Predikant moet academicus blijven (Ref. Dagblad en Nederlands Dagblad, 1 nov. 2006)

Aan de synode van de Protestantse Kerk in Nederland wordt een rapport voorgelegd met de titel ”Pastor in beweging”. In dit rapport wordt voorgesteld dat kerkelijk werkers met een hbo-opleiding toegelaten kunnen worden tot het ambt van predikant. Wij -twee jonge protestantse theologen- zijn van mening dat de uitvoering van dit rapport niet minder dan een ramp zou zijn voor de Protestantse Kerk en de Nederlandse theologie. Wij pleiten voor het vasthouden aan de koppeling van het predikantsambt aan een universitaire opleiding.In het rapport zijn nauwelijks argumenten te vinden voor de keuze om hbo’ers toe te laten tot het ambt van predikant. Men beroept zich op de prognose van een predikantentekort dat in de komende jaren zou ontstaan door uittreding van de generatie predikanten die kort na de oorlog geboren is. Deze prognose is echter zeer discutabel. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft de cijfers eveneens doorgerekend en komt tot de conclusie dat er helemaal geen tekort zal ontstaan, en dat zelfs een predikantenoverschot niet uit te sluiten is.

Daarnaast gaat het rapport ten onrechte uit van de verhouding van één predikant tot 1050 kerkleden. Een eventueel tekort zou gemakkelijk ondervangen kunnen worden door gemiddeld meer kerkleden aan een predikant toe te vertrouwen. Bovendien is een besluit met betrekking tot deze prognoses op dit moment nog helemaal niet nodig. Wanneer in de toekomst inderdaad blijkt dat er een stevig tekort aan predikanten is, dan kan de synode besluiten de kerkelijk werkers die er dan zijn, eenmalig toe te laten tot het ambt, zonder dat dit een doorbreking betekent van de regel dat de predikant wetenschappelijk geschoold is.

Goedkoper

Ten tweede verzuimt de commissie de gevolgen te zien van deze koerswijziging voor de protestantse theologie. De Protestantse Kerk heeft onlangs besloten tot oprichting van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU). Met dit besluit brengt de kerk deze universiteit echter nog voor haar geboorte om het leven. Vanuit de studenten zal er namelijk nauwelijks meer vraag zijn naar een academische predikantsopleiding wanneer de leiding van de kerk zelf laat weten dat zij die niet nodig acht. Zij zullen massaal kiezen voor de eenvoudiger weg van de hbo-opleiding.

Vanuit de gemeenten zal er evenmin nog veel vraag zijn naar de academisch geschoolde predikant. De hbo’er is een echte werknemer, niet zo’n zelfstandige figuur als de predikant; hij staat lekker dicht bij de mensen en is nog goedkoper ook.

Het resultaat kan iedereen uitrekenen. De hbo’er kan overal terecht en de laatsten die de moeite nemen zich academisch te laten scholen, krijgen geen beroep. Dat zal tot gevolg hebben dat ook de laatste intelligente jonge mensen die met verstand en geloof de kerk zouden kunnen dienen, niets meer zien in dit ambacht.

Ten derde brengt de Protestantse Kerk ook de openbare universitaire theologie grote schade toe. Deze heeft nu al te maken met een dramatische daling van het aantal studenten, arbeidsplaatsen en faculteiten. Voor zover de openbare theologie nog kan overleven, moet zij het nog steeds hebben van de kerkelijke studenten die zich voorbereiden op het ambt. Wanneer de kerk de hbo’er toelaat tot het ambt, legt zij daarmee een tijdbom onder de gehele Nederlandse theologiebeoefening.

Profiel

Het meest problematische aan dit rapport is echter dat het profiel van de predikant definitief verandert. De commissie doet geen enkele poging het essentiële van het predikantschap te benoemen. Er wordt niet theologisch geargumenteerd, maar uitsluitend pragmatisch en economisch. De essentie van het predikantschap ligt onzes inziens in de verkondiging van het Evangelie. Verkondiging is de vertaling van het Evangelie in de hedendaagse cultuur. Daarvoor is een academische opleiding noodzakelijk.

Het gaat dus om veel meer dan om de vraag of een predikant zijn Hebreeuws en Grieks moet beheersen. Die letterlijke vertaling -uit de grondtalen- is slechts een eerste stap in de vertolking van het Evangelie. Het gaat niet minder om een grondige kennis van de kerkelijke traditie, de dogmatiek en de ethiek en de levensbeschouwingen die met de kerk concurreren. Zo moet de predikant in zichzelf een zelfstandig en kritisch gesprek kunnen voeren tussen het Evangelie enerzijds en de hedendaagse cultuur anderzijds. In dit gesprek en deze vertolking bestaat het wezen van het predikantschap en voor deze zaken is een academische opleiding absoluut noodzakelijk. Alleen van daaruit kan de gemeente werkelijk inhoudelijke leiding ontvangen.

Dit geldt in een tijd van voortgaande secularisatie niet minder, maar juist meer. Zonder de academisch gevormde predikant zal de kerk op den duur verkommeren. Zij zal niet meer in rapport met de tijd blijven en steeds meer verworden tot een vreemde sekte. De predikant wordt de welzijnswerker van het zachtste soort; geloven wordt iets dat in de beleving van de gemiddelde Nederlander in ieder geval níét voor intellectuelen bestemd is en de protestanten zullen niet meer in staat zijn hun geloof te communiceren naar een wereld waarin het Evangelie steeds minder

De auteurs zijn beiden promovendus aan de theologische faculteit van de Universiteit Utrecht.