De Onontkoombare (Ps. 139:18b)

“ontwaak ik, dan ben ik nog bij U” (Ps 139:18b)

Tot een van de grootste zegeningen van mijn leven reken ik het feit, dat ik ’s morgens vaak opsta met een citaat uit de berijmde Psalmen of de gezangen in mijn gedachten. Ik bedenk het uiteraard niet. Niemand kan, als hij ’s avonds in bed stapt, bedenken met welke gedachte of welke tekst hij de volgende morgen zal opstaan.

Strikt genomen kan niemand zelfs weten dát hij de volgende morgen weer zal opstaan. Dat vormt, dunkt mij, mede de achtergrond van het avondgebed. In slaap vallen is een beetje sterven. Het is een mildere vorm van loslaten. Misschien hebben daarom zoveel mensen in onze tijd last van slapeloosheid. Vooral jonge mensen tussen de 18 en 25 jaar schijnen er mee te kampen. Niet kunnen slapen is niet kunnen vertrouwen dat, als je de teugels loslaat, het toch goed komt.

Als je niet eens weten kunt dát je de volgende dag weer zult opstaan, dan al helemaal niet met welke gedachte dat zal zijn. De ene dag is ook niet automatisch de continuering van de vorige. Soms ga je somber naar bed, maar sta je blij weer op; en omgekeerd.

Daarom is de slaap en het wakker worden een van de laatste domeinen waar wij onontkoombaar met genade geconfronteerd worden: met datgene dat we zelf niet organiseren en controleren kunnen. Genade heeft van onze kant altijd te maken met het vermogen tot passiviteit. Kunnen slapen is een genade die lijkt op het kunnen geloven.

Ons vers is exegetisch gezien het lastigste vers van deze bekende Psalm. In de eerste zes verzen heeft de dichter vertelt dat God hem doorgrondt en kent. In de volgende zes heeft hij gesproken over God als de Onontkoombare. In vers 13 tot en met 18 gaat het dan over God de Schepper en Bestuurder, en die overwegingen eindigen in het besef dat God te groot is om te bevatten:

“Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,

hoe machtig groot is hun aantal.

Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan korrels zand;

ontwaak ik, dan ben ik nog bij U.”

Het laatste stukje komt er wat vreemd achteraan. Mij dunkt dat we het als volgt moeten opvatten. Dit gedicht is ontstaan op een avond, toen de dichter op zijn bed lag te peinzen. Hij lag te denken aan God. En het drong tot hem door dat Hij onontkoombaar is. Dat was vertroostend, maar toch ook schokkend. Het besef dat wij in ons leven en denken stuiten op de Oneindige, voor wie wij niet vluchten kunnen, al zouden wij het willen, brengt je aan het duizelen, zoals de sterrennacht je aan het duizelen brengt. God is een gedachte die, als je hem ten einde tracht te denken, je doet beven, huiveren, vrezen.

Dan denk je: nu slapen! Morgen weer fris aan de slag. Niet met diepe gedachten aan God, nee, de handen uit de mouwen, de aarde bewerken en de vrouw beminnen. De slaap kan een bevrijding zijn van piekeren, ook van piekeren over God.

Maar toen werd hij wakker. En daar was Hij weer: God. Het was alsof Hij al had liggen wachten tot hij ontwaakte. Hij die sluimert noch slaapt, van Hem kom je ook door de slaap niet af. Als ik wakker word, ben ik nog bij U! U bent werkelijk onontkoombaar.

Geloven is de oefening deze onontkoombaarheid van de oneindige God niet als vreeswekkend, maar als vreugde te gaan zien. Hij gaat niet meer uit je gedachten, en jij niet meer uit de Zijne. Wie liefheeft, en alleen wie liefheeft, kan die voortdurende nabijheid verdragen. En die mag weten, zelfs als hij eenmaal in zal slapen ten dode: “ontwaak ik, dan ben ik nog bij U”.