Verdiepingskring Tim Keller (2009)

N.a.v. Tim Keller, ‘In alle redelijkheid. Christelijk geloof voor welwillende sceptici’ (Franeker 2008)’.

Hervormde gemeente Mastenbroek en ‘s-Heerenbroek, 2009-2010

Inleiding – 15 oktober 2009

Tim Keller, In alle redelijkheid, pp. 7-23

Inleiding

Tim Keller opgegroeid als lutheraan, en later methodist geworden toen de lutherse kerk hem te links werd. Hij is nu voorganger van Redeemer Presbyterian Church in New York. Bijna twintig jaar lang is hij predikant in Manhattan. Hij spreekt veel met hoogopgeleide jonge mensen, die enerzijds wel open staan voor geloof, maar anderzijds ook sceptisch zijn. Voor hen heeft hij dit boek geschreven. Met hen moest hij voortdurend in gesprek over de redenen voor het christelijk geloof. En de bezwaren ertegen moesten uiteraard overwonnen worden. Met minder namen zij geen genoegen. Dit boek bestaat dan ook uit twee delen. Het eerste deel heet ‘De sprong van de twijfel’ en bespreekt zeven bezwaren tegen het geloof. Het tweede deel heet ‘Redenen voor het geloof’ en bespreekt zeven van deze redenen.

Keller gaat in veel van de hoofdstukken uit het eerste deel op eenzelfde manier te werk. Hij tracht aan te tonen hoe de bezwaren tegen het geloof uiting zijn van een ander geloof. Er bestaat dus niet zoiets als een neutrale rationaliteit waar het christelijk geloof van zou afwijken, nee, er zijn alleen maar verschillende fundamentele uitgangspunten, geloofsovertuigingen. Vervolgens tracht hij duidelijk te maken dat er minstens zoveel argumenten zijn voor het christelijk geloof als er tegen. Daarmee wordt de waarheid van het geloof niet bewezen, maar vanuit een cumulatieve redenering wordt wel de waarschijnlijkheid ervan aangetoond, en dat het dus alleszins redelijk is om te geloven.

Als de belangrijkste bezwaren zijn weggenomen, krijgt de sceptische tijdgenoot ruimte om de argumenten vóór het geloof te overwegen. Die worden dan behandeld in het tweede deel.

Keller wil op deze manier de door hem waargenomen kloof tussen sceptici en gelovigen overwinnen. Keller meent dat deze kloof steeds dieper wordt. De wereld polariseert rond religie. De algemene, gematigde christelijke cultuur wordt zwakker, maar bewust geloof en bewust ongeloof groeit (p. 13). Keller is hier niet tevreden mee en wil door zijn boek beide partijen laten twijfelen: de ongelovigen moeten meer gaan twijfelen aan hun ongeloof en de gelovigen meer aan hun geloof. Sceptici moeten ontdekken dat onder hun denken geen fundament van ontwijfelbare redelijkheid ligt (zoals Descartes nog dacht), maar een ánder geloof. En gelovigen moeten niet bang zijn om te twijfelen, want twijfel is voor Keller niet iets negatiefs, maar iets positiefs: door twijfel ga je zoeken, en door te zoeken ga je vinden. (14-15)

Hoofdstuk 1 – Het kan niet waar zijn dat er maar één ware godsdienst is – 19 november 2009

 

Inleiding

I.

De vraag die Keller in dit hoofdstuk wil beantwoorden, is: hoe kan het christendom tegelijk het enige ware geloof zijn en de wereldvrede bevorderen?

Zijn antwoord: het christendom is net als elke andere impliciete of expliciete godsdienst exclusief. Dit betekent in principe een gevaar voor de wereldvrede, vanwege het ‘hellend vlak’ waarop exclusivisten terechtkomen. Maar het christendom kan (als enige godsdienst?) aan dit hellende vlak ontkomen, doordat het van Christus respect en zelfopoffering leert.

 

II.

Exclusivistische religies vormen een bedreiging voor de wereldvrede. Voor dat probleem worden drie oplossingen aangedragen:

  1. verbied godsdienst. Kellers antwoord hierop: dit is al geprobeerd, maar blijkt dat het niet werkt.
  2. veroordeel het exclusivisme van de godsdienst. Hiervoor worden de volgende redenen gegeven:
  3. alle grote godsdiensten zijn gelijkwaardig en leren in de kern hetzelfde. Kellers antwoord: deze kern is niet te verwoorden; stelling is zelf een dogma, exclusivisme.
  4. iedere godsdienst ziet maar een stukje van de geestelijke waarheid. Kellers antwoord: dit getuigt van een buitenstaanderperspectief dat niemand kan innemen. zelftegenstrijdig.
  5. religieuze overtuigingen zijn cultureel bepaald. Kellers antwoord: relativiteit relativeert zichzelf.
  6. exclusivisme is arrogant. Kellers antwoord: deze uitspraak getuigt zelf van arrogantie. ‘een godsdienst kan alleen beoordeeld worden op basis van een andere godsdienst’.
  7. houd godsdienst privé. Kellers antwoord: godsdienst gaat over je meest fundamentele overtuigingen, die kun je niet privé houden.

 

Keller bevestigt dus dat het christelijk geloof – net als elke andere religie – exclusivistisch is. Hij erkent ook dat dit potentieel gevaarlijk is, tot geweld kan leiden. Echter: in het christendom leidt de exclusiviteit van de overtuiging niet tot geweld jegens anders, maar juist tot opoffering, vanwege het voorbeeld van Christus.

 

Wat heeft Keller nu uiteindelijk bewezen? Niet dat het christendom de ware godsdienst is, maar alleen dat als je een christelijke exclusivist bent, dit niet onredelijk is, niet arrogant is en ook geen belemmering vormt voor de  wereldvrede.

 

Gespreksvragen

  1. stelt u zich eens voor dat een niet-gelovige vriend het bezwaar uit dit hoofdstuk tegen het geloof zou inbrengen. Zou u in uw eigen woorden het verweer van Keller tegen deze vriend kunnen inbrengen?
  2. bent u zelf een exclusivist, inclusivist of pluralist als het gaat om uw kijk op de verschillende godsdiensten? waarom?
  3. Je hoort wel eens zeggen: ‘Als ik in Mekka geboren was, dan was ik nu een moslim.’ (zie ook Keller p 32) (Men bedoelt dan meestal: “dat ik een christen ben, is ook alleen maar omdat ik zo ben opgevoed; het zegt niets over de waarheid van het christelijk geloof”.) Heeft u dat ook wel eens iemand horen zeggen? Wat heeft u toen geantwoord? Wat antwoordt Keller? Vindt u zijn antwoord overtuigend?
  4. Je hoort wel eens zeggen: ‘Ik ga niet naar de kerk, want in de kerk zitten de mensen wel vroom te doen, maar ondertussen zijn ze geen haar beter dan een ander. Ze zouden er eens wat meer naar moeten leven, dan kwam ik misschien ook naar de kerk.” Heeft u dat ook wel eens iemand horen zeggen? Wat heeft u toen geantwoord? Wat antwoordt Keller (p. 40-41)? Wat vindt u daarvan?

 

Hoofdstuk 2 – Hoe kan een goede God het lijden toestaan? – 17 december 2009

 Inleiding

We gaan uit van drie stellingen:

  1. er is lijden in de wereld
  2. God is goed
  3. God is almachtig

Het probleem is dan dat deze drie stellingen onmogelijk tegelijk waar lijken te kunnen zijn.

 

Antwoord van Keller:

  1. het lijden kan voor ons zinloos lijken, maar dat betekent nog niet dat het zinloos is. (p. 44) God kan er zijn redenen voor hebben, die ons verborgen zijn.
  2. veel mensen ervaren dat het lijden, dat eerst zinloos leek, later toch betekenis voor hen kreeg. (p 44-46) Als wij dat ervaren bij sommige vormen van lijden, waarom zou het dan niet gelden voor ál het lijden?
  3. als je stelling A aanhangt, dan veronderstel je het bestaan van goed en kwaad, van recht en onrecht. Maar als er geen God is, is er ook geen goed en kwaad. Het bestaan van het kwaad is dus geen argument tegen God, maar vóór God. (p. 46-47)
  4. God heeft zich in Jezus Christus in het menselijk lijden begeven. (47-51) Jezus ervaart aan het kruis het van-God-verlaten-zijn en dat is het grootst mogelijke lijden. Hij deed dit omdat Hij het Lam is dat de zonde wegdraagt. Daaruit blijkt de liefde van God. Dat God het lijden toelaat, betekent dus in ieder geval niet, dat God niet goed is.
  5. Het feit dat God zich in Jezus Christus in het menselijke lijden begeven heeft, betekent ook, dat Hij met ons is in ons lijden, ook als Hij ons er niet uit haalt. Zo geeft het kruis van Jezus troost en kracht om het lijden vol te houden. (51)
  6. Het kwaad wordt eens ongedaan gemaakt door de opstanding aan het einde der tijden en de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (51-53). Alle verdriet zal ongedaan gemaakt worden en het goede zal groter zijn omdat het ooit verloren is geweest.

 

Gespreksvragen

  1. Heeft iemand deze vraag (hoe kan een goede God het lijden toestaan?) wel eens ingebracht, toen u met diegene in gesprek was? Hoe reageerde u toen? Hoe verliep het gesprek? Deel een paar herinneringen met elkaar. (Als niet een ander, maar u zelf met deze vraag worstelt, kunt u ook iets daarover vertellen. Welke aanleiding is er voor u om uzelf die vraag te stellen?) Het gaat hier niet om discussie, maar uitwisselen van ervaringen.
  2. Wat vindt u van Kellers antwoorden 1 en 2? Denkt u zich eens de joodse kinderen in, die in Auschwitz vergast zijn. Of denkt u zich het jongetje in, dat in Urk vermoord is. Wat kan zulk lijden nu voor zin hebben? Zou het echt zo zijn, dat elk lijden zin heeft? Waarom zouden we dat moeten geloven?
  3. Keller brengt het Bijbelboek Job niet ter sprake, terwijl dat hét Bijbelboek is dat over lijden en kwaad gaat. Wat zou de inbreng van het boek Job kunnen zijn? Heeft het lijden van Job zin?
  4. Wat heeft het u te zeggen, dat God zelf zich in het menselijke lijden begeven heeft? Geeft u dit troost? Geeft het antwoord op de vraag waarom God het lijden toelaat?
  5. Wat bedoelt Keller precies met de uitspraak ‘het goede zal groter zijn omdat het ooit gebroken en verloren is geweest.’ (p. 53, lees eventueel p. 52-53) Bent u het hier mee eens?
  6. Vindt u dat Keller de vraag van dit hoofdstuk (hoe kan een goede God lijden toestaan?) uiteindelijk bevredigend heeft beantwoord? Waarom wel of niet?

 

Hoofdstuk 3 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 4 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 5 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 6 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 7 – niet gedaan

 

Intermezzo – niet gedaan

 

Hoofdstuk 8 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 9 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 10 – Het probleem van de zonde – 21 januari 2009

 

Inleiding

1 Wat is zonde?

  1. Zonde is volgens Tim Keller: iets anders dan God op de plaats van God stellen. Met andere woorden: niet God, maar iets anders is het belangrijkste in je leven. Weer anders geformuleerd: je identiteit in iets anders zoeken dan in God.
  2. Iets anders dan God op de plaats van God stellen, betekent: het schepsel vergoddelijken. Dit kan dan alles zijn. Vaak is het: jezelf op de plaats van God stellen. Maar het kan ook zijn: je werk of carrière, je rijkdom, je sociale status, je talenten, je partner, je gezin, familie, sport, de economie, de wetenschap, de sexualiteit, de macht, het geluk. Iets is ‘alles’ voor je geworden.
  3. Als zonde is: goede dingen op de plaats van God zetten, betekent dit ook: de dingen zijn niet in zichzelf verkeerd. Ze zijn en blijven goed, ze staan alleen op de verkeerde plek. Pag. 174.

 

2 Wat zijn de gevolgen van de zonde?

 

Tim Keller maakt onderscheid tussen de persoonlijke, sociale en kosmische gevolgen van de zonde. Het persoonlijke gevolg van de zonde is, dat je identiteit (= je ‘zelf’) afhankelijk wordt van iets tijdelijks en kwetsbaars, waardoor je zelf onstabiel wordt. Iets is ‘alles’ voor je geworden, maar daarmee ben je zelf heel kwetsbaar en onstabiel. Bovendien: als het leven wel geslaagd is, iets anders dan God kan je leegte niet vullen (178, 183). De relatie tussen God en jezelf, tussen het ik en het zelf worden verstoord.

 

Het sociale gevolg van de zonde is, de relaties tussen mensen vernield worden, uit balans raken. Ook de identiteit van een samenleving wordt dan instabiel en kwetsbaar: zo’n samenleving kan minder goed uit de voeten met het kwaad; in zo’n samenleving gaan mensen hun identiteit zoeken in hun nationaliteit, hun klasse, hun ras, hun godsdienst, en dat leidt allemaal tot uitsluiting van anderen.

 

Het kosmische gevolg van de zonde is, dat ook de relatie tussen de mens en de andere schepselen verstoord is. De hele schepping raakt verstoord en uit balans. Ziekten, natuurrampen, de dood zijn het gevolg.

 

3 Maakt de leer van de zonde pessimistisch?

 

Volgens veel mensen maakt de christelijke leer van de zonde dat mensen pessimistisch in het leven staan. Pessimisme wil zeggen: het kwade, de zonde, is uiteindelijk sterker dan het goede. Keller antwoordt daarop: juist de leer van de zonde is hoopvol. Het laat zien dat het kwade de mens niet overkomt, maar dat hij er zelf verantwoordelijk voor is en dat er dus ook verandering mogelijk is. Juist de erkenning dat je zondaar bent, schept ruimte voor verandering.

 

Gespreksvragen

 

  1. ‘Zonde’ is voor ons een bekend woord. Bespreek met elkaar wat er nieuw voor je was in dit hoofdstuk van Tim Keller. Welke nieuwe inzichten levert dit hoofdstuk je op? Maak een lijstje van de punten die voor jullie nieuw waren en bespreek ze kort.
  2. Iemand zegt: zonde is verkeerde dingen doen. Wat is het verschil tussen deze opvatting van zonde en die van Tim Keller?
  3. Wat vindt u van de opvatting van Tim Keller, dat juist de leer van de zonde een hoopvolle leer is? (pag. 171-173)
  4. Bij de persoonlijke en sociale gevolgen van de zonde kunnen wij ons wel iets voorstellen. Maar de kosmische gevolgen zijn moeilijk voorstelbaar. Tim Keller schrijft: ‘Ziektes, genetische afwijkingen, epidemieën, natuurrampen, veroudering en de dood zelf zijn net zozeer gevolgen van de zonde als onderdrukking, oorlog, criminaliteit en geweld.’ (p. 181) Bent u het daarmee eens? Bijvoorbeeld: de aardbeving op Haïti is toch veroorzaakt door op elkaar schuivende aardschollen? Als we dan zeggen: deze aardbeving is een gevolg van de zonde, wat bedoelen we dan? Waren er voor de zondeval dan geen schuivende aardschollen? Zou de aarde dan zo sterk veranderd zijn?
  5. Tim Keller werkt niet direct vanuit Bijbelse gegevens. Lees met elkaar Genesis 3. Vindt u hier iets terug van de opvatting, dat zonde is: iets anders dan God op de plaats van God stellen? En wat zegt Genesis 3 over de persoonlijke, sociale en kosmische gevolgen van de zonde?
  6. Keller zegt: ‘iedereen bouwt zijn of haar identiteit ergens op’ (p. 175). Op de achtergrond speelt hier ook Luther mee, die schreef: ‘waar je je identiteit op bouwt, dat is eigenlijk je god’. Dan kun je ook zeggen: iedereen dient een god, als het de ware God niet is, is het een afgod. Zou je je kunnen voorstellen dat je op basis hiervan een gesprek kunt hebben, met iemand die niet gelooft? Dat je vraagt: “waar bouw jij je identiteit nu op? En is dat echt zo betrouwbaar?”
  7. ‘Een identiteit zonder God is inherent onstabiel.’ (176) Zou je dat durven zeggen tegen je ongelovige vriend(in)? Er zijn toch allerlei niet-gelovigen die heel stabiele persoonlijkheden zijn? (En omgekeerd gelovigen die heel onstabiele persoonlijkheden zijn?)

 

Hoofdstuk 11 – niet gedaan

 

Hoofdstuk 12 – niet gedaan

Hoofdstuk 13 – de realiteit van de opstanding – 18 februari 2009

Inleiding

 

Argumenten tegen de opstanding van Jezus Argumenten voor de opstanding van Jezus
de joden geloofden dat opstanding uit de dood mogelijk was; zij leefden in een magische wereld zonder wetenschappelijke kennis en hielden daarom van alles voor mogelijk; wij moderne mensen weten dat het anders is de joden geloofden wel in een opstanding van alle mensen tegelijk aan het einde der tijden, maar niet in de opstanding van de messias midden in de geschiedenis. Ook voor hen was de opstanding van Jezus dus in principe onmogelijk. Dat ze het toch geloofden, kan dan alleen komen doordat ze Hem zelf hebben ervaren.

 

De heidenen waren goedgelovig als het gaat om wonderlijke dingen, ook een lichamelijke opstanding geloofden ze gemakkelijk. In een geestelijke opstanding konden heidenen wel geloven, maar in een lichamelijke opstanding zeker niet; het lichamelijke was in hun ogen slecht, redding heeft geen lichamelijke component
de volgelingen van Jezus hebben gevoelens, ervaringen, hallucinaties of visioenen gehad, waaruit zij afleidden dat Jezus was opgestaan, en deze gevoelens hebben zij later uitgewerkt tot opstandingsverhalen. (1)   de eerste verslagen van de opstanding zijn van Paulus, 20 jaar na de opstanding, heel vroeg dus, toen de getuigen nog leefden en bevraagd konden worden. verzonnen verhalen zouden direct ontkracht worden.

(2)   er waren niet alleen de ontmoetingen met de opgestane Heere, maar ook het lege graf. De ervaringen alleen hadden gemakkelijk weersproken kunnen worden als het graf niet leeg was geweest.

De verhalen over de opstanding van Jezus werden bij het doorvertellen steeds mooier gemaakt. (‘doorfluistertje’) Alle oude culturen kennen weliswaar mondelinge overlevering, maar deze vond zeer getrouw plaats.
De opstandingsverhalen zijn later verzonnen door de christenen. Dat is in strijd met de ‘zwakten’ van het verhaal: (1) de eerste getuigen zijn vrouwen, wiens getuigenis niet geldig was in de oudheid. Als het verhaal verzonnen was, had men nooit vrouwen als getuigen opgevoerd. (2) er wordt heel openlijk gesproken over de twijfels van de volgelingen, bijv. Thomas. Als het verhaal was verzonnen, had men nooit zo openlijk de eigen twijfels genoemd, omdat die het getuigenis in eerste instantie zwakker maken.
De discipelen hebben wel oprecht gedacht dat Jezus aan hen verscheen, maar Hij verscheen niet echt; Dit veronderstelt dat de opstanding voorstelbaar voor hen was, een mogelijkheid in hun wereldbeschouwing; dit was echter niet zo.
als je gelooft dat Jezus niet uit de dood is opgestaan, moet je met een alternatieve verklaring voor de geboorte van de kerk komen; deze verklaring is moeilijk te vinden
Als je gelooft dat Jezus niet uit de dood is opgestaan, moet je met een alternatieve verklaring komen voor de aanbidding van de mens Jezus als God; die verklaring is vanuit het jodendom niet te geven
Als je gelooft dat Jezus niet uit de dood is opgestaan, moet je een alternatieve verklaring bieden voor het feit dat christenen zich al vroeg voor deze ‘fantasie’ lieten doden (martelaren)
Als je gelooft dat Jezus niet is opgestaan uit de dood, moet je ook aanvaarden dat er geen hoop is voor onszelf en voor deze wereld. Dan heeft de dood uiteindelijk het laatste woord. Als je wel gelooft dat Jezus is opgestaan, geeft dat hoop en moed om ook zelf op te staan en te werken aan een betere wereld.

 

Heeft Keller nu de opstanding bewezen? Nee, vooral het punt ‘opstanding uit de dood is biologisch onmogelijk’ blijft staan. Daarop kun je slechts zeggen: ‘wat biologisch niet mogelijk is, is wel mogelijk bij God’. Daarmee blijft: alleen als je in God gelooft, kun je het verhaal van de opstanding geloven.

 

Gespreksvragen

 

  1. Twijfelt u wel eens aan de opstanding van Jezus? Waarom?
  2. Helpen de bovengenoemde punten u om uw twijfel te overwinnen? Loop de punten eventueel langs. Zouden ze een ‘buitenstaander’ kunnen helpen?
  3. Als je gelooft dat Jezus is opgewekt uit de dood, ga je zelf ook ‘opgewekt’ leven, leven uit de kracht van de opstanding, met hoop voor jezelf, de kerk en de wereld. Wat zou dat concreet kunnen betekenen? Zien anderen voldoende aan ons dat wij uit die hoop leven?
  4. Lees 1 Korinthe 15:1-7. In vs 3-4 formuleert Paulus de kern van de christelijke verkondiging. Daar komt kerst niet in voor. Is het wel juist dat kerst bij ons meer in tel is dan Goede Vrijdag en Pasen? Hoe zou het komen?
  5. Waarom zou Paulus in vers 6 toevoegen ‘van wie de meesten nu nog in leven zijn’?
  6. Heeft u het idee dat wij ons in de kerk meer richten op de kruisdood van Jezus dan op zijn opstanding? Als dat zo is, vindt u dat dan terecht?

 

Hoofdstuk 14 en epiloog – 18 maart 2009

 

Inleiding hoofdstuk 14 – De dans van God

 

In het NT komt soms de formulering ‘Vader, Zoon en Geest’ voor (bijv. Matth 28), maar geen reflectie over wat dit verder betekent. Dit gebeurt in de kerkgeschiedenis. Eerst ontstond de discussie over de persoon van Jezus: God of mens? Als deze discussie besloten is op het concilie van Nicea (325, Zoon is ‘van hetzelfde wezen met de Vader’), dan gaat de discussie verder over de Heilige Geest: God of schepsel? Dit wordt besloten op het concilie van Constantinopel (381), waar gezegd wordt over de Heilige Geest: ‘die Heer is en levend maakt, die uit de Vader voortkomt, die met Vader en Zoon tesamen aanbeden en verheerlijkt wordt.’ Daarna gaat de discussie door over hoe deze drie goddelijke personen zich tot elkaar verhouden: de triniteitsleer. De formulering van de kerkelijke leer wordt: één wezen, drie personen. Dit roept ook weer nieuwe discussie op. Wat betekenen precies deze termen, wezen en persoon? In ieder geval wil men het verstandelijk begrijpen. De kerk heeft nooit bedoeld: aanvaard het maar, hoewel je het niet snappen kunt. Niet 1=3.

De westerse kerk is vooral de nadruk gaan leggen op de eenheid van God. Drie leringen onderstreepten dat:

  1. de leer van de peri-choresis (ong. 745). Letterlijk: rond-gaan, rond-dansen. Er is tussen de drie personen in de eeuwigheid een voortdurend in elkaar overgaan.
  2. ‘de werken naar buiten zijn ongedeeld’: ook wat in de openbaring speciaal aan één persoon wordt toegeschreven, is niettemin het werk van alle drie tezamen.

Metaforen (Augustinus): bron-stroom-monding; liefhebbende, geliefde, liefde; persoon, kennis, wil; ik-zelf

In de oosterse kerk benadrukt men meer de drie personen van God. (ik-ander)

 

Tim Keller sluit zich aan bij de traditie, meer haast bij de oosterse dan de westerse. Gaat uit van de metafoor van één dans, drie personen die om elkaar heen dansen (drie centra).

 

God is drie-enig betekent voor Keller: God is ten diepste relationeel, relaties zijn voor God niet bijkomstig, maar behoren tot zijn wezen.

–          Van wat voor relatie is sprake? ‘Verheerlijken’ (Johannes). Vader, Zoon en Heilige Geest verheerlijken elkaar. Dat betekent: a. zij genieten van elkaar om wat ze in zichzelf zijn. b. zij dienen elkaar.

–          Van wat voor relatie is sprake? Liefde. ‘God is liefde’ (Johannes). Dat geldt allereerst voor God

–          Vader, Zoon en Geest zijn dus niet op zichzelf gericht, maar op elkaar. De ene persoon stelt de belangen van de ander boven de belangen van zichzelf. De een cirkelt om de ander. Hiervoor gebruikt Keller de metafoor van de dans. De een vindt zijn bestemming in de ander. De traditie geeft dit weer met het begrip perichoresis.

 

Vraag van het christelijk geloof aan andere ‘monotheïstische’ godsdiensten (jodendom en islam): Is God volgens jullie wel liefde, of wordt Hij pas liefde door de schepping? Dan is God afhankelijk van de wereld om lief te kunnen hebben. Dan is macht in God belangrijker dan liefde.

Vraag van het chr. geloof aan andere godsdiensten, die God niet als persoon voorstellen (boeddhisme, hindoeïsme): welke plaats neemt voor jullie de liefde in bij het goddelijke? Alleen personen kunnen liefhebben.

Wie God is, zegt ook iets over hoe het mens-zijn is bedoeld. Als God een gemeenschap van liefde is, dan is ook de mens niet bedoeld als individu, maar als persoon, die zijn centrum niet in zichzelf heeft, maar in God en de ander. ‘Wij zijn geschapen om mee te dansen.’

De zondeval is het verlies van de dans, de mens raakt op zichzelf gericht, maar Jezus zelfovergave laat zien dat Hij zijn levenscentrum in ons zoekt en nodigt ons zo uit opnieuw te beginnen met de dans, ons levenscentrum te zoeken in God. Zo zal de toekomst zijn: niet zuiver spiritueel, maar de hemel op aarde, een herstelde schepping.

 

Inleiding epiloog

 

Keller richt zich hier expliciet tot de ‘welwillend sceptische lezer’, die na lezing van het boek denkt: hoe nu verder. Hij geeft het volgende advies / traject:

  1. onderzoek je motieven
  2. bereken de kosten
  3. inventariseer waar je vragen nog liggen
  4. bekeer je
  5. geloof in Christus
  6. kies voor de kerkelijke gemeenschap
  7. wees je ervan bewust je het geloof niet aan jezelf kunt geven. het is genade.

 

 

Gespreksvragen

  1. Wij zijn vertrouwd met de volgende structuur van het geloof: God – schepping – zondeval – verlossing – herstel. Keller omschrijft deze allemaal met behulp van de metafoor van de dans. God = de dans van liefde. Schepping = de uitbreiding van de dans, zodat de mens mee gaat dansen. De zondeval = de dans kwijtraken. Verlossing  = terugkeren tot de dans. Wat vindt u van de metafoor van de dans? Spreekt die u aan of helemaal niet? Vgl. de metaforen van Augustinus.
  2. De dans drukt ook iets van geluk uit, en inderdaad benadrukt Keller dat God volmaakt gelukkig in zichzelf is. (226) Maar: ‘Hij verkrijgt zijn oneindige geluk niet door zelfgerichtheid, maar door zelfovergave’. (227) Als God zo op de ander gericht is, op de wereld, kan Hij dan wel volmaakt gelukkig zijn? Is er ook lijden in God?
  3. Welke plaats heeft de leer van de drie-eenheid in uw geloofsleven?
  4. Als Jezus aan het kruis zegt: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten’, kun je dat dan ook zo uitleggen: aan het kruis was God door God verlaten? Wat betekent dat voor de eenheid van God?
  5. Wat vindt u van het traject aan de sceptische lezer, waar Keller zijn boek mee afsluit? (epiloog)
  6. Maak eens de ‘inventarisatie’ waar uw aarzelingen nog liggen bij het christelijk geloof (ook als u geen sceptische lezer bent). Zie pag. 239: inhoudelijk, coherentie, kosten.