Rapport ‘Pastor in beweging’ mag niet onbeantwoord blijven (Ref. Dagblad, 9 nov. 2006)

In een eerder artikel stelden wij dat de regel moet blijven dat de predikant een academische opleiding heeft. Hoewel uit de hoek van de kerkelijk werkers (J. Broekman) instemmend op ons artikel werd gereageerd, werd in een curieuze reactie, ondertekend door prof. Hoek, dr. Paas en drs. Van Hoorn van de Christelijke Hogeschool Ede, gesteld dat wij maar aan stemmingmakerij deden. Dat ontslaat hen blijkbaar van de plicht op onze argumenten in te gaan. Onze argumenten worden niet besproken, laat staan weerlegd. De auteurs grijpen enkele zinswendingen aan om onze toon te kapittelen.Het is niet onze intentie neerbuigend te doen over hbo-theologen. Wij zijn juist van mening dat de kerkelijk werker onmisbaar is bij de opbouw van de kerk. Het rapport ”Pastor in beweging” mag echter niet onbeantwoord blijven, maar vraagt om een intensieve discussie.

Aan deze discussie heeft men aan de CHE blijkbaar geen behoefte. Van Hoorn, Hoek en Paas „willen geen partij zijn.” In hun artikel nemen ze echter wel stelling. Volgens hen kan de hbo-theoloog net zo goed predikant worden als de academische theoloog. Bovendien is de CHE al lang partij in de discussie. In het rapport valt te lezen dat de commissie met de CHE overleg heeft gevoerd. Ook lijkt het ons eigenaardig dat leidinggevenden van de CHE geen partij willen zijn in een discussie die hen direct aangaat. Het rapport gaat rechtstreeks over het beroepsperspectief van hun studenten. Of ze nu willen of niet – de heren zijn partij. Dat zij weigeren het rapport inhoudelijk te bespreken, valt hun dus aan te rekenen.

Werknemer

Het zou er niet om moeten gaan hoe wij in ons artikel gesproken hebben over het ambt, maar hoe het rapport dat doet. Wij willen daar nogmaals op wijzen. Het rapport spreekt over de predikant als een werknemer, die adequaat aanstuurbaar moet zijn. Dit wordt vormgegeven door verplichte functioneringsgesprekken en een versoepelde ontslagregeling.

In de ambtsvisie van de commissie wordt een hiërarchie in het leven geroepen die sterk bureaucratisch van aard is. Onder in de hiërarchie vinden we de hbo-predikant, die het werk doet in de plaatselijke gemeente. Daarboven vinden we de academische predikant, die verbonden wordt aan de classis en vooral een managementstaak krijgt. Hierboven komt een bestuurslaag van dienstencentra en bovenplaatselijke organen.

Dat is een werksituatie die voor alle toekomstige pastores, hbo- of academisch opgeleid, niet wenselijk is. Er is ons alles aan gelegen om het ambt voor deze vermeende professionalisering te behoeden.

Het gaat ons om de zelfstandige predikant. Deze kan niet zonder academische opleiding. Andere Nederlandse kerken en levensbeschouwingen beseffen dit steeds meer. Zij vestigen hun ambtsopleidingen steeds vaker aan de universiteit. Dit geldt voor de Hersteld Hervormde Kerk, maar bijvoorbeeld ook voor de pinkstergemeenten, ja zelfs voor de imamopleidingen. Zij zijn ervan overtuigd dat juist onze tijd vraagt om academisch opgeleide geestelijken.

In die situatie maakt de PKN zich ongeloofwaardig door de academie los te laten. De academische vaardigheden zijn nu harder nodig dan ooit.

Dat vertegenwoordigers van de CHE geen partij willen zijn in een inhoudelijke discussie die het aanzien van de kerk en van het ambt zo sterk zal gaan bepalen en zich zo afwachtend opstellen ten opzichte van de synode, strekt hun en hun instelling niet tot aanbeveling.

De auteurs zijn beiden promovendus aan de theologische faculteit van de Universiteit Utrecht.