De haat als vrucht van de bekering (Psalm 139:22)

“Ik haat hen met een volkomen haat.” (Ps. 139:22a)

Er is veel boosheid in onze samenleving. Meestal wordt die verdrongen, maar soms komt die eruit. De moslim die ineens radicaliseert en uit zijn vel springt. De man die ‘uit het niets’ doordraait in de kroeg. Het ‘gezinsdrama’. De protesten tegen de komst van nog meer immigranten. De boze burger die het vertrouwen in de politiek heeft opgegeven. Degenen die bij voetbalwedstrijden en festivals losgaan, ook of juist tegen politie en ambulancepersoneel. Het zinloos geweld. Allemaal boosheid.

In München kun je een volledig gestoffeerde kamer huren, om daarin alles in elkaar te mogen slaan. De honkbalknuppel krijg je bijgeleverd. Daarna wordt de kamer weer gemeubileerd voor de volgende. De kamers zijn voortdurend volgeboekt. Zo sla je de agressie van je af.

In de psalmen kijken wij de gelovige in zijn ziel. Ook in zijn haat. Vaak wordt dit vers zo uitgelegd, dat haat hier ‘afwijzing’ zou betekenen. Dat wil zeggen: niet de emotie is bedoeld, maar de rationele afkeuring. Deze uitleg is pertinent onjuist (zoals reeds blijkt uit vers 21b, waar de HSV terecht van ‘walging’ spreekt). Het is een typisch moderne uitleg van mensen die zelf graag ‘animal rationale’ willen zijn, redelijk denkende wezens. De uitleg veronderstelt dat in ons denken ons wezen ligt en dat het emotionele eigenlijk verkeerd is.

Dit is zeer in strijd met het mensbeeld van de Bijbel. Trouwens ook met het Godsbeeld. De God van de Bijbel is veel meer iemand die zich laat leiden door zijn gevoelens, dan iemand die steeds rationeel te werk gaat. Niet alleen ‘positieve’ gevoelens hebben daarin een plek, ‘negatieve’ net zo goed. Mede door Zijn boosheid en jaloezie houdt God de geschiedenis gaande, drijft Hij haar voort naar het einde.

De haat is in Psalm 139 juist een vrucht van de bekering. De dichter van deze Psalm heeft zich zozeer met God geïdentificeerd, dat hij nu net zo’n emotioneel wezen wordt als God en zijn haat en liefde laat leiden door wat God haat en liefheeft.

Deze haat van God blijkt dan geen blinde haat. Blinde haat uit zich in blinde woede, in gedrag waarin je afbreekt, het doet er niet toe wat. Gods haat uit zich echter niet in woede, maar in toorn. Dat wil zeggen: in gerichte woede. God wéét wat Hij haat, en waarom. Hij haat de Satan, Hij haat de dood, Hij haat de zonde – en ons, voor zover wij deze Grote Drie bewust ruimte gunnen. Hij haat ze ‘met een volkomen haat’: zelfs in Zijn haat is God volmaakt.

Zulke echte toorn heeft ook het geweld uit de woede gehaald. Maar ook deze toorn blijft een vorm van boosheid. Het is boosheid die tot zichzelf gekomen is. Het heeft een diepe grond dat christenen het geweld van radicale moslims radicaal afwijzen, en tegelijk hun boosheid jegens de westerse cultuur kunnen begrijpen.

Het heeft geen zin om van jezelf te denken dat je geen haatgevoelens hebt. Jij, beste lezer, mogelijk in beste christelijk-humanistische traditie – jij hebt ze ook. Je kunt je beter afvragen welke het zijn, en waar ze vandaan komen. Het evangelie wil ze niet onderdrukken, maar ze omzetten in volmaakte, zinvolle, gerichte, geweldloze toorn.