Verdiepingskring A. van de Beek (2015-2016)

Verdiepingskring

Hervormde wijkgemeente De Morgenster, Waddinxveen

W.M.Dekker

 

Boek: A. van de Beek, ‘Gespannen liefde. De relatie van God en mens’, Kampen 2000

Hoofdstuk 1: de Schrift

 

Samenvatting

 

We ontmoeten God allereerst in de Schrift, Gods Woord en tegelijk mensenwoord, een veelkleurige (zowel in historisch, cultureel als theologisch gezichtspunt), soms tegenstrijdige neerslag van de openbaring, die toch als geheel getuigt dat Jezus als God in het menselijk vlees gekomen is.

 

 

Gespreksvragen

  1. Is je kijk op de Bijbel in de loop van je leven veranderd? Zo ja, hoe? Hoe kijk je er nu tegenaan?
  2. Welke rol speelt de Bijbel in je relatie met God? Zou je ook iets over God kunnen zeggen zonder de Bijbel, of eigenlijk niet?
  3. Noem je de Bijbel het Woord van God? Wat overtuigt je dat de Bijbel dit is? Wat vindt je van Van de Beeks mening hierover?
  4. De huidige Bijbelwetenschap is van mening dat:
  1. Niet elke brief “van Paulus” echt van Paulus is; en evenzo met het auteurschap van andere boeken;
  2. Sommige in de Bijbel beschreven gebeurtenissen niet echt gebeurd zijn (archeologisch onderzoek e.d.). Vb de val van Jericho.
  3. De verschillen tussen de evangeliën niet alleen te maken hebben met verschillende doelgroep (Lucas schrijft voor heidenen, Mattheüs voor joden e.d.) maar ook met verschillende theologische gedachten;
  4. Auteurs eerdere teksten voortdurend herschreven hebben, om ze te laten aansluiten bij de eigen tijd (vgl VdB p 14 bovenaan)
  5. Ga van elke overtuiging afzonderlijk na wat je daarvan vindt. Als dit alles waar is, kun je de Bijbel dan nog Gods Woord noemen? Waarom wel / niet?
  1. Wat vindt je van Van de Beeks formulering van de eenheid vd Schrift?
  2. Heeft het wel of niet aangesproken worden door de Bijbel uiteindelijk te maken met God zelf: verkiezing? (p 28)

Hoofdstuk 2: Cultuur

 

Samenvatting

 

God en de christen hebben een ambivalente verhouding tot de wereld/cultuur. God heeft zich met de wereld verbonden, maar stelt haar ook onder radicale kritiek. Zo is de christen wel in, maar niet van de wereld. Hij kan dan ook nooit een christelijke cultuur opbouwen, hij zal om deze reden zelfs nooit gelukkig kunnen zijn in deze wereld.

 

Gespreksvragen

 

  1. Wat herken je in het pleidooi van Van de Beek? Waar heb je vragen bij?
  2. Casus: onderwijs. Van welke manier van denken over kerk en cultuur is het ‘reformatorisch onderwijs’ een uiting? Van welke manier de ‘CNS-school’ (christelijk nationaal schoolonderwijs). Waar zou Van de Beek voor zijn? Hoe denk je er zelf over?
  3. Casus: politiek. Van welke manier van denken over kerk en cultuur zijn de kleine christelijke partijen (CU, SGP) een uiting? Van welk ideaal is het CDA een uiting? Waar zou Van de Beek uitkomen? Hoe denk je er zelf over?

Hoofdstuk 3: Israël

 

Samenvatting

 

Israël is en blijft Gods uitverkoren volk. Dat strookt niet met ons idee van humaniteit. Dat geldt des te meer voor de landbelofte en de daarmee verbonden volkerenmoord. Deze uitverkiezing heeft lijden en vervolging tot gevolg. Dit lijden vindt plaats in vier kringen: Jezus Christus (de uitverkorene bij uitstek), Israël, de kerk en de volken. De kerk is geroepen de weg van Israël te gaan: de weg van het lijden. Door de moderne cultuur (h. 2) was een christen al per definitie een ongelukkig mens. Leven met déze onbegrijpelijke en harde God maakt het geloof nog zwaarder. ‘God vraagt teveel. Met deze God valt niet te leven.’

 

 

Gespreksvragen

  1. Wat voor (geloofs)band heb je zelf met Israël? Met wie/wat voel je je meer verbonden (of met alles evenveel): met de gelovige joden (synagoge), de messiasbelijdende joden, het joodse volk als geheel, het land, de staat?
  2. Wat herkende je zelf in dit hoofdstuk (!), waar had je een vraag bij (?), wat ergerde je of was je het niet mee eens (#)? Waarom?
  3. Wat vindt je van de opmerking van Van de Beek dat de uitverkiezing niet strookt met onze ideeën van humaniteit? Ervaar je zelf die spanning ook? Wat vindt je van Van de Beeks oplossing?
  4. “Wat vindt je van Van de Beeks omgang met de verhalen van de volkerenmoord in Jozua/Richteren?
  5. Hoe leest Van de Beek Jesaja 53? Wie is de lijdende knecht? Is hier nog sprake van ‘ruil’?
  6. Wat vind je van het idee dat het lijden van de gemeente voltooing is van het lijden van Christus? (64-65, met beroep op Kol. 1:24)
  7. Wat is het lijden dat de gemeente vandaag in Nederland moet dragen? Overdrijft Van de Beek dat niet?
  8. Maakt Van de Beek de ‘spanning’ in de liefde tussen God en mens (vgl. de titel v.h. boek) niet te sterk? Waarom zou je met déze God willen leven?

Hoofdstuk 4: Mens

 

Samenvatting

Vanuit Israël en Christus krijgen we zicht op de mens als een door God uit stof geschapen wezen, in wie schepping (goedheid), zonde en dood ineenliggen. De Bijbel kent geen schepping-zonde-verlossing structuur, maar die van eerste Adam – tweede Adam.

 

Gespreksvragen

  1. Beleef je zelf (afgzien van de argumenten) het mens-zijn hetzelfde als van de Beek of niet?
  2. Van de Beek onderscheidt minder sterk tussen schepping enerzijds en zonde en dood anderzijds dan de traditie doet. Welke argumenten heeft hij hiervoor? Wat vind je van die argumenten?
  3. Als we de structuur schepping-zonde-verlossing vervangen voor eerste en tweede Adam, wat is dan naar je idee de winst en wat het verlies?

Hoofdstuk 5: God

 

Samenvatting

 

God is de Almachtige uit wiens hand zowel heil als onheil tot ons komen, tot wie wij leven mogen met onze verwijten en die op Zijn beurt ons verwijten maakt, maar toch op basis van verbondenheid met ons. “De Naam houdt het zooitje bij elkaar.”

 

Gespreksvragen

  1. Wat staat naar je idee op de voorgrond in Van de Beeks spreken over God: almacht of liefde? Hoe is dat bij jezelf?
  2. Zondag 10 van de catechismus (p. 87), we zijn ermee opgevoed. Herkennen we het ook, of hebben we ook moeite met dit belijden?
  3. Welke twee gevolgen ziet van de Beek, als we zondag 10 opgeven? Waarom zijn die in zijn ogen desastreus?
  4. Wat is volgens van de Beek de eenheid van God? Ben je het daarmee eens, of is het te weinig?

Hoofdstuk 6: Verzoening

 

Samenvatting

 

Er is bij God sprake van reële toorn over alle mensen. Daar is reden toe. Wij deugen niet. Er is dus verzoening nodig. God zendt de profeten om mensen tot inkeer te brengen, maar zonder succes. Dan komt Hij zelf in Christus in deze wereld, om verzoening te brengen. ‘God laat zichzelf kruisigen’. Daar neemt Hij alles van ons mensen op zich. Hij draagt het lijden en de schuld. Hij identificeert zich totaal met de verloren mens. Hij kwam in onze schoenen staan, dat is de plaatsvervanging. Dit veronderstelt een corporatief denken.

Verzoening is nodig omdat we niet alleen zonde doen, maar ook zondaar zijn. Alleen onze dood kan ons bevrijden. In Christus sterft God onze dood. Dan kunnen wij opstaan in een nieuw verbond. Daar hoort echter wel onze instemming bij.

God is echter niet alleen boos op de mens, de mens ook op Hem. Daar gaat het boek Job over. God laat dat toe, Hij laat zich kruisigen. Ook de moderne cultuur doet dit door haar ontkenning van God (Nietzsche). Als wij ons echter met God laten verzoenen, aanvaarden we ook zijn Vaderschap, zijn macht, zijn wil, en zo aanvaarden we dan ook ons eigen leven en onszelf.

 

Gespreksvragen

  1. Wat betekent verzoening volgens Van de Beek? Is dit hetzelfde als je van huis uit gehoord hebt?
  2. Lees Filippenzen 2:5-11. Lees je hier hetzelfde als Van de Beek schrijft? (vgl p 106)
  3. Betekent de dood van Christus dat een ander dan ik sterft voor mijn zonden? Waarom wel of niet?
  4. Waarom is het moeilijk de verzoening te aanvaarden? Herken je dat?
  5. Reageer eens op de uitspraak ”Verzoening met God betekent uiteindelijk ook verzoend worden met jezelf, met je eigen leven en je eigen geschiedenis, tenslotte verzoend worden met de wereldgeschiedenis, niet omdat die uiteindelijk toch goed afloopt, maar omdat het de geschiedenis van Gods werken is, waarmee we verzoend worden.” (121)

Hoofdstuk 7: De kerk

 

Samenvatting

 

Direct of indirect komen we in de kerk tot geloof. Zij is onze moeder. Wij worden deel van een gemeenschap, het lichaam van Christus, waarin alleen het geloof bepalend is. We geloven dat die eenheid er is, voordat zij werkelijkheid is. Zij is in de wereld een gemeenschap van bijwoners, allochtonen. Zij hebben nergens een vaderland. Zij schuilen bij elkaar en bij Christus. Tegelijk is de kerk getekend door zonde. Met Constantijn en de greep naar de macht vindt de zondeval van het christendom plaats. Het cultuurchristendom staat in deze traditie. Zo raken we God kwijt. Toch past die onvolmaaktheid ook bij de kerk, want zij past bij de Gekruisigde.

 

 

Gespreksvragen

  1. Spreekt het beeld van de kerk als moeder je aan? Waarom?
  2. Wat zegt van de Beek over het streven naar eenheid onder christenen? Wat vind je zelf?
  3. Van de Beek benadrukt het vreemd-zijn in de wereld (allochtonen). Hoe beleef je dat zelf?
  4. Was de bekering van Constantijn inderdaad het begin van de zondeval van de kerk?
  5. Vergoeilijkt Van de Beek de zonden van de kerk niet als hij zegt dat het zo bij de Heer van de kerk past?

Recensie van dit boek van Van de Beek (W.M. Dekker, 2002)

Zoals de titel aangeeft gaat het in dit boek om een doordenking van de relatie van God en mens. In relationele en niet in klassieke ontologische termen wil Van de Beek theologie bedrijven. Dat heeft soms interessante consequenties (86). Ook de inhoud van deze relatie wordt in de titel kort aangegeven: het gaat om een relatie van gespannen liefde. Mateloze liefde allereerst, die zelfs tegen de sterkste stoten bestand is. Dat geldt zowel voor de gelovige (geloof is vooral vertrouwen, je eindeloos vastklampen aan God) als voor God (die ‘het niet over zijn hart kan verkrijgen’ ons los te laten, 96-97). Tegelijk is het ook een relatie met hele grote spanningen. Ook dat geldt voor de mens, die boos is op God die “zo veeleisend is dat geen mens daaraan voldoen kan” (54), die van Gods bestuur vaak niets begrijpt en die, terecht boos, aan God kan vragen: “Waarom doet Gij ons van uw wegen dwalen?” (Jes. 63:17). Maar ook van God uit is er spanning met de mens. God is verschrikkelijk kwaad op alle mensen. Dit spreken over toorn en gericht in de bijbel is “niet zomaar ergens een los zinnetje, toen het in de wereld een keer helemaal de spuigaten uitliep, maar het hoort bij de structuur van de Schrift.” (102) En ook God is terecht kwaad, want allen hebben gezondigd.

Het conflict tussen God en mens loopt zo heel hoog op. Uiteindelijk vindt het een einde in de verzoening. Deze verzoening betekent allereerst verzoening met God, wat vooral betekent dat je God geen vragen meer stelt, maar je neerlegt bij zijn beleid,  het beleid van Hem die ons niet alleen de zonneschijn geeft, maar “die ons ziekte gaf en die mijn moeder de kanker gaf.” (121) En verzoening betekent ook “verzoend worden met jezelf, met je eigen leven en je eigen geschiedenis, tenslotte verzoend worden met de wereldgeschiedenis, niet omdat die uiteindelijk toch nog goed afloopt, maar omdat het de geschiedenis van Gods werken is, waarmee we verzoend worden.” (121)

Zo worden in het boek de polen van de relatie behandeld: de mens (hoofdstuk 4) en God (h 5), en de verzoening zelf (h 6) Daarnaast komen ook de thema’s aan de orde die direct met deze relatie te maken hebben: de Schrift, (h 1), de cultuur (h 2), Israël (h 3) en de kerk (h 7). Stuk voor stuk hebben de hoofdstukken mij geboeid, ze hier behandelen zou helaas te veel ruimte vragen.

Er is heel veel goeds over dit boek te zeggen: Het is goed geschreven, met krachtige, aansprekende taal en heldere, trefzekere lijnen; er worden vragen gesteld die voor de huidige christelijke gemeente in het westen van fundamenteel belang zijn en ze worden op een creatieve wijze beantwoord. Toch heb ik ook veel vragen. Ik wil er één stellen:

Van de Beek laat de menselijke ervaring zeer sterk mee spreken in de dogmatiek. Zijn insteek bij het bijzondere (Van de Beek onderschrijft Barth’s dogmatische grondregel, dat de werkelijkheid aan de mogelijkheid vooraf gaat en het bijzondere aan het algemene) is vooral een insteek bij een bijzondere ervaring: het aangesproken zijn door de God van Israël. En vanuit die ervaring wordt het hele symbolisch universum van de mens met God in verband gebracht. Allereerst is dat wel het symbolisch universum van Van de Beek zelf. Als auteur is hij duidelijk aanwezig in het boek, als een mens ‘bij wie het verdriet in het leven gekomen is’ (84), die zelf de gehele werkelijkheid (inclusief het lijden) op God betrekt en die zelf ‘een ongelukkig bewustzijn’ (44, 134 e.a.) heeft, omdat hij wel in de wereld leeft, maar niet van de wereld is en ook nooit worden kan. Zijn ervaringstheologie voorkomt zo niet dat hij kritiek heeft op de westerse cultuur. Integendeel.

Ik waardeer dit alles allereerst positief omdat zo elke schijn vermeden wordt dat dogmatiek bedreven wordt los van de concrete werkelijkheid van Nederlandse christenen anno Domini 2001. Dit is niet alleen van groot belang voor de gelovige zelf, die immers dag in dag uit in deze werkelijkheid met zijn geloof moet leven, maar het biedt ook een noodzakelijk tegenwicht aan de secularisatie. God heeft met heel onze werkelijkheid te maken, en is niet alleen goed voor de onopgeloste problemen of de ervaringen van het goede (89).

Toch komen hier ook vragen op: Het menselijk leven is zo fundamenteel leven met God, dat elke ervaring een ervaring met God lijkt te worden. Van de Beek onderscheidt niet duidelijk tussen de wijze waarop God met de verschillende ervaringen, die van goed en kwaad, te maken heeft. Openbaring en ervaring worden bij hem ook zo nauw op elkaar betrokken, dat er nauwelijks meer een criterium overblijft waaraan onze ervaring getoetst kan worden, ‘of zij uit God is’.

Dit heeft twee consequenties. Allereerst heeft het als consequentie dat God niet meer radicaal goed is. Wanneer de gehele werkelijkheid, zowel goed als kwaad, op God betrokken wordt, dreigt het gevaar dat een dualisme goed (God) – kwaad nu vervangen wordt door een dualiteit in God zelf. De tegenstrijdigheid van de mens en zijn werkelijkheid wordt in God zelf teruggeprojecteerd. En ten tweede heeft het consequenties voor de eenheid van God. De eenheid van God, aldus Van de Beek, is die van de NAAM, net zoals onze naam het enige is dat het zooitje van ons leven bij elkaar houdt. “De NAAM die houdt het zooitje bij elkaar.” (101)

Dit kan ik niet meemaken. Ik zou wel willen vasthouden dat God met de gehele werkelijkheid te maken heeft, maar tegelijk zou ik elke schijn willen vermijden dat Hij met alles op dezelfde manier te maken heeft, omdat dan zijn radicale goedheid en de eenheid van zijn persoon in gevaar komt. In de christelijke traditie zijn er ook genoeg eerbiedwaardige pogingen gedaan om deze laatste positie te doordenken en het bevreemdt mij dat Van de Beek hier niet meer mee in gesprek is. Hier moet m.i. de menselijke ervaring gecorrigeerd worden door de openbaring. De ondoorgrondelijkheid van God staat niet zomaar naast zijn ‘mild gelaat’, maar is toch vooral de ondoorgrondelijkheid van het ontoegankelijk licht (1 Tim. 6:16). En God heeft wel met het kwade te maken, maar dan om het alsnog ten goede te keren. Hij hanteert wel de kromme stok, maar dan om er miraculeuzerwijze toch nog een rechte slag mee te slaan.

Dit komt bij Van de Beek niet duidelijk genoeg naar voren. Daardoor komt zoals gezegd ook Gods eenheid in gevaar. Dat lijkt me ook niet aanvaardbaar. Het monotheïsme heeft juist willen zeggen, dat er tegenover alle weerbarstigheid en chaos Iemand is die wel een eenduidige identiteit heeft. De postmoderne mens mag dan in hoge mate aan een meervoudig persoonlijkheidssyndroom leiden, voor God geldt dat niet. Wanneer Gods identiteit net zo wankel is als de mijne, kan ik mij niet onvoorwaardelijk aan Hem overgeven. En dat is een voorwaarde om zinvol te kunnen geloven.