De donder als Gods stem (Ps. 29:3, 7)

“De God der ere dondert. De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit de wolken.” (Psalm 29:3, 7)

Er is geloof ik nog nooit een theoloog geweest die ontkend heeft dat de mens God ervaren kan. De mystici, die het liefst over God zwijgen, doen dat omdat de hoogst reële ervaring onuitsprekelijk is. “Over God wil ik zwijgen”, zegt Meister Eckhart, maar dat zwijgen moet toch voortdurend in woorden gepreciseerd worden. En ook Barth erkent niet alleen de mogelijkheid, maar ook de werkelijkheid van de Godservaring – de laatste zelfs als eerste. Zijn theologie is steeds opnieuw op het misverstand gestuit, dat hij de fides quae en de fides qua volstrekt scheiden wilde, en over het laatste (de geloofsact, het geloof als menselijke ervaring en werkelijkheid) slechts zwijgen kon en wilde. De paragraaf waarin hij dit bezwaar omslachtig tracht te weerleggen (KD I, 16) heeft naar mijn indruk niet zoveel uitwerking gehad.

Als je je eigen ervaringen van God wilt tellen, stel je je voor een ingewikkelde opdracht. Wat tel je mee en wat niet, en waarom? Als je kritisch telt, blijft de teller op nul staan. Want hoe kun je weten, of die bijzondere ervaring werkelijk een Godservaring was? Het is eigenlijk onmogelijk.

Wie niet bij nul wil uitkomen, kan alles over één kam scheren en zeggen: ik ervaar God alle dagen. ‘Op bergen en in dalen, ja overal is God!’ ‘Als zonlicht om de bloemen, een moeder om haar kind, teveel om op te noemen, zijn wij door Hem bemind.’ In het nieuwe liedboek zijn tal van liederen te vinden, die op een dergelijke manier over God spreken. Het nieuwste liedboek is in dat opzicht weer terug bij het negentiende eeuwse liedboek.

Het goed recht van de mystieke traditie lijkt mij echter, dat zij met beide opties geen genoegen neemt. De teller mag niet op nul blijven staan, want dan ontken je in feite dat God in je leven een werkelijkheid is. De teller mag echter ook niet al je ervaringen Gódservaringen noemen, want God is niet als de lucht die je inademt. Een Godservaring is in ieder geval een ontmoeting.

Elke levenservaring is desnoods heel indirect een Godservaring te noemen in die zin, dat God de almachtige is, die in alle dingen de hand heeft. In alle dingen zijn hand zien, is echter iets anders dan in alle dingen Hem ervaren. De hand is niet het gelaat, de hand kan strikt genomen ook nog wel van een ander zijn. Het is niet de maar de stem die tot de erkenning brengt dat Hij het is.

Als ik aan mijn eigen godservaringen denk ik, blijft het bij een handjevol. Als kind, een jaar of zeven oud, had ik een soort numineuze godservaring. Ik weet niet eens meer wat er echt gebeurd is, en zelfs niet meer zeker dat er iets gebeurd is. Toch wil de herinnering niet verdwijnen. Het was op een avond, ik was net door mijn moeder naar bed gebracht, en het onweerde. Ik was bang voor het onweer, en toch ging ik, toen mijn moeder weer naar beneden was, bij het raam staan en deed het gordijn open. Het flitste en het sloeg. Dichtbij en nog dichterbij. Tot er een flits en een knal was, zo dichtbij, dat ik achterover viel. Binnen gingen de lichten uit. Ik wist: hier is God. Ik knielde en ik bad.

Het valt mij zeer gemakkelijk zo’n ervaring te destrueren. Alles is uiteindelijk binnenwereldlijk te verklaren. God is niet noodzakelijk. Vanuit de wereld en de ervaring is er geen noodzaak Hem te erkennen.

Toch wordt het anders, als je later Psalm 29 leest:

De stem des HEEREN is op de wateren;

de God der ere dondert.

De stem des HEEREN breekt de cederen;

Hij doet ze huppelen als een kalf.

De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.

De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen

en ontbloot de wouden;

En in de tempel zingt ieder Zijn lof.

Ervaring, ook Godservaring krijgt pas zijn betekenis door de context waarin deze plaatsvindt. Waar de stem van de donder verbonden wordt met de stem die gehoord wordt in de tempel en de lof die daar gezongen wordt, ontstaat een mensenleven dat de werkelijkheid vooral daarin kerstent, dat de natuur niet het domein is van een anti-god (Baäl, een Demiurg of wat dan ook), en ook niet van de domme, stomme (stemmeloze) natuurwetenschappelijke ‘feiten’, maar van de God van Jezus Christus. Het dondert boven het kruis.