Wat is onopgeefbaar aan het klassieke protestantse ambt?

Een beantwoording in thesen, door Wessel ten Boom en Willem Maarten Dekker (GEPUBLICEERD IN HET TIJDSCHRIFT ‘IN DE WAAGSCHAAL’, 44/2)

  1. De zwakte van de protestantse ambtstheologie ligt in het feit dat niet helder onderscheiden wordt tussen (1) het algemeen ambt aller gelovigen; (2) het bijzondere, maar locale ambt van ouderling en diaken en (3) het bijzondere en meer dan locale ambt van predikant.

De Reformatie heeft de rooms-katholieke onderscheiding tussen geestelijkheid en leken doorbroken met de gedachte van het algemeen ambt aller gelovigen. Het ambt van de priester staat niet langer tussen de gelovige en Christus in. Daarmee is het bemiddelende (priesterlijke) en magische uit de ambtelijke handelingen weggenomen.

Toch hebben Luther en Calvijn een onderscheid tussen gemeente en ambtsdragers willen handhaven, tegen de ‘radicale’ (doperse) reformatie in, die geen bijzonder ambt erkende. Deze ‘tussenpositie’ is theologisch de meest complexe, waarbij de positie van Calvijn nog complexer is dan die van Luther, omdat nu ook nog van bijzondere ambten binnen de locale gemeente (ouderling en diaken) sprake is. Wat is precies het verschil tussen de drie soorten ambten, als dit niet ligt in een aan het bijzonder ambt voorbehouden sacramenteel-priesterlijke bemiddeling tussen God en mens? Deze vraag is nooit echt helder beantwoord. Daardoor blijft de protestantse traditie openstaan naar het doperse alternatief. Zeker nu veel vanzelfsprekend gezag van ambtsdragers verdampt is, en zowel het opnieuw instellen van een bisschop als ook het radicaal loslaten van elk bijzonder ambt zich als serieus alternatief aandient, vraagt deze ‘tussenpositie’ om een nieuwe doordenking.

  1. Er zijn binnen de kerk in essentie twee ambten: een algemeen ambt der gelovigen en een bijzonder ambt van de voorganger als Christus-representant; dit bijzondere ambt kan eventueel verder onderscheiden worden.

De kern van de protestantse ambtsleer is dat het theologisch onderscheid tussen gemeente en voorganger gehandhaafd blijft, terwijl dit niet langer sacramenteel-priesterlijk wordt ingevuld. Dit betekent dat het verschil tussen de gereformeerde en lutherse ambtsleer relatief is. Dit heeft als praktische consequentie dat de ambten van ouderling en diaken theologisch wel verrijkend, maar niet noodzakelijk zijn.

3. Het bijzonder ambt is noodzakelijk omdat het aangeeft dat de kerk van Jezus Christus geen menselijke uitvinding is, maar een gemeenschap die door God is verkoren en geroepen.

De kerk is historisch gesproken wel te herleiden tot de joodse secte, die voortkwam uit de beweging rond Jezus; maar theologisch is de kerk slechts te ‘herleiden’ tot de eeuwige verkiezing van God, die zich in het woord van de profeten en apostelen heeft geopenbaard. De kerk vindt haar grond niet in zichzelf, maar in Christus als het levende Woord van God; Hij is haar fundament. Door het bestaan van het bijzondere ambt houdt de kerk voor zichzelf en de wereld het besef van deze fundering, buiten haar zelf en in gemeenschap met Israël, levend.

  1. Het bestaan van het ambt geeft aan dat de kerk door Jezus Christus wordt geregeerd.

Het tegenover van de kerk is niet alleen God die de kerk verkiest en roept, maar ook  Christus die de kerk regeert. Christus is het Hoofd der kerk. Dit wordt zichtbaar gemaakt in het bijzonder ambt dat Hem representeert. Deze Christusrepresentatie is in die zin de kern van het bijzonder ambt. Een kerk zonder bijzonder ambt verliest dus het openbare en gezagsmatige karakter van het ‘tegenover’ van Christus. Een kerk zonder ambt verliest de Christusrepresentatie en wordt daarmee een voluit aardse onderneming, die geen blijk geeft van haar Bron buiten haar. Dit uit zich of in een sterke “vergeestelijking” van de gemeente, waarin ieder de Geest en daarmee het gelijk meent te bezitten; ofwel in een sterke “verzakelijking” van de kerk, waarbij de kerk haar gezag gaat ontlenen aan een vermeend ‘actuele’ en ‘aansprekende’ presentie  in de samenleving, en niet meer aan haar Hoofd.

  1. De predikant is binnen de gemeente de eigenlijke Christus-representant omdat hij voorgaat in de bediening van Woord en Sacrament. Hij kan in deze bediening ondersteund worden door de ambten van ouderling en diaken.

De predikant vertegenwoordigt in de uitoefening van zijn ambt het ‘gans andere’ van God, waaraan de kerk haar waarheid en gezag ontleent. Hij gaat hierin op priesterlijke wijze de gemeente voor, door de uitleg van de Schriften, de gebeden en de deling van Brood en Wijn. De ruimte voor het bijzondere ambt van ouderling en diaken ontstaat daardoor dat de predikant Christus wel representeert, maar niet ‘is’ of ‘beslaat’, en hij ook anderen in zijn eigen dienst aan Christus kan laten delen. Een belangrijk verschil is daarbij, dat de predikant niet alleen verbonden is aan een plaatselijke gemeente, maar ook aan de kerk in haar geheel. Dit symboliseert een verschillende verhouding tot de locale gemeente. De ouderling en de diaken komen primair uit de gemeente op, en secundair komen zij van ‘Boven’ tot gemeente; de predikant komt primair van ‘Boven’ tot de gemeente, en secundair komt hij uit de gemeente op.

  1. Het oudtestamentische type van de predikant is de profeet; Mozes voorop.

Wie ‘bijzonder ambt’ zegt, zegt gezag. In laatste instantie heeft alleen het Woord gezag over de gemeente, maar dit gezag van het Woord wordt weerspiegeld in het gezag van de dienaar van dit Woord. Het geloof is uit het gehoor van dit Woord, en daarom kan de gemeente niet zonder de tot dienst aan dit Woord geroepen ambtsdrager. De huidige crisis van de protestantse kerken hangt nauw samen met het verdwijnen van deze gestalte en dit gezag van het Woord. Waar het Woord binnen de kerken zijn gezag verliest, verliest ook de predikant onmiddellijk zijn noodzakelijk gezag als dienaar van dit Woord. De legitimatie van de protestantse kerk is daarmee komen te vervallen.

Door zijn binding aan het Woord, komt de predikant met één been buiten de gemeente te staan. Hij staat tussen de gemeente en Christus, zoals Mozes tussen het volk en God in staat; nu eens het opnemend voor God bij het volk, dan weer voor het volk bij God, maar nergens met een van beide samenvallend.

  1. Het nieuwtestamentische type van de predikant is de apostel; Paulus voorop.

Het ambt van voorganger die wordt verbonden aan de plaatselijke gemeente maakt duidelijk dat de kerk kerk is ‘op gezag van de apostel’. Zij berust op de zending van de Heer. Niet de predikant, maar de plaatselijke gemeente in haar eigen gestalte is daarmee veeleer de voorbijganger, terwijl het Woord van God eeuwig is. Omdat dit gezag aan de predikant verleent, moet hij ook in dit gezag durven staan. Hier is in onze tijd veel moed voor nodig, maar zonder deze moed ontbreekt de nodige afstand tussen de predikant en de gemeente en dat schaadt de zeggingskracht van het Woord.

  1. Het feit dat de predikant alleen door een andere predikant in het ambt bevestigd kan worden, laat zien dat het protestantisme op haar eigen wijze vasthoudt aan de apostolische successie. Dit is theologisch juist.

Het is in het protestantisme altijd zo geweest dat een predikant alleen door een andere predikant bevestigd kon worden. Sommigen beschouwen dit als een rudiment van het rooms-katholieke denken. Anderen willen juist deze bevestiging ‘uitbouwen’ tot ‘wijding’. Het gaat hier echter niet om een rudiment, maar om een praktijk die berust op een eigen, doordachte theologie. Enerzijds wordt hiermee de ‘keten’ van predikanten losgemaakt van die van de gemeente. Er is door de geschiedenis heen een eigen voortgang van het Woord en daarom ook een eigen lijn van de dienaren des Woords. Dit onderstreept de zelfstandigheid en het gezag van het Woord en het daarmee verbonden ambt. Anderzijds is er geen sprake van ‘wijding’ omdat de predikant niet de plaats van Christus inneemt of vervangt, maar Hem ‘slechts’ representeert. Vanuit Christus gezien blijven ambtsdrager en gemeente op één hoop liggen; vanuit de gemeente gezien staat de ambtsdrager aan de kant van Christus.

  1. Het feit dat alleen aan de predikant de bediening van de sacramenten, het uitspreken van de groet en de zegen, en de inzegening van het huwelijk toekomt, laat zien dat het onderscheid tussen gemeente en predikant niet uitsluitend op de theologische opleiding berust. Het is niet de theologische opleiding maar de ambtsbevestiging die het onderscheid tussen predikant en gemeente schept.

Voor de prediking van het Evangelie is een academische opleiding noodzakelijk, omdat de voorganger de Schriften in de grondtalen moet kunnen lezen, en zelfstandig moet kunnen uitleggen en toepassen. Voor de andere ambtelijke handelingen is geen opleiding nodig. Iedereen kan immers brood breken en een zegen uitspreken. Daarom beschouwen degenen die het predikantschap louter als functie opvatten ook de gebonden van deze handelingen aan de ambtsdrager, als een rudiment van de rooms-katholieke ambtsopvatting. Ook dit is echter theologisch onjuist. Het laat juist zien dat het protestantisme het predikantsambt nooit louter functioneel heeft willen opvatten, alsof het onderscheid tussen gemeente en predikant alleen in de opleiding zou liggen. De bevestiging tot het ambt is weliswaar geen wijding, maar schept wel een reëel onderscheid tussen de dienaar des Woords en de gemeente. De predikant staat vanuit de gemeente gezien aan de kant van Christus. Daarom komen alleen aan hem deze ambtelijke handelingen toe.

Summa: de crisis van de protestantse kerken is mede een crisis van het ambt. Doordat het bijzonder ambt zijn eigen plaats verliest, verliest het Woord aan gezag in de gemeente. Dit kan de gemeente uiteindelijk alleen maar schaden.

DE NOODZAAK VAN REPRESENTATIE (Vervolg op ons stuk “Wat is onopgeefbaar aan het klassieke protestantse ambt?”)

Hoe gevoelig binnen onze protestantse traditie het ambt ligt, werd duidelijk uit de uiteenlopende reacties op ons artikel in IdW 44/2. Wij gaven een klaroenstoot voor het bijzondere ambt van predikant, dat zich niet alleen onderscheidt van het ‘ambt van alle gelovigen’, maar ook van ouderling en diaken. We willen deze gevoeligheid niet terzijde schuiven. Dat wat door velen als een zwakte wordt gezien, namelijk het ontbreken van een ‘top down-ambtsstructuur’, zien wij als een kracht die de kerk van Christus bepaalt bij haar heil. Maar het is een kracht die in zwakte wordt volbracht. Zij vraagt om een blijvende doordenking. Dat dit bij menigeen overkomt als een vorm van narcisme (Maarten den Dulk) of machtswellust (Wim de Leeuw) mag ons te denken geven. Toch hebben wij dit ambt niet zelf uitgevonden. Sterker nog: de kerk heeft ons erin bevestigd. En toch niet om ons niet te laten gelden. Het was Saul, niet David die zich achter een wagen verschool.

In meerdere bijdragen werd ons opkomen voor de term ‘Christus-representatie’ onder vuur genomen als een heikel, zo niet blasfemisch iets. Wij geven toe dat wij zonder de volledige theologische en filosofische connotaties van dit begrip te overzien, deze term nogal argeloos hebben gebruikt. En voegen toe, dat dit ons ook nog steeds het beste lijkt om het ambt van de predikant te begrijpen. In deze bijdrage willen wij dit punt dan ook met name pareren.

Representatie

Maarten Wisse stelt dat wij ons niet in de hoofdstroom van de gereformeerde theologie bewegen, maar eerder een nóg calvinistischere positie innemen dan Calvijn. Dat laatste is een interessante gedachte, die we even laten rusten. Het gaat er nu om Wisse in zijn eerste punt te weerspreken.

Wisse citeert Heinrich Bullinger die in de tweede Helvetische confessie (1566) zegt dat Christus door de Geest zelf reëel present is in de kerk als haar “levend makend hoofd”. Voor hem is dit voldoende reden om af te zien van elke notie van representatie. Het is waar: Bullinger klinkt hier anders dan Calvijn, die een aantal jaren daarvoor in zijn Institutie (1559) de ambten introduceerde met de constatering dat Christus, hoewel Hij zelf in zijn kerk behoort te heersen en te regeren, niet “met een zichtbare tegenwoordigheid” onder ons woont, en dan vervolgt: Om ons zijn wil mondeling aan ons bekend te maken, maakt Hij daarom gebruik van de dienst en de arbeid van mensen waarin zij als het ware Zijn plaats innemen, niet om daarmee Zijn recht en eer op hen over te dragen, maar alleen om Zijn werk door hun mond ten uitvoer te brengen, zoals iemand die een bepaald vak uitoefent, om zijn werk te doen ook wel van een instrument gebruik maakt. (Inst. IV,3,1, vert. C.A. de Niet) Waar Bullinger, om de ambten (die hij ook kent!) te doordenken, inzet bij de geestelijke aanwezigheid van Christus in de kerk, start Calvijn bij diens lijfelijke afwezigheid, zodat Hij zijn kerk regeert door de mond van zijn dienaren. Bij Calvijn is er daarmee duidelijk sprake van zoiets als plaatsvervanging en representatie. Maar sluit Bullinger dit nu uit? Wanneer Calvijn in zijn ‘Catechismus van Genève’ (vr. 307) zegt: Is het nodig dat er predikanten zijn? Ja, en ook, dat men naar hen luistert en in ootmoed de leer des Heren van hen aanneemt. Wie hen minacht en weigert naar hen te horen, verwerpt Jezus Christus en scheidt zich af van de gemeenschap der gelovigen, verwijst hij naar “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; wie u verwerpt, verwerpt Mij” (Matth 10: 40; Lk 10: 16). Een pittige tekst! Maar ook Bullinger gebruikt exact dit schriftcitaat in het eerste artikel van genoemde confessie. Is het probleem van de representatie daarmee niet direct gegeven? Ook de beroemde reformatorische formule Praedicatio verbi Dei est verbum Dei (De verkondiging van Gods Woord is Gods Woord) wijst onloochenbaar in deze richting. En zij stamt uitgerekend uit Bullingers Confessio! Dat Maarten Wisse wil preken zonder de nood van de representatie is duidelijk. We kunnen ons er iets bij voorstellen. Maar of hij de reformatoren aan zijn kant heeft, is wel de vraag.

Ook Coen Constandse en Udo Doedens stellen dat wij in ons pleidooi voor dat bijzondere ambt breken met de teneur van de protestantse traditie, omdat volgens deze iedereen in de gemeente kan spreken met goddelijk gezag. Zij gaan zelfs zo ver in het ambt van predikant niet meer te willen zien dan een soort van noodmaatregel die in strijd is met het wezen van de gemeente van Christus, en de ware mens überhaupt. Het eigenlijke ambt is dat van het gelovige gemeentelid waar het bijzondere ambt in dient op te gaan. Zoals De Leeuw de predikant beschouwt als iemand die zich zo snel mogelijk overbodig dient te maken ten gunste van de mondige gemeente. In deze gedachten wordt ongetwijfeld het oerreformatorisch besef van de rechtvaardiging van de goddeloze verwoord. Wer getäuft ist, ist schon Bischof (Luther). De vraag is alleen, hoe een gemeente van goddeloze bisschoppen eruit ziet. Wanneer Wisse zegt: “het ambt is niet essentieel, maar functioneel”, dan klinkt dat reeds als een veeg teken dat Christus over deze gemeente helemaal niet meer hoeft te regeren, maar dat Hij zich in zijn Geest reeds in haar verwerkelijkt heeft. Dat het lichaam haar Hoofd reeds in haar midden heeft. Is dat niet Dopers?

Wij raken hier de gevoeligheden van het ambt, omdat we middenin het wonder van de Pinkstergemeente zitten. Anders dan Constandse en Doedens suggereren, hebben wij geenszins de behoefte om de kerk te degraderen tot een kudde ongelovige, onwetende en dolende schapen, waar de predikant als ‘supergelovige’ dan buiten zou staan. Elke predikant die Christus en zijn gemeente liefheeft (en dus nog wel iets meer doet dan haar enkel onderricht geven, zoals Den Dulk en De Leeuw in navolging van Calvijn – of Breukelman? –zijn rol lijken te definiëren) weet dat het onmogelijk is te moeten kiezen tussen voorganger en gemeente, of tussen Woord en Geest. Maar laat er toch niet alleen in Israël, ook binnen de kerk ruimte zijn voor de verzuchting van Mozes och, ware het gehele volk des Heren profeten (Num. 11: 29) – omdat zij het niet zijn. Dat is het toch, wat de ware Pinkstergemeente durft te belijden? Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben maken wij Hem tot een leugenaar, en zijn woord is in ons niet. (1 Joh. 1: 10) Vreemd genoeg misschien, maar juist bij Calvijn met zijn duidelijke inzetting van een representatief predikambt proeven wij de ruimte voor deze zo noodzakelijke verzuchting en belijdenis. Wij menen inderdaad dat de gemeente van Christus, en wel in haar volle glorie, aan het ‘infuus van het ambtelijke’ ligt, zoals Plaisier bij ons vreest. Zodra de kerk van dit infuus wordt losgekoppeld, omdat zij genoeg voeding in haar eigen leden vindt, zal zij, zo vrezen we, tot een secte worden, waarin vroeg of laat het zwarte of witte schaap eigenmachtig de deur uit wordt gewerkt.

De pretentie van de kerk om sommige van haar leden toe te rusten en te beroepen om Christus te representeren klinkt aanmatigend. Maar is dat niet het ‘skandalon’ van de H. Schrift, dat God zichzelf door een of ander mensje, uit het stof verrezen (Calvijn) tegenwoordig stelt, en niet door het overdonderend gezag van engelen en donderstralen? Of door meerderheid van stemmen? Het verzet hiertegen mag op het eerste gezicht vroom en bescheiden klinken. Maar is het dat? We willen niet verbergen dat deze pretentieloosheid ons bij veel collega’s stoort als eerder een vorm van rebellie tegen het Woord dan als gehoorzaamheid eraan. Ook hebben we het idee dat dit probleem meer bij predikanten en andere theologen speelt dan bij gemeenteleden. Juist zij verlangen wel degelijk, zo is onze indruk, naar een voorganger die niet louter de gemeente, laat staan zichzelf staat te representeren, maar Christus, in zijn verrassende, zijn genadige, in zijn gebroken en overwinnende gestalte; Hij die ons net een stapje voor is en van buitenaf naar binnenkomt als door gesloten deuren (Joh. 20: 19).

Een ouderling als het ‘oor van de gemeente’ (Koopmans) die de predikant in ‘broederlijk vermaan’ ter verantwoording roept, een diaken die zich niet van de wijs laat brengen door al te veel en al te mooie woorden, een gemeentelid dat eens vraagt hoe het met de dominee gaat en voor hem en de gemeente bidt – dat zijn gouden en onmisbare gestalten, al vanaf de dagen van Noach. Maar dat doet niets af aan de roeping waarmee de predikant van Godswege aan de gemeente is bevestigd. Niet alleen om voor te gaan en te verwijzen. Maar ook om er zelf te staan, voor déze mensen, en zijn mond te openen en te spreken, een woord van troost, van gebod, van vergeving – een woord van God. Ongetwijfeld, een “onmogelijke figuur”, zoals Plaisier het raak verwoordt, die een zwevend bestaan leidt tussen Pinksteren en Parousie. Een figuur, waarop elke predikant welhaast moet breken. Maar ook dat breken is niet louter functioneel, maar net als Christus en zijn gemeente: essentieel.