brandofferaltaar en wasvat.

Als de tabernakel afgebouwd is, vult Gods heerlijkheid de ruimte: “Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde.” (Ex. 40:34-35)

Daarom is voor Israël de tabernakel, en later de tempel, niet zomaar een functioneel centrum, maar echt de woning van God: “Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.” (Ps. 84:11)

 

De heilige personen waren de priesters, die het volk vertegenwoordigden bij God door in de tabernakel dienst te doen om God de offers op te dragen. Ze gingen gekleed in witte rok en muts, met gekleurde gordel. De hogepriester (Aäron en zijn nakomelingen) droeg bovendien nog een wordt er een gekleurde mantel, de efod en het borstschild. Zijn tulband droeg tot opschrift: “Den Here heilig.”

Heilige tijden waren de sabbat (elke 7e dag), het sabbatsjaar (elke 70e jaar) en het jubeljaar (elk 49e jaar); alsmede de feesten: Pasen, Pinksteren en Loofhuttenfeest, Nieuwjaarsfeest en Verzoendag. Op deze laatste dag betrad de hogepriester het allerheiligste en sprenkelde hij het bloed van de zondebok op het verzoendeksel van de ark, als voor Gods aangezicht, tot verzoening van de zonde van het volk.

Heilige handelingen waren offers en gebeden. Een offer is een gave of geschenk, waarmee de mens God zoekt te naderen. Hij erkent daarmee Gods grootheid en heiligheid, zijn barmhartigheid en goedheid, maar ook eigen waardigheid, zondigheid en noodzaak van verzoening. Daarom waren de volgende offers voorgeschreven:

–          brand offer

–          dank- en lofoffer

–          spijs- en drankoffer

–          zondoffer

–          schuldoffer

 

Heiliging des levens beoogden al de voorschriften, die waarschuwden tegen afgoden dienst, om zedelijkheid, verontreiniging, mishandeling en dergelijke. Al deze verordeningen en instellingen bedoelden het volk op te eisen voor God, opdat het hem zou behoren en in hem zijn vrede zou vinden. Ze zijn in Christus vervuld: het volkomen offer, de volkomen offer haar, die zijn ganse leven altijd, overal en in alle opzichten aan de Here wijdde, in onze plaats en ons ten goede.

 

11.Naar Kanaän

 

Naar het beloofde land brengt God zijn volk, naar Kanaän. Wel met veel oponthoud in omwegen door zonde en ongeloof van Israël. Maar toch naar Kanaän, want God is getrouwd en hij vervult zijn beloften.

 

Daarvan lezen we eerst in het boek Numeri: Israël gaat van de Sinaï langzaam noordwaards. Waar ontmoedigd door de berichten der verspieders, weigeren ze in hun ongeloof op te trekken. Daarom moeten ze 40 jaar woestijn blijven rondzwerven (13, 14). Een complete generatie sterft in de woestijn. Van degenen die uit Egypte vertrokken, bereikt niemand het beloofde land, behalve Jozua en Kaleb.

 

Korach, Dathan en Abiram, die in opstand komen tegen Mozes en Aäron, moeten het Godsgericht ondergaan (16, 17). Zelfs Mozes en Aaron zijn ongehoorzaam aan God en mogen daarom het beloofde land niet binnengaan (20). – Hiertussen staan nog allerlei wetten.

Dan volgt het bijzondere boek Deuteronomium, dat bijna geheel met wetten en vermaningen is gevuld. Het predikte met klem en kracht, hoezeer Israël aan God verbonden is en geroepen is om zijn volk te zijn. – Hierin vinden wij tenslotte het mooie verhaal van Mozes’ dood op de berg Nebo (34).

 

En het boek Jozua verhaalt hoe God zijn volk onder leiding van Jozua in het beloofde land brengt. Jozua krijgt de belofte: “Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn. Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten.” (1:5b) Hij maakt de rivier de Jordaan droog, opdat Israël door kan trekken. (3, 4) Hij doet de muren van Jericho vallen (6). Hij geeft hun moed en kracht om het land te veroveren. Hij doet dit alles, opdat Israël zou erkennen, dat hij hun God is, die zijn beloften aan hen vervult, zodat zij moeten erkennen: “Van al de goede woorden die de HEERE tot het huis van Israël gesproken had, is er niet één woord onvervuld gebleven: alles is uitgekomen.” (21:45)

 

12.Richteren

 

Israël is nu in Kanaän. God bracht zijn volk in het beloofde land. Nu gaat het erom, of het volk bij zijn bevrijder blijft. Zal Israël standhouden in deze beproeving, temidden van de heidenen, die hen van God trachten af te trekken? Nee. Telkens blijkt de ontrouw van het volk, zijn afval van God. Maar ook de trouw van God, die hen door straf tot inkeer brengt en hun op hun smeekbeden een redder zendt. Voortdurend volgen afval, straf, berouw en uitredding elkaar op. God zendt richters en geeft hun zijn opdracht en moed en kracht om deze uit te voeren, opdat Israël in hem gelooft en uit dat geloof leven zal. Opdat het Hem erkennen zal als de koning, die zich in de geschiedenis laat gelden ten gunste van zijn volk. “En wanneer de HEERE voor hen richters liet opstaan, was de HEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouw de dieren vanwege hun kern over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten.” (Richt. 2:18)

 

Zo roept Deborah, de profetes, Barak tot de strijd tegen de Kanaänieten. Hun veldheer, Sisera, wordt door een vrouw, in zijn slaap gedood. En Debora bezingt de overwinning. (Richt. 4-5)

 

Gideon, door God geroepen tot de strijd tegen de Midianieten, verslaat hun grote leger met zijn Gideonsbende. Het leger begint groot, maar moet steeds kleiner worden, want God zegt tegen Gideon: “Het volk dat bij u is, is voor mij te talrijk om Midian in hun hand te geven. Anders zou Israël zich tegen mij kunnen beroemen en zeggen: Mijn eigen hand heeft mij verlost!” (7:2) Als de groep geformeerd is, schrikt deze in de nacht de Filistijnen op met fakkels, kruiken en hoorns en in de paniek verslaan zij hen in de kracht van God (6-9). Als het volk dan wenst dat Gideon over het volk Israël zal heersen, weigert Gideon dat: “Ik zal niet over u heersen en ook mijn zoon zal niet over u heersen: de HEERE zal over u heersen.” (Richt. S:23)

 

Jefta verslaat de Ammonieten, maar ten koste van zijn dochter, die hij, ten gevolge van een onberaden gelofte, in grote trouw aan de Here wijdt (11,12).

Simson, een Nazireeër (Godgewijde), bindt met zijn reuzenkracht de strijd tegen de Filistijnen aan. Hij verschrikt hen door zijn wilde kracht. Maar door de verleiding van een Filistijnse vrouw komt hij ten val. Zo vindt hij in de Dagonstempel de dood. V13-16)

Het verval van Israël in de tijd van de richters wordt in de laatste hoofdstukken scherp getekend (17-21).

 

In deze tijd speelt volgens de bijbel ook het verhaal van Ruth, opgetekend in het gelijknamige boekje. Ruth, de Moabitische, blijft haar arme schoonmoeder Naomi trouw als deze terugkeren wil naar haar geboorteplaats Bethlehem: “Want waar u heen gaat, zal ik ook gaan, en waar u overnacht, zal ik ook overnachten. Uw volk is mijn volk en uw God mijn God. Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. Alleen de dood zal scheiding maken tussen mij en u.” (Ruth 1:16-17) Ruth huwt later met Boaz. Uit hun geslacht komt David voort.

 

13.Samuël

 

Israël is Gods volk. God is zijn kroon. Daarom spreken we van Godsregering (theocratie). Hierom gaat het al in de zogenaamde geschiedkundige boeken van het oude testament.

Daarom heten ze in de Hebreeuwse bijbel ook profetische boeken. Wat er is gebeurd, is hier niet de hoofdzaak, maar hoe het is gebeurd. Niet wat er is gebeurd, maar wat God gedaan heeft. Het godsdienstig oogpunt overheerst dus in Israël als geschiedenis.

 

Het gaat om Gods regering in Israël. Daardoor laat het zich verstaan, dat oud Israël ook geen koningin kent, maar slechts leiders en richters. Leiders, zoals Mozes en Jozua waren. En richters, zoals Gideon was. Toen hem het koningschap werd aangeboden, sloeg hij het af, want: “Ik zal over u niet heersen, de Here zal over u heersen.” (Richt. 8:23) En Samuël, de laatste richter, priester en profeet tegelijk, zag achter het verlangen naar een koning de verwerping van God en zijn regering.

 

Samuël, door zijn moeder Hanna van God afgebeden en aan Gods dienst gewijd, komt reeds als kind bij de priester Eli (1 Sam. 1). Als Hanna Samuël bij Eli gebracht heeft, zingt ze een lofzang:

“Er is niemand zo heilig als de HEERE,

Want er is niemand buiten U,

En er is geen rotssteen als onze God.

[…]

De HEERE doodt en maakt levend,

Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet daaruit opkomen.

De HEERE maakt arm en maakt rijk,

Hij vernedert, ook verhoogt Hij.” (1 Sam. 2:2, 6-7)

 

Tweemaal wordt de val van het huis van Eli aangezegd. Eerst door een naamloze profeet: “Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden.” (1 Sam. 2:30)

 

Daarna wordt Samuël, een jaar of twaalf oud, door God geroepen tot richter, priester en profeet. Hij moet nu eveneens Gods oordeel aanzeggen aan Eli en zijn zonen (1 Sam. 3). En zo gebeurt het ook: Eli’s huis wordt uitgeroeid en de Filistijnen overheersen Israël. Zij nemen zelfs de ark mee naar hun land (4-6).

Onder leiding van Samuel komt Israël tot inkeer en wordt het verlost van de Filistijnse overheersing. Samuël plaatst een gedenksteen; “hij gaf hem de naam Eben-Haëzer en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.” (7:12b).

Maar als Samuël oud wordt, vraagt Israël een koning, die echter slechts als knecht van God mag regeren. Zo wordt Saul door Samuël tot koning gezalfd en door het volk gekozen. En als Jabes wordt belegerd, treedt hij als koning op en ontzet hij de stad (8-11).

 

14.Samuël versus Saul

 

Met Saul begint de geschiedenis van de koningen. En met de koningen komen ook de profeten. Zij staan vaak tegenover elkaar, profeet en koning. Als de koning erg ongehoorzaam is aan God, valt dat extra op, zoals Elia tegenover Achab. Als de koning meer de man naar Gods hart is, valt het minder op, zoals Nathan tegenover David en Ahia tegenover Salomo. Maar ook dan ontbreekt het tegenover van de profeet niet.

Wat  is een  profeet?  Iemand,  die door  God  geroepen wordt om  Zijn  boodschap over  te brengen  aan  de mensen. Een profetie is dus niet alleen een voorspelling van wat God zal doen, maar vaak ook een oordeel over wat de mensen hebben gedaan, of een eis, en heel vaak een belofte, waarin God Zijn genade toezegt. Daarom kunnen de profeten ook nog doorgaan, als er geen koning in Israël meer is. Maar met de vorming van een institutioneel jodendom door Ezra en Nehemia, na de ballingschap, gaat het profetendom langzaam ten onder. Tot het in de apostelen op een nieuwe manier opstaat.

 

Saul, Israëls eerste koning, heeft wel heel veel goeds: hij is dapper, flink en praktisch. Maar het voornaamste, wat is er als koning sieren moet, ontbreekt hem, namelijk de gehoorzaamheid aan God.

 

In de oorlog betoont hij zich eigenzinnig, lichtzinnig en ongehoorzaam aan Gods wil (1 Sam. 13-15). God heeft er berouw over dat Hij Saul tot koning aangesteld heeft (15:11, 35). Saul brengt God wel een offer, maar Samuël houdt hem voor: “gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerkzaam zijn beter dan het vet van rammen.” (15:22b)

 

Daarom kiest God al heel gauw een andere koning uit en moet Samuël de jongste zoon van Isaï, David, tot koning zalven (16). Samuël rekent op één van de grote broers van David, maar God zegt: “Het is niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.” (16:7b)

 

Als deze jonge herder in Gods kracht met zijn slinger de reus Goliath verslaat (“U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, die u gehoond hebt.”, 17:45), bindt hij de gunst van het volk en krijgt hij de zoon van koning, kroonprins Jonathan, tot vriend en de dochter van de koning Michal tot vrouw (17, 18). Deze helpen hem, zelfs tegen hun vader in, als deze in zijn jaloersheid David doden wil (19, 20), zodat David moet zeggen: “Zo waar de HEERE leeft en jijzelf (Jonathan) leeft, er is maar één stap tussen mij en de dood!” (20:3b)

Nu moet David vluchten. Door list weet hij met hulp van priester Abimelech naar de Filistijnen te ontkomen, maar Sauls toorn treft nu de onschuldige priester, die met meer dan 80 andere priesters wordt omgebracht. Alleen priester Abjathar beter te ontkomen en vindt een veilig heenkomen in de spelonk van Adullam, waar David met andere vluchtelingen – en niet van de besten – zijn leven zoekt de bergen (21, 22).

Als balling zwerft David met de zijnen rond, nu hierheen, dan daarheen, voortdurend door Saul achtervolgd en zelfs door zijn landgenoten verraden. Bijna had hij de grootgrondbezitter Nabal om zijn schrielheid gedood, maar gelukkig kwam diens vrouw, Abigaïl, hem tijdig vriendelijk tegemoet. Tot twee keer toe had David ongemerkt Saul kunnen doden en dan was al zijn ellende teneinde geweest, maar telkens weerhield hem zijn vroomheid (23-26).

In zijn benauwdheid loopt hij over naar de Filistijnen, maar dit geeft niets dan ellende: door leugen en bedrog moet hij zich staande houden, bijna moet hij tegen zijn eigen volk optrekken en zijn stadje Ziklag de vijanden verbrand. Maar eindelijk geeft God uitkomst. Want Saul vindt zijn einde in de slag tegen de Filistijnen op het gebergte Gilboa: hij valt door eigen hand (27-31).

Terwijl Sauls leven langzaam maar zeker zijn ondergang neeg en dat door eigen schuld, steeg dat van David, juist door de verdrukking heen, de troon, die God hem had bereid.

 

15.Nathan versus David

 

David, Israëls tweede koning, was de man naar Gods hart (1 Sam. 13:14). Hij was dat ondanks de donkere schaduwen in zijn leven en zijn grove zonden. Want hij had begrepen, wat het betekent de gezalfde des Heeren, koning bij de gratie Gods te zijn.

 

Gods wil te doen in heel zijn koningschap, dat stelde hij voorop. Ook na Sauls dood greep hij niet naar het koningschap, maar wachtte hij geduldig, tot eerst Juda, later heel Israël hem de kroon aanbood. Ook in de oorlog vroeg hij naar Gods wil. En de ark bracht hij naar Jeruzalem, de nieuwe hoofdstad van het rijk. Zelfs maakte hij reeds plannen om daar voor de Here een tempel te bouwen. Hij is oprecht dankbaar aan God: “Wie ben ik, Heere, HEERE, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? […] U bent groot, Heere God, want er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben.” (2 Sam. 7:18b, 22) Ook gaf hij aan Mefiboseth, de laatst overgebleven kleinzoon van Saul, een ereplaats aan het hof. En bij alles ondervond David Gods zegen, die hem de overwinning op zijn vijanden schonk, zodat Israël veilig woonde (2 Sam. 1-9).

Maar terwijl zijn veldheer met het leger in het over Jordaanse tegen Ammon strijdt, vervalt David te Jeruzalem tot grote zonde: hij bedrijft overspel met Bathseba en laat haar man Uria uit de weg ruimen om haar te kunnen trouwen en zo zijn zonde te bedekken. Door middel van de profeet Nathan wordt zijn schuldbesef gewekt, zodat hij tot erkenning van zonde komt.

David krijgt Gods vergeving, maar de straf moet hij dragen: ook zijn eigen gezin zal door zonde en bloed worden bevlekt (10-12).

Prins Absalom zet zich op Davids troon te Jeruzalem, zodat deze moet vluchten naar het over Jordaanse. Hier weet Joab Absalom te verslaan en nu wordt David weer als koning ingehaald (15-19). Ook voor zijn volkstelling uit hoogmoed aanvaardt hij de straf uit Gods hand (24). En zijn sombere levensavond eindigt hij in dankbaarheid (23:1-7).

 

Zijn regering was de glorietijd van Israël. Bij de aanvaarding hiervan was Israël een verzwakt land, door vijanden overheerst, ontmoedigd en verdeeld. Maar reeds enkele jaren later regeerde hij in vorstelijke residentie over een der grote mogendheden. Nu werd hij door alle omwonende volken gevreesd en door landen als Egypte en Assyrië als hun gelijke erkend. Zo was er voor zijn volk een tijd van vrede en welvaart verzekerd. Hij was de beminde van God en mensen en bleef het ideaal van Israël als koning. Zelfs werd hij de voorvader en het type van de heiland, Davids zoon. Aldus werd David de stichter van Israëls macht en glorie, de prediker van Gods koningschap en het zinnebeeld van Israëls hoop.

 

De Psalmen

 

David is een van de eerste en belangrijkste Psalmdichters. Daarom bespreken we hier ook dit Bijbelboek. In Psalm 32 zegt David: “Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE. En U vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.” (Ps 32:5) In Psalm 51, geschreven na de affaire Bathseba, schrijft hij: “Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen; […] Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.” (Ps 51:6a, 12)

Het boek der psalmen bevat 150 liederen,  voor  een  groot deel afkomstig van David en zijn tijdgenoten. Hierin  is ons de kern  van  Israëls  liederenschat  bewaard gebleven.

De inhoud is zeer verschillend. Maar waar het  ook  over gaat, in alles staat God  in  het  middelpunt  en  gaat  het  er om Hem te eren en Zijn gemeenschap te smaken. Daar zijn vele lofpsalmen, die Gods lof bezingen, vaak naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis of gelegenheid. We denken b.v. aan Ps. 113, 115, 134-136 en 146-150.

De schepping wordt bezongen in Ps. 8, 19, 29, 65, 104 enz.

Gods leiding van Zijn volk erkennen blij Ps. 78, 81, 105, 106, 114.

Er zijn optochtsliederen (de liederen Hamaäloth, 120-134) en feestliederen,  door  Israël  aangeheven  als  het  opging  naar de feesten: Ps. 24, 48, 84, 87, 95, 100.

Ook zangen over de wet: Ps. 1, 19, 25, 119.

En over de Messias: Ps. 2, 45, 72, 110.

Ps. 22 vond in het lijden van Christus  zijn vervulling, gelijk andere (Ps. 38, 69, 77  e.a.).

Daar zijn liederen over persoonlijke levensomstandigheden; van boete en vergeving; Ps. 32, 65, 103. En van vertrouwen op God: Ps. 23, 62, 89, 91, 118.

Het Psalmboek is niet alleen voor Israël, maar vooral ook voor de Christelijke Kerk, geworden tot het liederenboek bij uitnemendheid.

 

16.Ahia versus Salomo. De scheuring van het Rijk

 

Salomo, de zoon van David en Bathseba, is door Nathan gezalfd tot opvolger van koning David. In een droom verschijnt op hem en mag hij kiezen, tot hem geven zal. Hij krijgt de wijsheid, die hij verlangt, om zijn volk te regeren naar Gods wil. Deze wijsheid toont hij in een rechtspraak over twee vrouwen, die beide hetzelfde kind als het hare opeisen. Salomo weet het moeder hart te treffen en zo de echte moeder te ontdekken (1 Kon. 1-4).

God staat hem toe een tempel te bouwen. Met hulp van koning Hiram van Tyrus wordt dit  reusachtig en prachtig bouwwerk te Jeruzalem opgericht en met een groots feest tot de dienst aan de Here gewijd (5-8). Bij de inwijding van de tempel bidt Salomo een indrukwekkend gebed, waarin hij erkent dat de tempel, hoe mooi ook, nooit een werkelijk huis van God kan zijn: “Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan u niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb.” (1 Kon. 8:27)

Ook grote welvaart geeft God aan koning en volk. Op het gerucht van Salomo’s wijsheid en rijkdom zelfs de koningin van Scheba  hem bezoeken. Maar de werkelijkheid overtreft nog verre het gerucht. Onder koning Salomo heeft Israël vrede en welvaart en een grote naam onder de volkeren rondom (9, 10).

Wat jammer, dat Salomo zich in zijn weelde op den duur niet aan God hield, maar dat hij zich door zijn heidense vrouwen tot afgoderij liet verleiden. Daarom viel zijn Koninkrijk na zijn dood uiteen. Het werd nu verscheurd tot twee rijken, omstreeks 925 voor Christus. Het zuidelijke, Juda, onder zijn zoon Rehabeam en het noordelijke, dat van de 10 stammen, Israël of Efraïm genaamd, onder koning Jerobeam (11, 12).

Volgens de traditie is Salomo ook de auteur van drie wijsheidsboeken: Spreuken, Prediker en Hooglied. Dit is historisch onjuist. Het Hooglied dateert uit 300-200 v. Chr., is oorspronkelijk een verzameling van bruiloftsliederen, maar reeds  vroegtijdig  hebben  de  Joden en daarna ook de Christenen de innige, geestelijke gemeenschap tussen God en Zijn·volk erin uitgebeeld gezien. Op de boeken Spreuken en Prediker komen we aan het einde terug.

 

17.De geschiedenis van het noordrijk (profeten en koningen)

Elia versus Achab.

Israël – het rijk der noordelijke stammen – had Jerobeam als eerste koning (ca. 926-907 v. Chr.). Maar het hinderde hem, dat Jeruzalem, de hoofdstad van Juda, met zijn tempel, het godsdienstig middelpunt was ook van zijn rijk. Daarom maakte hij te Dan en te Bethel een gouden stier en ruwe feesten werkten mee om het volk hierheen te lokken. Dit was ,,de zonde van Jerobeam”  ().

Zijn opvolgers waren echter niet veel beter. Na bloedige paleis-revoluties heeft tenslotte Omri de troon beklommen (ca. 878-871 v. Chr.). Hij stichtte Samaria als hoofdstad en wist zijn vijanden – vooral Syriërs – terug te dringen.

 

Zijn zoon Achab volgt hem op (ca. 871-852 v.Chr.), maar door zijn huwelijk met de Foenicische koningsdochter Izebel, haalt hij tevens de afgodendienst van de Tyrische Baal Melkart in zijn land.

Om hiertegen te getuigen roept God de profeet Elia op.  Hij brengt Gods oordeelvoorspelling over: geen regen, dus geen brood voor vorst en volk! Zelf wordt hij ondertussen door God gevoed, eerst aan de beek Krith, later bij een weduwe  te Zarfath  (in  Foenicië!)  (1Kon. 17).

Eindelijk vertoont Elia zich weer aan Achab. Hij stelt een algemene volksdag op de Karmel voor. Hier wordt in een Godsoordeel Baäls machteloosheid openbaar en de  macht van God. Nu is het met de misleiding der Baälspriesters gedaan. En  God  zendt  regen  (18). Maar Izebel bedreigt Elia en deze vlucht  in moedeloosheid de woestijn in, tot aan de Horeb. Hier wordt hij door God terechtgewezen en bemoedigd. Niet in stormwind, aardbeving of vuur, maar in het suizen van een zachte stilte openbaart God Zich aan Zijn knecht. En met nieuwe opdrachten zendt Hij hem terug naar Israël (19).·

Nog eens kondigt Elia aan Achab Gods oordeel aan. Want Achab laat Izebel op schandelijke wijze de wijngaard van Naboth inpalmen; op een valse aanklacht wordt deze  ter dood gebracht, zodat zijn  bezittingen  verbeurd  verklaard  en bij het koningsgoed gevoegd worden. Maar in de tuin vindt  Achab  Elia  met  zijn  strafgericht (21).

Het oordeel komt: Achab vindt de dood in de oorlog met Syrië en zijn geslacht gaat een roemloos einde tegemoet. Maar· God haalt Elia, zijn trouwe dienstknecht, met een vurige  wagen en  vurige paarden   tot  Zich   in  de  hemel (2 Kon. 2).

De betekenis van Elia is ontzaglijk groot. In tijden  van verval  riep  hij zijn  volk  terug  tot  de  dienst  van  de Here, Israëls God. Mozes en Elia, de vertegenwoordigers van wet en profeten, zijn de beide grootste gestalten uit het Oude Testament, die later met de Heiland op de berg der verheerlijking verkeerden. Elia leefde met zijn God en toonde Hem aan zijn  volk.

II.

Het is historisch goed mogelijk, dat met Elia (zijn naam betekent: de HERE is God) ook theologisch een verscherping in Israëls geloof komt. Tot dan toe heeft in Israël vermoedelijk het vereren van Jahwe en Baäl redelijk vredig naast elkaar bestaan. Als Achab en Izebel echter Baäl zo’n centrale plaats gaan geven, dat hij de hoofdgod van het noordrijk wordt, komt er een ‘JHWH-alleen-beweging’ op, waarvan de profeten de leiders zijn. Van daaruit wordt de geschiedenis van de Richterentijd dan ook herschreven.

Elisa versus Joram

 

Na het heengaan van Elia was Elisa de profeet des Heren. Lange jaren werkte hij in Israël, vooral onder koning Joram (851-845), maar ook onder Jehu (845-818) en diens opvolgers.

Hij maakte vele rondreizen door het land en hielp vele mensen door de wonderkracht van God. Een enkele maal strekten zijn wonderen tot bestraffing, doch  meestal  tot hulp of  redding  uit de nood en altijd tot eer van God.

Te Sunem vond hij gastvrijheid bij een rijke boerenvrouw, aan wie hij voorspelde, dat haar hartewens vervuld zou worden, zodat ze een kind zou ontvangen. En toen het later ziek werd en kwam te sterven, mocht hij het door zijn gebed weer terug roepen tot het leven  (2 Kon.  4).

Veel hadden de Israëlieten te lijden onder de oorlogen  van de Syriërs, die voortdurend met hun benden in het  land vielen en het plunderden. Maar hun generaal, Naäman, ontving door Elisa genezing van zijn melaatsheid bij Israëls God (5). En tegen de plundertochten der  Syriërs  mocht Elisa Israël beschermen, zodat hun benden hen niet meer lastig  vielen  (6).

Eindelijk werd Gods oordeel over het huis van Achab voltrokken. Elisa zalfde Jehu tot koning over Israël en deze roeide het huis van Achab uit. Hiermee werd een nieuw tijdperk  (omstreeks 845 v.Chr.)  voor  Israël ingeluid  (9,  10).

 

Amos versus Jerobeam II

 

Na lange tijd van Syrische onderdrukking onder  Jehu  en zijn opvolgers was voor Israël onder  koning  Jerobeam II een tijd van grote bloei gekomen, van welvaart en weelde, doch gepaard met erge maatschappelijke misstanden, schijn­ vroomheid en onzedelijkheid.

Amos uit Tekoa, gelegen in het Judese bergland, werd door God naar Israël gezonden om hiertegen te getuigen. Grond­ gedachte van  zijn  prediking  is:  recht  en gerechtigheid!

God (Jahwe) is de Here van heel de wereld. Hij heeft Israël uitverkoren tot Zijn volk, hoewel het niet beter was dan andere volken. Maar deze verkiezing legt het volk nu ook grote verplichtingen op, nl. om uit Hem te leven!  Laat Israël, als Gods volk, toch Gods wil volbrengen. Hem eren, niet door grote offergaven, maar door een leven in rechtvaardigheid jegens anderen. Het oordeel komt! Maar het doel der oordeelsprediking  is bekering  en behoud.

 

Hosea versus Menachem

Hosea, die iets later dan Amos spreekt, is uit Israël zelf geboortig. Hij  is de prediker der liefde. Want Gods liefde is de grond van Zijn verbondsbetrekking tot Israël. Ofschoon getergd en ver­ smaad, toch is deze liefde onvergankelijk en de wortel van onheilsprediking en heilsverkondiging samen. Juist omdat God Zijn volk zo lief heeft, kan Hij hun ontrouw niet dulden en moet Hij hen straffen, maar kan Hij evenmin in hun ondergang  berusten  en moet  Hij hen redden.

 

Assyrië verovert Israël

Hoe het alles afliep met Israël: Na het godsdienstig verval kwam ook spoedig de ondergang van .het volk. – De ene koningsmoord volgde op de andere en Israël viel in handen van het opkomende wereldrijk Assyrië, berucht om zijn wreedheid. Wee de overwonnenen! De keur der bevolking werd naar Assyrië gevoerd om daar in ballingschap te leven. Nooit heeft men een spoor van hen teruggevonden! In haar plaats werd een heidense bevolking naar Kanaän gebracht. Met de overgebleven Israëlieten vormde deze langzamerhand het volk der Samaritanen. Dat was het einde van het rijk Israël!

 

18.De geschiedenis van het zuidrijk tot aan de ballingschap: profeten en koningen

Micha versus Achaz

 

Nu we het een en ander hebben vernomen van de treurige geschiedenis van het noordelijk rijk Israël, willen we ook eens zien, hoe het in het zuiden, in Juda, toeging. Op de koningstroon te Jeruzalem hebben voortdurend koningen gezeteld  uit Davids geslacht.

 

Koning Asa (911-870 v. Chr.) heeft eerst wel de afgoderij bestreden, maar later ging hij weer eigen wegen.

Josafat (870-848 v. Chr.) diende de Here, maar jammer was het, dat hij zich zoveel inliet met Achabs geslacht. Zelfs trouwde zijn zoon Joram (848-841) met Achabs dochter Athalia, die niets beter was dan haar moeder Izebel en die ook in Juda de baaldienst invoerde. Aan haar goddeloos bewind (841-835) kwam gelukkig een einde met de regering van koning Joas (835-796), die reeds als kind de troon beklom, maar onder regentschap van zijn oom, de priester Jojada; onder diens leiding riep hij het volk tot de dienst van God terug.

Na Joas komen koning Amasja (796-781) en Azarja (781-739).

Daarna komen de koningen Jotam (739-735) en Achaz (735-716). In deze tijd leefde ook de profeet Micha (= wie  is gelijk de Here?). Evenals zijn voorgangers verkondigde hij de goddelijke eis van recht, liefde en ootmoedige gehoorzaamheid  aan God, verg. Micha 6 :8.

In deze periode van Achaz en Micha valt Samaria en wordt het tienstammenrijk naar Assyrië weggevoerd.

 

Jesaja en Hizkia

 

De opvolger van Achaz is Hizkia (716-687 v. Chr). Eigenlijk was hij maar een vazalvorst van het opkomende Assyrië. Maar hij gebruikte zijn macht goed: hij was een vroom, flink  en  krachtig  vorst,  die  de  eredienst herstelde,  de Filistijnen overwon, landbouw en  veeteelt  tot bloei  bracht en de weerbaarheid van het volk versterkte. De  moeilijkheden kwamen, toen hij aan Sanherib van Assyrië de gehoorzaamheid opzegde, maar God heeft hem uit deze nood gered.

 

In deze tijd leefde de profeet Jesaja. Hij was een aanzienlijk persoon uit Jeruzalem, die een gunstige invloed had op koning Hizkia. Hij trad op met gezag en wordt wel genoemd ,,de koning der profeten”. Zowel door zijn optreden als vooral door de inhoud van  zijn  profetieën  vertolkt  hij de majesteit van de Koning der koningen, Wiens boodschap hij verkondigt.

 

Zijn prediking toont, Wie zijn Zender is: God, de Heilige, de Majestueuze,  oneindig  hoog  verheven,  de  Schepper  van  al  wat is. ,,De Heilige Israëls”, omdat Hij Israël verkoren heeft om Zijn volk  te  zijn  en dit  ook  te tonen  in het  leven. Absoluut  geloof eist Hij, gehoorzaamheid en vertrouwen, omdat in Zijn hand het heil van mens en volk en wereld rust. Zijn ontrouw volk zal Hij straffen, desnoods zelfs verwerpen, maar ook verschaft Hij blijde hoop op een nieuwe toekomst, voor de ,,rest, die zich bekeert”. Deze zal in vrede leven onder de Messias-koning, de ,,Zoon van David”, de ,,Immanuel” (God-met-ons, Jes. 7 :14),  die  alles wel zal maken. – Ook de taal van Jesaja’s profetieen is dichterlijk, vol  majesteit  en ingehouden kracht.

 

Hizkia’s levende godsvrucht hebben wij bij de belegering van Jeruzalem al leren kennen. Ook blijkt deze in zijn dodelijke ziekte, toen hij God om herstel smeekte, waarschijnlijk omdat hij nog geen zoon had, die hem zou kunnen opvolgen. Jesaja voorzegde hem nog vijftien jaar te leven.  Gezanten van het opkomende rijk Babel kwamen hem met zijn genezing gelukwensen. Vol trots toonde Hizkia hun zijn schatten en wapentuig. Maar, zo voorspelde Jesaja, deze zouden eenmaal alle naar  Babel  worden gevoerd!

 

Manasse volgde Hizkia op, maar was het  tegenbeeld  van zijn vrome vader. In zijn lange regering (687-642) heeft hij veel goddeloosheid bedreven, zelfs zijn eigen zoon aan de afgoden geofferd  en Juda  tot een heidens land  gemaakt. Pas op het  laatst van zijn leven is hij, als gevangene naar Babel gevoerd, daar tot bekering gekomen; teruggekeerd in Jeruzalem, trachtte  hij het volk  tot  de dienst van  God  terug te brengen.

 

Zefanja-Nahum-Jona, en Josia

 

Josia (640-609) diende de Here met zijn ganse hart. Hij bracht Israël tot de dienst van God terug. Bij het herstel van de tempel vindt men het oude wetboek en met schrik leest men daarin de bedreigingen voor wie Gods dienst vergeet. De koning roept het volk tot ernstige boete op en voor het eerst  na lange tijd wordt  het  Paasfeest  weer  naar Gods wet gevierd.

Onverwachts  kwam  de jonge  koning  in  de  oorlog  om het leven,  diep betreurd  door  het  hele  volk.

In zijn tijd (640vv) profeteerde prins Zefanja.  Als  een  tweede  Amos komt hij met een felle boeteprediking van de naderende oordeelsdag.

Wellicht in dezelfde periode (640vv) spreekt de profeet Nahum zijn geweldige oordeelsprofetieën tegen Assyrië (Ninevé), dat om zijn verregaande vijandschap tegen God zijn ondergang tegemoet  gaat. Ninevé wordt in 612 v. Chr. verwoest, veroverd door de Meden en Chaldeeërs. (De tien stammen keren echter niet terug uit de ballingschap, zij zijn opgegaan in andere volken). Nahum toont ons de overwinning der goddelijke gerechtigheid, toorn.

Een heel ander perspectief op hetzelfde heidense Ninevé laat het boekje Jona zien. Het gaat over een profeet genaamd Jona, die naar Nineve werd gezonden, maar zich inscheepte naar Tarsis. Maar God wist hem terug te  doen  keren. Hij  liet hem door een storm uit het schip halen en door een vis weer aan land brengen.

En als God hem nogmaals roept om naar  Nineve  te  gaan, durft hij het niet meer te laten en brengt hij gedwee Gods boodschap over, namelijk dat Nineve vanwege zijn goddeloosheid binnen veertig dagen verwoest  zal  worden.  Maar  toch  doet hij dit niet van  harte,  want  als  de  stad  zich  bekeert,  vindt hij het jammer, dat het oordeel niet voltrokken wordt  en  dat zijn voorspelling niet uitkomt! Maar ook. nu weet  God hem  wel  te  vinden.  Hij  behaagt   hem  door  de  schaduw  van een wonderboom te geven en plaagt hem door deze weer weg te nemen. Zo laat God hem voelen: zijn grote ondankbaarheid, zijn liefdeloosheid en Gods grote barmhartigheid, die te maken heeft met die grote stad, met zoveel mensen, kinderen en vee.

Het boekje Jona predikt ons dus Gods ontferming jegens Jood en heiden, vriend  en vijand – in concreto Ninevé – terwijl Nahum ons de goddelijke toorn over dat volk predikt. Zo zien we dat de Bijbel niet altijd één boodschap ons wil opdringen, maar ook zelf een gesprek voert en ons uitnodigt aan dit gesprek deel te nemen.

II.

Het boekje Jona is geen historisch verslag. Het is eerder een novelle, die zich afspeelt ten tijde van de heerschappij van Ninevé, maar geschreven is lang daarna, na de ballingschap, omstreeks 400 voor Christus.

 

Jeremia-Obadja-Habakuk, en Zedekia

 

Met Josia is de laatste goede koning van Juda  heengegaan: Na zijn  dood gaat Juda snel de ondergang  tegemoet.  Babel is tot oppermacht gekomen. Zijn koning Nebukadnezar verovert Jeruzalem en voert de koning met het beste deel der bevolking naar Babel (eerste wegvoering, 597 v.Chr.). Als de daarna aangestelde vazalkoning Zedekia de gehoorzaamheid opzegt, wordt Jeruzalem, na een lang en vreselijk beleg, ingenomen en verwoest. Ook Zedekia wordt met een  groot  deel der bevolking naar Babel overgebracht (tweede wegvoering, 586 v.Chr.).

 

Ook godsdienstig is de toestand van het zuidelijk rijk in zijn laatste jaren allertreurigst: veel godsdienstigheid – vooral heidense -maar weinig geloof en ware Godskennis; veel zelfingenomenheid en eigengerechtigheid, maar weinig zelf kennis, ootmoed en gehoorzaamheid aan God.

In deze tijd wordt Jeremia door God tot profeet  geroepen om het afvallig volk zijn ondergang aan te zeggen; een vreselijke  taak,  die hij noodgedwongen  vervult.

Hij moet aandringen op  onderwerping  aan  Babel,  maar  wordt als verrader vervolgd. Bekeert u tot  God, geeft u  over  aan Zijn wil,, gehoorzaamt Hem, want bij Hem is vergeving van zonde. Maar ook troost voor de toekomst:  eenmaal  geeft  God  het nieuwe verbond, waarin elk vergeving van zonde zal ontvangen, God Zelf zal kennen en Hem vrijwillig gehoorzaamheid zal betonen (Jer. 31 : 31v.).

Zijn boek is een verzameling profetieën en verhalen van en  over hem. Na zijn  roeping  (1)  vinden  we  eerst  een  bundel  Dreigreden over Juda (2-35), dan een Geschiedkundig overzicht  (36-45)  en tenslotte een verzameling  Profetieën  over  vreemde  volken (46-51), waarna de wegvoering van Zedekia naar Babel wordt verhaald (52).

De Klaagliederen bezingen Jeruzalem en haar val. Obadja geeft een straflied over Edom, dat zich laaghartig verheugt over Jeruzalems  val. Habakuk  zingt  zijn lied  des geloofs.

 

Nog voor de regering van Zedekia over Juda had koning Nebukadnezar een grote groep Israëlieten meegevoerd naar Babel in ballingschap. Ze woonden daar in kolonies onder hun eigen  oudsten  en leefden van  landbouw  en handel. In plaats  van de tempeldienst  traden nu  besnijdenis, vasten  en sabbat op de voorgrond.

 

19.De babylonische ballingschap I: Ezechiël en Jesaja

De Babylonische ballingschap is voor Israël van groot belang geweest. In deze periode wordt een groot deel van het Oude Testament op schrift gesteld; met name het ‘deuteronomistisch geschiedwerk’ (Genesis – 2 Koningen). Hoewel veel daarvan in mondelinge en schriftelijke vorm al bestaan moet hebben, wordt het nu geordend en wordt er een theologische lijn door getrokken: dat de God van Israël de geschiedenis regeert in oordeel en genade.

De ballingschap is ook voor de geloofsinhoud van Israël van groot belang. Nu ontstaat pas het echte monotheïsme (bijvoorbeeld in de teksten van Deuterojesaja zichtbaar). Daarvoor was eerder sprake van monolatrie, en in de praktijk ook wel van polytheïsme (de Kanaänitische goden El, Asherah en Baäl hadden naast Jahwe een plek).

 

Ezechiël

 

Bij deze ballingen hoorde ook Ezechiël, de zoon van een priester, die door God tot profeet werd geroepen en jaren lang Gods boodschap overbracht aan zijn volk. Hij deed dit met al de hartstochtelijke kracht van zijn persoon, met vaak beeldrijke taal, ook met allerlei andere zinnebeeldige handelingen en gebaren.

De kern van zijn prediking is deze: God is de Heilige, Die Zijn eer handhaaft en wel door oordeel en verlossing; Die Zich openbaart als de Almachtige en Rechtvaardige, de Getrouwe en Genadige. Hij gebruikt Babel als Zijn zwaard om Zijn schuldig volk te tuchtigen, maar ook toont Hij Zijn erbarmen, waardoor  Hij hun  de schuld vergeeft.

Ezechiël was getuige voor de eer van God, juist toen deze geschonden was en Gods  volk  verloren  scheen.  Toen  heeft hij de gehele wereld opgeëist voor God. En aan  Israël,  dat reeds scheen onder te gaan, heeft hij zijn nieuwe toekomst voorgehouden.

De Heilige God vraagt  een heilig  volk, dat  deze  heiligheid in zijn  leven  tonen zal.

 

De tweede Jesaja

 

Deze hoofdstukken voeren ons naar de Babylonische ballingschap. Want koning Nebukadnezar had voorgoed een einde gemaakt aan het koninkrijk Juda en het beste deel der bevolking van Juda naar Babel gevoerd. De leden van het koninklijk huis bevonden zich hier in gevangenschap, opstandelingen en anderen in een dragelijke slavernij, terwijl velen hier vrij hun eigen leven mochten leiden. Toch bleef het een leven in de vreemde, ver van tempel en  vaderland.

 

Na de dood van Nebukadnezar kwam er een tijd van politieke verwarring, doordat zijn opvolgers zwakkere vorsten waren, die ·telkens in een burgeroorlog voor een ander moesten wijken. Maar een ommekeer trad in, toen Cyrus kwam, de koning van Perzië, een even bekwaam als zachtmoedig vorst, die in drie weken  geheel  Babel  en  binnen drie jaar de hele oud-oosterse wereld, bijna zonder bloedvergieten wist te veroveren! Nog meer dan als veroveraar kwam hij als redder, met name voor het volk Israël, waaraan hij toestond  naar zijn  land terug  te keren.

In heerlijke bewoordingen verkondigt Jes. 40-66 het heil, de Heiland, niet alleen  voor  Israël,  maar  voor  de  hele  wereld. Geen ·profetisch geschrift bevat  zoveel  bekende  hoofdstukken  en  teksten.

God is Schepper en Beheerser der hele wereld, Die vorsten en volken leidt naar Zijn wil.  Hij  schenkt  het  heil,  dat  komt  en dat men heeft te aanvaarden. Dit is echter  niet  gegrond  op  Israëls trouw, maar op Gods genade. Het komt allereerst (uitwendig gezien) door middel van Cyrus. Maar daarna (geestelijk beschouwd, en dat is de hoofdzaak!) door de Knecht des Heren, de lijdende Messias.  In Christus zijn  deze profetieën  vervuld.

 

20.De babylonische ballingschap II: Daniël en Esther

Daniël

 

Daniel (= mijn God is’ rechter) was een Jood van vorstelijke afkomst, die als balling vertoefde aan het hof van .koning Nebukadnezar (600 v.Chr.) en zijn opvolgers. Onder verscheidene koningen bekleedde  hij hoge ambten.

Het boek Daniël vermeldt ons in de eerste hoofdstukken enige voorvallen uit  zijn leven. Met  anderen  wordt  hij  aan het hof tot page opgeleid. Hier blijkt zijn trouw aan God (1). – Nebukadnezars droom van het metalen beeld kan door niemand worden uitgelegd dan door Daniel, die getuigt van de komende wereldrijken (2). -Het gouden beeld van de koning moet ieder aanbidden op straffe des doods, maar Daniels vrienden  durven te weigeren  en worden  in de brandende oven geworpen, doch God bewaart hen (3). – De droom van Nebukadnezar van. de boom, die wordt om­ gehakt, gaat geheel volgens Daniels voorspelling in ver­ vulling: de koning, die in trots uitroept:  ,,Is dit  niet  het grote Babel, dat ik gebouwd heb?” wordt door God vernederd; daarna prijst hij Gods grootheid! (4). – Koning Belsazar wordt op het hoffeest verschrikt door een schrift aan de wand, dat, naar Daniels uitleg, hem zijn val aan­ zegt; spoedig gaat dit in vervulling (5). -En onder koning Darius, de Mediër, wordt  Daniel  om zijn  trouw aan God  in de leeuwenkuil geworpen, doch door God bewaard   (6).

In alles blijkt Gods oppermacht: geen aards heerser, maar God alleen is groot; Zijn rijk zal zegevieren!

Hiervan getuigt ook de tweede helft van het boek,   Dan. 7-12.

In vier nachtgezichten wordt aan Daniel de komende verdrukking geopenbaard, maar ook de glorierijke tussenkomst van God. Deze profetische gezichten vormen het eerste grote begin van de ,,apocalyptiek”, d.w.z. van de boeken over de te verwachten eindtijd. – Daniël vat de profetieën van het O.T. samen, zoals Openbaringen dat van het N.T. doet. Het boek heeft grote betekenis, ook voor ons. Het wijst reeds op de Zoon des Mensen en het komende Koninkrijk Gods.

II.

Het boek Daniël speelt zich af ten tijde van de ballingschap, maar het is veel later geschreven, namelijk zo tussen 200 en 160 v. Chr., als het laatstgeschreven boek van het Oude Testament. De apocalyptische werkelijkheidsbeschouwing komt al overeen met die in het Nieuwe Testament. Jezus sluit met de term ‘Mensenzoon’ dan ook aan bij dit boek Daniël (hfdst. 7).

 

Esther

 

Esther was een Joods weesmeisje, dat bij haar oudere neef Mordechai aan huis was opgevoed. Maar in de residentie Susan, waar ze woonden, troonde koning Ahasveros, be­ heerser van het reusachtige Perzische rijk (475 v.Chr.). En toen deze zijn vrouw had verstoten, werd Esther, die op aanraden van Mordechai haar Joodse afkomst had verzwegen,  tot koningin verkozen.

Maar Haman, de gunsteling van de koning, een Amalekiet, kon het niet verkroppen, dat Mordechai: niet voor hem boog zoals ieder ander. Hij wist van de koning gedaan te krijgen,  dat hij een bevel mocht uitvaardigen om alle Joden te laten ombrengen. Zelfs had hij een  hoge  paal  laten  oprichten om Mordechai daar aan te spietsen. Maar God spaarde Zijn knecht en redde zijn volk.

 

Het boek Esther wil ons verklaren, waarom het Purimfeest werd ingesteld, nl. tot herdenking van de redding der Joden. Nog steeds wordt dit vrolijke feest in het eind van februari door alle Joden gevierd en wordt in alle synagogen de feest­ rol van Esther voorgelezen. Het boek laat ons ook zien,  hoe de Joden in Perzië leefden: gehaat, soms bloedig onderdrukt, maar altijd weer triomferend over hun tegenstanders. Ze pasten zich aan bij de omstandigheden, maar waren onbuigzaam waar het hun trouw aan God gold. Het schildert ons Ahasveros, ook buiten de Bijbel bekend als een zinlijk, lichtzinnig en wreed despoot; Haman, de booswicht, die een kuil graaft voor een ander; Mordechai, de held achter de schermen en Esther, die door haar optreden alles ten goede vermag  te leiden.

Dit mooie verhaal getuigt ons van God ( al wordt Zijn naam in het hele boek niet genoemd), Die alles bestuurt, Die redt uit  alle  nood,  welke  Zijn  volk  bedreigt,  Die  het  grootste gevaar kan afwenden en de grootste  angst  kan veranderen in de uitbundigste vreugde. En het wijst reeds heen naar Christus, de Zoon Gods, geboren uit het volk der Joden, Die voor Joden en heidenen aan de schandpaal is gestorven tot redding voor allen. Uit het Joodse volk is redding voortgekomen voor de gehele wereld.

II.

Het boek Esther speelt zich af ten tijde van de Perzen (475 v. Chr.), en is in die tijd ook geschreven. Dit betekent niet dat het verhaal als zodanig geheel historisch is. Het is eerder zo, dat een heleboel ervaringen van Israël in deze vertelling zijn ingebracht. Het is een schepping van Israëls geloof, dat zelf gebaseerd is op eeuwenlange ervaring met God.

 

21.De terugkeer uit de ballingschap en daarna

 

Koning Kores (= Cyrus), de stichter van het Perzische rijk, veroverde Babel (539 v.Chr.) en gaf toen aan de Joden verlof om uit de ballingschap terug te keren en de tempel te herbouwen (2 Kron. 36 : 22v., Ezra 1:1vv.). Ofschoon velen liever in Babel bleven wonen, omdat ze het daar zo goed hadden, waren er toch ook velen, die gaarne naar Jeruzalem terugkeerden. Prins Zerubbabel was hun leider  op  deze tocht (538 v.Chr.).

Nu begon men onder leiding van priester Jozua de tempel te herbouwen, maar de Samaritanen werkten tegen, zodat men dit werk spoedig staakte (537 v.Chr.). Maar  geruime tijd later (520 v.Chr.) wist de profeet Haggai door zijn bezielend woord de Joden te bewegen om de tempelbouw te. hervatten. Wel trachtte de landvoogd Thathnai dit te verhinderen, maar gelukkig konden ze de bouwvergunning aan Cyrus tonen, zodat ze de tempel konden voltooien en inwijden. Omstreeks 515 voor Christus wordt de tweede tempel ingewijd. Daarna werd het jodendom ‘wettischer’ dan het daarvoor geweest was. De Schriftgeleerden en de synagogen ontstaan.

Het boekje Haggai bevat een kort verslag van verschillende toespraken van hem over de tempelbouw: De tempel moet hersteld worden. Hij zal minder pracht, maar meer heerlijkheid bezitten dan  de eerste.

In dezelfde tijd is de profeet Zacharia opgetreden. Het  eerste  deel van zijn boek, 1-8,  spreekt  over het  heden van  Jeruzalem; in acht nachtgezichten toont God Zijn ontferming over de stad. Het tweede deel, 9-14, spreekt over de toekomst:  de Messias en  de Dag  des Heren.

Vele jaren later (458 v.Chr.), onder de Perzische koning Arthasasta (= Arthaxerxes) gaat er nogmaals een  grote  stoet ballingen terug naar Jeruzalem, onder wie veel priesters en Levieten. Ditmaal onder leiding van Ezra, een priester en schriftgeleerde. Jarenlang leidt hij de Joodse gemeente. Met kracht en ijver brengt hij  hen  onder  de  tucht der wet. De Joden zijn het heilig volk van God, dat daarom naar· Zijn wet moet leven en zich afgezonderd houden  van  de andere volken!

Ook Nehemia, de schenker van Arthasasta, gaat – bekommerd over de toestand van zijn vaderstad – in 445 v.Chr. met volmacht van de koning naar Jeruzalem, om daar de gevallen muren op te bouwen.

In vertrouwen op God pakt hij spoedig aan. Hij weet, ondanks de tegenstand der vijanden, binnen twee maanden de muren op te bouwen. Ook neemt hij maatregelen tegen allerlei  maatschappelijke wantoestanden;

Na de ballingschap, omstreeks het jaar 400 voor Christus, traden verder nog op de profeten Joël en Maleachi. De eerste, Joël (400-300 v. Chr.) getuigde van de uitstorting van de  Heilige  Geest (verg. Hand. 2 :16vv.); beiden wezen  op  de  komende  Dag des  Heren. Laat  Israël leven  als het volk  van· de heilige  God!

De laatste tekst van het Oude Testament (volgens de christelijke indeling) is: ‘Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag. Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders, opdat Ik niet zal komen en de aarde met de ban zal slaan.’ (Mal. 4:6)

Het Nieuwe Testament getuigt dat Johannes de Doper deze terugkerende profeet Elia is. Zo sluit het Nieuwe Testament direct aan bij het Oude.

 

 

22.Het gesprek van de wijzen: Spreuken, Prediker en Job

 

Spreuken

 

Israël had zijn wijsheidsboeken. In de Bijbel behoren hiertoe Spreuken, Prediker en Job. Ook andere volken der oudheid hadden hun wijsheidsboeken. In vorm is er veel overeenkomst,  maar  in  inhoud  groot   verschil.

Spreuken zijn woorden van levenswijsheid, door wijzen uit· gesproken en in boeken bewaard. De inhoud is niet schools, maar practisch van aard en wil een antwoord geven op de talloze vragen van het werkelijke leven in zijn velerlei verhoudingen en omstandigheden. – In ons Spreukenboek is grondslag en uitgangspunt hiervan de oprechte godsvrucht. Het wil de zedelijke levensvragen oplossen in het licht van Gods openbaring in wet en profeten: De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid.

II.

Het boek Spreuken is niet, zoals het zelf aangeeft (1:1) van Salomo, hoewel met hem wel de wijsheidstraditie van Israël begonnen zal zijn en het in die zin niet uit de lucht gegrepen is. Het boek is echter geschreven na de ballingschap, 300-200 v. Chr., en behoort dus tot de laatstgeschreven boeken van het Oude Testament.

Job

 

Het boek Job  verhaalt  ons  van  Job, de herdersvorst,  .rijk in kinderen  en vee, maar bovenal van grote  vroomheid.

Satan vertrouwt die vroomheid  niet  en krijgt  van  God ver­ lof om Job op de proef te stellen, zodat hem alles wordt ont­ nomen, zijn gezondheid hem ontvalt en zelfs zijn vrouw hem ontrouw  wordt. Maar  toch  blijft  Job God  loven  (Job 1,   2).

Nu komen zijn vrienden ,,om hem te troosten” (2 :11), maar ondertussen doen ze wat ze kunnen om hem wanhopig te maken, omdat ze hem verdenken van zware  zonde.

Heel lange en zware gesprekken tussen Job en zijn vrienden worden ons in het boek Job gegeven; alle gaan ze  over  de vraag naar het lijden: waarom is er lijden in de wereld? De vrienden trachten het te verklaren: als straf voor bepaalde zonden, of als middel tot loutering van de· vrome, dus als opvoedingsmiddel. Dit  alles  bevredigt  Job  niet,  maar  hoe   is het  dan  wel? (3-37).

Daar spreekt God uit een onweer en getuigt Hij van Zijn almacht en ’s mensen nietigheid hiertegenover (38, 39). Job erkent dit. Nog eens spreekt God (40, 41) en nu is Job tot inzicht  gekomen  in Gods majesteit. Thans trekt  God  partij voor  Job en tegen  zijn  vrienden  en herstelt  Hij hem    in zijn geluk  (42). ·

Geen verklaring van het lijden is afdoende, geen rechtvaardiging van het Godsbestuur wordt gegeven, geen oplossing, die ons verstand zou kunnen bevredigen.  Maar  er is meer: er is verlossing uit deze nood, doordat de aandacht wordt gericht op God en Zijn  majesteit. Hierom  gaat  het. Dat de mens deze mag aanschouwen, verlost hem uit alle nood.

Het boek Job is een der moeilijkste van de hele Bijbel, maar ook een der belangrijkste. Ons leven lang komen. we er niet mee klaar, maar juist in de grootste. druk kan het ons stil maken  en tot  ootmoed  en dankbaarheid  stemmen.

II.

Job is geen historisch verhaal, maar theologie in verhaalvorm. Het begint niet voor niets als een oud verhaal in een onbekend land: “Er was eens, in het land Uz, een man genaamd Job…” We zouden wel kunnen zeggen: Job is een personificatie van heel Israël. Israël verschijnt hier als de lijdende rechtvaardige, die met God strijdt en uiteindelijk zich aan God gewonnen geeft. Het boek is geschreven 500-300 v. Chr, dus na de ballingschap.

Prediker

 

Het boek Prediker is een eigenaardig, diepzinnig boek. Schijnbaar lichtzinnig, dringt het juist door tot de laatste ernst. Het spreekt van de twijfel van de ontwikkelde, zijn zedelijke en geestelijke moeilijkheden: alle menselijk streven is immers nietig (ijdel). Voor geen enkel levensraadsel kan men een oplossing vinden. Onrecht heerst alom. Waardeloos zijn  rijkdom,  wijsheid, eer, macht. Tenslotte wordt  de   oplossing, die reeds hier en daar doorschemerde, ronduit genoemd: Niet vanuit de  mens, maar  vanuit  God  is er waarde en inhoud voor het leven! Zo is het boek juist voor deze zoekende  tijd  van  wezenlijke betekenis.

II.

Het boek Prediker staat op naam van Salomo, maar is veel later geschreven, 250-200 v. Chr. De werkelijkheidsbeschouwing die eruit naar voren komt is die van de sceptische wijze uit deze late tijd, en niet te verenigen met de opvattingen ten tijde van Salomo.

 

 

23.De hele geschiedenis tweemaal verteld

Terugkijkend op het geheel van het Oude Testament, valt nog op dat de gehele geschiedenis tweemaal verteld wordt. Hierboven hebben we ons gebaseerd op het ‘deuteronomistisch geschiedwerk’ (Genesis t/m 2 Koningen), waarin we de Schriftprofeten (Jesaja t/m Maleachi) hebben ingevoegd op het chronologisch passende moment. Er bestaat echter nog een tweede geschiedschrijving, het ‘kronistisch geschiedwerk’, in de boeken Kronieken, Ezra en Nehemia. Dit vertelt de gehéle geschiedenis nog eens. Daarom begint Kronieken weer met Adam (1 Kron. 1:1). Deze keer wordt de geschiedenis echter zo beschreven, dat alles geconcentreerd wordt op de cultus, Jeruzalem, de tempel, Davids huis. Daarom wordt de geschiedenis van het noordrijk zelfs niet vermeld.

Het kronistisch geschiedwerk is later geschreven dan het deuteronomistisch geschiedwerk; zo tussen 350 en 300 v. Chr. In deze tijd is Israël veel meer een cultische en wettische godsdienst geworden rond de tempel in Jeruzalem. Dit past bij het geschiedbeeld van de Kronist.

 

24.Interpretaties van het Oude Testament als geheel

 

 

–          Boek van de wrede scheppergod.

Dit is de opvatting van Marcion, een theoloog uit de vroege kerk. Hij meende dat de God van het Oude Testament een ander is dan de God van het Nieuwe Testament. De God van het Oude Testament is de schepper van alles, maar een wrede God. De God van het Nieuwe Testament is niet de schepper, maar wel de Verlosser; Hij is niet wreed, maar liefdevol. Marcion wilde daarom het Oude Testament niet erkennen als Woord van God. Deze opvatting van Marcion is door de kerk verworpen. Deze visie op het Oude Testament is onjuist. Jezus heeft geen andere God verkondigd dan de God van Israël. Deze God noemt Hij zijn Vader. De God van het Oude en Nieuwe Testament, de Schepper en de Verlosser, zijn Dezelfde.

We komen deze visie op deze manier niet meer tegen in de kerk. In afgezwakte vorm echter soms nog wel. In de praktijk doet men dan weinig of bijna niets met het Oude Testament. Men zegt dan dat God in het Nieuwe Testament toch veel duidelijker en ook anders tot ons spreekt dan in het Oude. Men plaatst dan ook Israël en de kerk sterk tegenover elkaar, en het verbond heeft dan eigenlijk geen plek in ons denken. Men neemt vaak Genesis 1-3 nog wel mee in het denken, maar men doet als we Genesis 4 t/m Maleachi 4 eigenlijk wel kunnen vergeten. Dit is fundamenteel onjuist.

 

Het Oude Testament als gesprek.

Dit is de opvatting van Walter Brueggemann. Hij beschrijft het Oude Testament als een dialoog tussen een ‘kerngetuigenis’ en een ‘contragetuigenis’. In het kerngetuigenis getuigt Israël van Gods reddende daden, zijn verbondstrouw. In het tegengetuigenis komen we echter teksten over Gods verborgenheid, toorn en dergelijke tegen. Alleen tesamen zijn beide getuigenissen het Woord van God.

Deze opvatting wijst op een belangrijk kenmerk van het Oude Testament, namelijk dat ons hier niet één boodschap zomaar aangezegd wordt, maar dat hier een geschiedenis verteld wordt op zo’n manier, dat wij uitgedaagd worden hierin zelf op onze manier mee te gaan doen. We hebben gezien dat de gehele geschiedenis van Israël tweemaal verteld wordt, op echt verschillende manieren. We hebben ook gezien hoe Nahum en Jona echt een verschillend licht werpen op de toorn van God jegens de ‘heidenen’. We hebben ook gezien hoe in de wijsheidsliteratuur een gesprek gevoerd wordt over Gods leiding van de wereld; een gesprek waarin de wijzen het echt met elkaar oneens zijn. Dit alles is kenmerkend voor de Bijbel; wij worden op deze manier uitgedaagd onze eigen plaats tegenover God in te nemen, in eigen verantwoordelijkheid.

Deze opvatting slaat echter door, wanneer we menen dat uit het Oude Testament geen duidelijk beeld oprijst van wie de God van Israël is. Onder de verschillen ligt de gezamenlijke overtuiging dat God de Schepper is van hemel en aarde, degene die een verbond met Israël is aangegaan en die dat verbond trouw blijft. Alleen op basis daarvan is een onderling gesprek mogelijk.

Geschiedenis van de mislukking.

Dit is de opvatting van Rudolf Bultmann. Hij meent dat het Oude Testament vertelt hoe het verbond tussen God en Israël mislukt, door de zonde van het volk. Er is een steeds kleinere rest die overblijft, en ook die rest voldoet niet aan de verbondseisen.

Deze opvatting wijst er terecht op, dat Jezus nódig was. Als het verbond met Israël geslaagd was, dan was er geen nieuw testament nodig. Jezus komt voort uit de crisis van het oude verbond.

Deze opvatting slaat echter door, wanneer we menen dat we nu niet meer met het Oude Testament te maken hebben. Het getuigt immers toch van een mislukt project. Dan miskennen we dat in dit project wel God zich geopenbaard heeft, en wij Hem dus alleen hieruit kunnen leren kennen. Bovendien is het hoogmoed te denken dat het nieuwe verbond met de kerk wél geslaagd zou zijn. Ook het Nieuwe Testament kan gelezen worden als een geschiedenis van de mislukking.

 

Boek van de wet.

Dit is de opvatting van Luther. Voor deze interpretatie is Johannes 1:17 van belang: “Want de wet is door Mozes gegeven, maar de genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.” Het Oude Testament is het boek van de wet, het Nieuwe Testament van het evangelie. De wet eist van ons wat wij niet volbrengen kunnen, het evangelie schenkt genadig wat wij onszelf niet kunnen geven. Daarom brengt de wet uiteindelijk de dood, het evangelie het leven.

Deze opvatting ziet terecht, dat Jezus nódig was. De weg van de wet heeft gefaald. Zij neigt er echter ten onrechte toe het hele Oude Testament met de wet te identificeren; het Oude Testament is evenzeer vol belofte, vol evangelie. Bovendien neigt ze ertoe de positieve functie van de wet te ontkennen. De wet wordt door Christus ook opnieuw in dienst genomen, als wet van de Geest en van het binnenste.

 

Boek van de belofte en de verwachting van de messias.

Deze opvatting domineert inde gereformeerde traditie. Men leest dan in Genesis 3 al meteen, hoe God de messias toezegt (Gen. 3:15, de moederbelofte), en deze beloften ziet men steeds weer herhalen en toenemen. Het Nieuwe Testament is dan de vervulling van deze beloften.

Deze opvatting ziet terecht, dat de messiasverwachting in het Oude Testament een doorgaande lijn is. Dat verbindt het volk Israël ook met Christus en de kerk. Abraham en zijn nageslacht staan niet los van Christus, maar zijn in de verwachting van Hem al met Hem verbonden.

Deze opvatting miskent echter, dat er ook andere lijnen in het Oude Testament zijn. Er is ook de lijn van de koninkrijksverwachting, die vaak nog sterker lijkt dan die van de messiasverwachting, en de messias niet altijd nodig heeft. Bovendien kan deze opvatting miskennen, dat het Nieuwe Testament niet alleen het boek van de vervulling is, maar ook het boek van een nieuwe verwachting. In Christus geloven is ook op een eigen manier gaan delen in de beloften van het oude verbond, die nog vervuld moeten worden.

 

Boek van de belofte van een koninkrijk waarvan Israël het centrum is.

Dit is de opvatting van Israël. Het jodendom heeft er geen behoefte aan om aan het Oude Testament nog iets toe te voegen. Het is compleet in zichzelf. Voor zover er een messiasverwachting in voorkomt, verbinden zij die geheel met de koninkrijksverwachting, zodat de messias niet kan komen zonder een zichtbaar koninkrijk. Van deze verwachting spreekt ook de joodse indeling van het Oude Testament in Thora, Profeten en Geschriften. Het laatste boek is dan 2 Kronieken, dat eindigt met de belofte tot terugkeer naar het beloofde land en herbouw van de tempel. Zo houdt Israël vast aan Gods verbondstrouw. Ondanks de zonde van het volk, gelooft men dat het verbond niet verbroken is, niet alleen omdat God trouw is, maar ook omdat het volk – naast de zonde die er is – trouw is. Daarom is er geen middelaar nodig.

 

Boek van het oerbeeld van God en mens.

In deze opvatting lezen wij ook als christenen in het Oude Testament wie God en de mens werkelijk zijn. Daarom veroudert het Oude Testament niet door de komst van het Nieuwe. Het Nieuwe werpt wel licht op het Oude, maar vooral zo dat ook heidenen nu aan dit verbond worden toegevoegd, bij Israël worden ingelijfd.

Deze opvatting wijst er terecht op dat, het Nieuwe Testament geen andere God verkondigt dan het Oude. Zij slaat echter door, wanneer zij het Nieuwe Testament niet meer dan het ‘verklarend woordenlijstje bij het Oude Testament’ noemt. Wij worden niet alleen bij Israël ingelijfd – zodat er alleen sprake zou zijn van een uitbreiding of vernieuwing van het verbond – , maar Israël én de volken moeten bij Christus worden ingelijfd; er is door Christus ook sprake van een ‘nieuw verbond’.

 

Boek van kruis en opstanding, oordeel en genade

Deze opvatting stelt, dat het Oude Testament de geschiedenis is, die in de vorm gelijk is aan het Nieuwe, maar waar het Nieuwe Testament de crisis en zo het einde van vormt.

Het Oude Testament verkondigt dat God de hand heeft zowel in het oordeel als in de genade. Dit zijn als het ware de beide handen, waarmee Hij de geschiedenis voor zich uit drijft. We zien dit paradigmatisch in de twee grote gebeurtenissen die het Oude Testament structuur geven: uittocht en ballingschap. God is Degene die Israël in slavernij laat gaan, én Hij is degene die hen uitredt. Zo is God ook degene die Israël in ballingschap laat gaan, én Degene die het volk doet terugkeren. Terugkijkend kunnen we dit dan ook al zien in het werk van de schepping: God is degene die het ‘woest en ledig’ heeft geschapen, én degene die daarin licht schept. (Gen. 1:2-3) Hij is, met andere woorden, degene die “doodt en levend maakt, ter helle doet nedervaren en daaruit weer opkomen”.

Dit zien we dan ook in de geschiedenis van Jezus. God blijkt daar de God die Jezus laat kruisigen, én Degene die Hem opwekt uit de dood. Het eerste is Gods ultieme oordeel over de zonde; het tweede Zijn ultieme daad van genade.

Op deze manier kan duidelijk gemaakt worden dat de God van het Oude Testament dezelfde is als de God van het Nieuwe, terwijl toch het Nieuwe nodig is als de climax van dit Oude Testament.

Deze opvatting van het Oude Testament is eigenlijk voorgetekend in Genesis 18:16-33 en Marcus 12:1-12.