Willem Bilderdijk (1756-1831)

I.

Willem Bilderdijk was een zonderling figuur. Hij was buitengewoon begaafd, maar moeilijk van karakter en gekweld door bittere levenservaringen. Maar hij was ook een diep gelovig man, die met bars geweld tegen alles aanstormde wat op de bodem groeide van ongeloof en revolutie. Hij was de vader van het Réveil. In deze internationale geestelijke opwekkingsbeweging na de Napoleontische overheersing stond het gevoel als bron van geloof en leven centraal. Het Réveil riep op tot persoonlijk geloof en bekering, maar zocht ook naar de praktische consequenties hiervan voor politiek, onderwijs, barmhartigheid en alle andere terreinen van het leven. Hoofdfiguren van het Réveil waren Da Costa, De Clerq, Capadose, Groen van Prinsterer en Heldring.

II.

Bilderdijk werd geboren op 7 september 1756 te Amsterdam. Tijdens een ziekelijke jeugd, waardoor hij aan huis gebonden was en daar onderwijs kreeg van zijn vader, werd de kiem gelegd voor zijn fenomenale kennis, maar ook voor zijn mensenschuwheid en norsheid, die zouden maken dat hij nooit veel vrienden zou krijgen. Na vier jaar bij zijn vader op kantoor gezeten te hebben, vertrok hij in 1780 naar Leiden, waar hij in 1782 promoveerde in de rechtswetenschap. Hij was toen al een gevierd dichter. Hij vestigde zich in Den Haag, waar hij als advocaat werkte. Al snel maakte hij naam als vurig aanhanger van het huis van Oranje.

In 1795 weigerde hij het Franse gezag te erkennen en werd hij verbannen, eerst naar Engeland en later ging naar Duitsland. Zijn vrouw weigerde hem te volgen. In Engeland leerde Bilderdijk een andere vrouw kennen (Katharina Wilhelmina Schweikhardt). In 1797 schreef Bilderdijk in zijn bijbel, dat hij haar tot vrouw genomen had. Hij schreef naar aanleiding van deze verhouding zijn bekendst gebleven gedicht:[1]

Gebed

   Genadig God, die in mijn boezem leest!

 Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.

    Aanschouw mijn nood, mijn neêrgezonken geest,

 En zie mijn oog van stille tranen leken!

 

   Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.

 Gy ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen:

    Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,

 En mint het meer, dan ’t ooit zich-zelf kan minnen.

 

   Geef, Vader, geef aan uw onwetend kroost,

 Het geen het zelf niet durft, niet weet te vragen!

    Ik buig my neêr; ik smeek noch kruis, noch troost;

 Gy, doe naar uw ontfermend welbehagen!

 

   Ja, wond of heel; verhef, of druk my neêr:

 ‘k Aanbid uw wil, hoe duister in mijne oogen:

    Ik offer me op, en zwijg, en wensch niet meer:

 ‘k Berust in U, zie daar mijn eenigst pogen!

 

   Ik zie op U met kinderlijk gezag:

 Met Christen hoop, noch laauw noch ongeduldig.

    Ach, leer Gy my, het geen ik bidden mag!

 Bid zelf in my; zoo is mijn beê onschuldig.

 

Bilderdijk was van 1797 tot 1802 onofficieel gehuwd met Katharina. In dat jaar werd de scheiding met zijn eerste vrouw Catharina Rebecca Woesthoven een feit, en kon het nieuwe huwelijk wettig worden. Tot haar dood in 1830 is Bilderdijk met Katharina gelukkig gehuwd geweest.

In 1806, na de dood van Willem V, keerde hij terug naar Nederland. Hij werd tijdelijk de bibliothecaris en leermeester Nederlands van koning Lodewijk Napoleon (dat laatste zonder succes) en hield voordrachten om in leven te blijven. De jaren 1806-1810 waren goede jaren voor Bilderdijk. De revolutie was bedwongen, en de rust en orde heersten, al was het dan onder een ‘vreemde’ koning. Zo kon Bilderdijk ook Napoleon bewonderen als stichter van orde in Europa. Hij vroeg daarvoor wel dat de keizer zichzelf zou zien als instrument van God. In deze geest schreef hij zijn ‘Ode aan Napoleon’ (1806)[2], die als volgt eindigt:

 

Napoleon! Zie duizend tongen

uw naam verbreiden over de aard!

Van oost tot west uw lof gezongen!

Maar zijt gij ook de mijne waard?

Is ’t heil der aard uw hoofdbedoelen,

en kunt gij u gelukkig voelen

in ’t dienstbaar zijn aan zulk een plan?

Uw hart besliss’ dit door uw daden;

zo die geen andre zucht verraden,

welaan, ontvang mijn hulde dan!

 

In 1813 werd Nederland bevrijd van de Napoleontische overheersing. Deze bevrijding was voor Bilderdijk, ondanks zijn begrensde aanvaarding van Napoleon, een groot geluk (in 1811 voelde hij de bevrijding al aankomen en dichtte hij: “Holland groeit weer / Holland bloeit weer / Holland’s naam is weer hersteld!”[3]), maar tegelijk een grote teleurstelling. Het nieuwe koninkrijk had voor hem geen passende betrekking, geen fel begeerd hoogleraarschap. Maar datzelfde jaar bracht hem wel een heel belangrijke ontmoeting. Hij was erelid van het Israëlitische letterkundige genootschap `Tot Nut en Beschaving’ en was een trouw bezoeker van hun bijeenkomsten. Daar stelde een leraar Hebreeuws één van zijn leerlingen aan hem voor, de jonge en veelbelovende dichter Isaäc da Costa. Voordat Isaäc ging studeren, besloot zijn vader hem eerst een jaar lang bij Bilderdijk privé-colleges te laten volgen in het Romeinse recht en de Nederlandse taal- en letterkunde. Dit was voor Bilderdijk een bijzondere vreugde en met geestdrift voerde hij de begaafde jongeman in talloze vakgebieden binnen.

In september 1816 ging Da Costa in Leiden studeren en in mei van het volgende jaar volgde zijn leermeester hem naar die stad om er een `privatissimum’ te openen: een serie colleges voor Isaäc en enkele andere studenten, onder wie Groen van Prinsterer, bij Bilderdijk aan huis, en wel over de vaderlandse geschiedenis. Na zijn dood zou de dertiendelige ‘Geschiedenis des Vaderlands’ gepubliceerd worden.[4] De colleges duurden van 1817 tot 1827.

Het onderwijs was geheel in de geest van de Restauratie: hij schetste een geïdealiseerd Holland, nationaal-calvinistisch onder de Oranjes als stedehouders van God – het volstrekte tegenbeeld van de liberale democratische geest van de negentiende eeuw, maar ook van de constitutionele monarchie, die de koning aan een staatsverdrag bond.

In deze kring van Bilderdijk begon de strijd om kerkherstel, het verlangen naar een christelijke school, naar de inwendige zending en naar christelijke barmhartigheid.

De ideeën van Bilderdijk kwamen in de openbaarheid door de proefschriften van zijn leerlingen. Niet alleen was er grote kritiek van de hoogleraren op de Bilderdijkiaanse geschiedbeschouwing, maar ook de pers reageerde fel en spottend. De Arnhemsche Courant sprak minachtend over de `school van de Domper’, dat wil zeggen van hem die het licht uitdoofde in Nederland. Omgekeerd had Bilderdijk juist het idee dat door de zogenaamde Verlichting het licht was uitgedaan:

“Dees diep bedorven eeuw, van God en eer vervallen,
 Stelt prijs op flikkerglans en ledig klaterschallen,
 En de opgeblazen Vorsch is ’t wonder van de poel.
 Maar ’t geen mijn boezem treft, ja ’t innig zielsgevoel,
 Is, dat men zich alom by ’t walglijk Vorschenk waken
 Der sluimring overgeeft in plaats van op te waken;
 Ja, goedschiks samenschoolt by ’t laffe slootgebroed,
 En meêkwaakt of verstomt wanneer men spreken moet.” (Uit: ”t Vorschgekwaak’, in: De dichtwerken van Bilderdijk, deel 12, Haarlem 1858, p. 224)

Bilderdijk had veel persoonlijk verdriet te verwerken – zes kinderen stierven zeer jong. In 1827 verhuisde hij naar Haarlem, waar zijn vrouw in 1830 overleed en hij zelf op 18 december 1831. Zelf had hij de dood altijd nabij gevoeld. “Immers zeker was ik geen twee jaar oud, toen het verlost worden uit deze wereld mijn geduurzaam verlangen reeds was…”[5]

Twee jaar voor zijn dood vatte hij zijn leven als volgt samen:[6]

 Mijn leven

 

Mijn kindsheid, jeugd en bloei, was ééne reeks van plagen;

mijn verdre levenstijd, één ijdle handvol wind;

mijn ouderdom bezweek, bij hoop van beter dagen,

in pijniging van ’t hart die geest en merg verslindt.

Wat nu? De dood verbeid na levenslang verlangen!

Schenk’ hij me een stille koets bij ’t ingaan van de nacht!

Bevrijder, kom! Ruk los de ketens die mij prangen:

Ach! Koel is ’t in uw arm, en op uw peluw, zacht.

‘k Heb lang de felle brand van ’t middaguur gedragen

dat bloed en brein ontstak, en hijg naar ’t eenzaam graf.

Ach, zij ’t gekromde lijf van ’t harde juk ontslagen,

en neem me uw dorre hand het pak des levens af!

Wat ’s leven? – Lijden. – Wat ’s genoegen! Wakend dromen. –

Wat ’s vreugde? – Zelfbedrog, en blinde razernij. –

‘k Beproefde ‘t: ‘k heb die bron voorbij en af zien stromen;

van in haar wel verslijkt, vloot ze in moeras voorbij.

Thans rust ze en vloeit niet meer. Haar ader, leeggelopen,

is dor, verdroogd, en ’t bloed blijft in zijn kreitsloop staan.

Zie neder, God van heil, op wie wij schepslen hopen;

zie neder in genade, en neem mijn zielzucht aan!

 

III.

Bilderdijk, die veel te worstelen had met zijn karakter en zijn levenservaringen, wist mede daardoor dat hij alleen uit genade leven kon. Juist dat versterkte hem in zijn verzet tegen de tijdgeest, die niet van genade wist, maar integendeel van de rechten van de mens sprak. Zijn verzet tegen het rationalisme dreef hem in de richting van de Romantiek. Hij bepleitte de rechten van het gevoel en ervoer de poëzie als door God geïnspireerd en gegeven. Hij was dan ook ondogmatisch in zijn geloof, neigend naar mystiek.

Toch was Bilderdijk zich wel van bewust van het gevaar van een antropocentrische vroomheid, als het gevoel te zeer centraal zou komen te staan. “Bilderdijk wist van het gevaar dat men pogen ging om de duivel van de redeverheerlijking door de Beëlzebul der gemoedsvergoding uit te drijven.”[7]

Hij was tegen de overschatting van het menselijke kennisvermogen, en zocht zijn sterkte in de theonomie. Hij meende dat we met ons hart, met alle dingen, de stoffelijke en de geestelijke wereld, met God zelf in gemeenschap staan; maar niet zo, dat ons natuurlijk vermogen in staat is God te kennen, maar doordat God zelf in ons hart woning maakt. Er bestaat geen natuurlijke religie, maar alleen een geopenbaarde religie.

Dit verzet tegen de natuurlijke religie en de autonomie van de mens was ook de bron van zijn afkeer van de moderne staatsleer. In de volkssoevereiniteit zag hij een misgeboorte van menselijk onverstand, een bron van al wat onmenselijk is. Het diepste beginsel van de democratie is de autolatrie, de zelfverheffing van de mens. Daarom koos hij partij voor een vorst, die zich niet in een constitutionele monarchie aan de wil van het volk, maar in zijn geweten aan God gebonden voelde en die daarom zijn volk vaderlijk regeerde. Hij was diep teleurgesteld in koning Willem I, toen deze niet aan zijn beeld beantwoordde. Komt er dan geen christenstaat, zo meende Bilderdijk, dan moeten wij vreemdelingen in de staat zijn. Dit vreemdelingschap dreef hem tot eschatologische verwachtingen. Herhaaldelijk heeft hij gebeurtenissen als tekenen van de spoedige wederkomst van Christus gezien.

Zo was Bilderdijk beslist geen kind van zijn tijd. Maar juist daardoor is er van hem een inspiratie uitgegaan op een aantal leerlingen, die zouden proberen de geestelijke erfenis, tegen de geest der eeuw, tot nieuw leven te wekken. Deze poging mag aan het begin van de eenentwintigste eeuw welhaast definitief mislukt worden genoemd. Werd Bilderdijk, de vader van het Reveil (het ontwaken, namelijk uit de geest van de revolutie, tot een nieuw christelijk denken) in zijn eigen tijd al de ‘Domper’ genoemd, in onze tijd lijkt hij de vader van een reactionaire geest, vader van een achterhoedegevecht.

Of is dit toch niet alles? Aan het begin van de eenentwintigste eeuw kwam ook de beweging van het conservatisme op, niet alleen geleid door christenen als Bart Jan Spruyt en anderen, maar ook door niet-christenen als Kinneging, Ad Verbrugge en internationaal mensen als Roger Scruton. Zelfs de waardering voor Bilderdijk als dichter is, nadat de tachtigers hem afgebrand had, weer toegenomen. De strijd tussen een liberale en een conservatieve kijk op de cultuur gaat nog altijd door. Daarin kan Willem Bilderdijk nog altijd meedoen.

IV.

Literatuur:

Primair:

–          Willem Bilderdijk, Geschiedenis des Vaderlands, 13 delen, Amsterdam 1832-1853

–          Willem Bilderdijk, Dichtwerken, uitgegeven door Isaäc da Costa, vijftien delen, Haarlem 1856-1859

–          Willem Bilderdijk, Leven, ach! Wat zijt gij toch? Amsterdam 2006

–      Willem Bilderdijk, Liefde en ballingschap. Brieven 1795-1797 (2013)

–     Mr. Willem Bilderdijk’s Briefwisseling 1798-1806 (2007)

–          Willem Bilderdijk, De kunst der poëzy. Ingeleid en van aantekeningen voorzien door W. van den Berg en J.J. Kloek. Amsterdam 1995.

–          Willem Bilderdijk, Liefde en ballingschap. Brieven 1795-1797. Hertaald en toegelicht door Marita Mathijsen. Privé-Domein 217. Amsterdam 1997.

–          M.J.G. de Jong en Wim Zaal, Bilderdijk. Een overzicht van zijn leven en een keuze uit zijn werk, Kampen 1960.

–  Ik reikhals naar het graf (bloemlezing; zonder jaar)

– Aan de oever wacht de rust (religieuze poëzie; zonder jaar)

Secundair:

–          I. Da Costa, De mensch en de dichter Bilderdijk, 1859

–          H. Bavinck, Bilderdijk als denker en dichter, 1906

–          Geerten Gossaert, Bilderdijk, in: Essays, 1947

–          M. E. Kluit, Het Réveil in Nederland, 1817-1854, Amsterdam, 1936, pp 40-63

–          A. Pierson, Oudere tijdgenoten, eerste druk 1888, vierde druk, Amsterdam,  1982.

–          A. J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, Kampen, 1974, pagina 71 t/m 99.

–          P. Geyl, Bilderdijk als geschiedschrijver, in: Geyl, Verzamelde opstellen, deel 3, Utrecht 1978

–          W. van der Zwaag, Willem Bilderdijk, vader van het Réveil, Houten 1991.

–          Jan en Annie Romein, Erflaters van onze beschaving, p. 567vv.

–          Joris van Eijnatten, Hogere sferen. De ideeënwereld van Willem Bilderdijk (1756-1831). Hilversum 1998.

–          Piet Gerbrandy en Marinus van Hattum (red.), Wie leert ’t krekeltjen zijn lied? De poëtische oorspronkelijkheid van Willem Bilderdijk. Negen beschouwingen over gedichten van Bilderdijk. Groningen 2000

– R. Honings en P. van Zonneveld, De gefnuikte arend. Het leven van Willem Bilderdijk (2013)

– B. Engelfriet, De missie van een genie. De spirituele wereld van Orangist Willem Bilderdijk (2010)

 

 

Online:

–          www.dbnl.org. Hier zijn een aantal van bovengenoemde teksten te lezen.

 

[1] Geschreven te Londen, 1796. In: Willem Bilderdijk, Leven, ach! Wat zijt gij toch?, p. 19-20. Zie over dit gedicht ook Gerrit Komrij, in: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 140-143.

[2] In: Willem Bilderdijk, Leven, ach! Wat zijt gij toch?, p. 32-38.

[3] Gedicht ‘Afscheid’, in: Willem Bilderdijk, Leven, ach! Wat zijt gij toch?, pp. 49-53.

[4] Amsterdam, 1832-1853.

[5] Geciteerd bij Jan en Arie Romein.

[6] Willem Bilderdijk, Leven, ach! Wat zijt gij toch?, p. 102-103.

[7] A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795