De schepping af maken (Gen. 2:19)

“en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.” (Gen. 2:19)

‘Scheppen’ is volgens Genesis een meervoudig proces. Scheppen geschiedt door spreken, scheiden, maken, plaatsen, zegenen, vormen en ‘laten opkomen (uit de aarde)’. En ook door benoemen. Steeds wanneer de dingen hun eigen vorm gekregen hebben, benoemt de Heere God ze. “Dit is ‘dag’, dit is ‘nacht’, dit is ‘hemel’, dit is ‘aarde’.”

Een kind kan begrijpen dat dit noemen nog deel is van het scheppen. Als iets geen naam heeft, kunnen we het niet onderscheiden van iets anders. Dan bestaat het eigenlijk nog niet. Daarom hebben kinderen ook zo’n behoefte de dingen te leren benoemen. Daarmee krijgen ze grip op de wereld. Prachtig is het gedicht (van Paul van Ostaijen) over de kleine Marc die ’s morgens, net uit bed gestapt, beneden in de kamer de dingen begroet:

“Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem

ploem ploem

dag stoel naast de tafel

dag brood op de tafel

dag visserke-vis met de pijp

en

dag visserke-vis met de pet

pet en pijp

van het visserke-vis

goeiendag.”

Het jochie benoemt en speelt met de taal, om zijn wereld te ontdekken. En om deze wereld zo mede te vormen.

Het is heel opvallend dat in Genesis 2 de mens de taak krijgt de schepselen hun naam te geven. Wat betekent dit? Dit betekent dat de mens betrokken wordt in het scheppingsproces. De mens heeft de roeping de schepping af te maken, te voltooien.

Er is een spreekwoord dat zegt: “God schiep de wereld, maar de Hollanders schiepen Holland.” Er zit wat in. We zitten hier in Waddinxveen immers zeven meter beneden de zeespiegel. Wij hebben een stukje van de schepping voltooid. Zo vertelt de Bijbel: God schiep bijna alles, maar de mens deed het laatste stukje.

Aan de ene kant stelt dat niet zoveel voor. Het is zoals wanneer je met een klein kind samen een taart bakt. Eigenlijk doe je het bijna allemaal zelf. Maar zij mag roeren en op het laatst de slagroom erop spuiten. En dan zeggen we toch: ‘dat hebben we samen mooi gedaan’.

Zo is de schepping bedoeld. De mens mag erin meedoen. Hij mag zijn aandeel hebben in de schepping van de wereld. Zijn roeping is er wat moois van te maken.

In de Koran wordt het noemen van de namen ook verteld, maar dan zo, dat God (Allah) de namen gaf. Daarmee zijn we bij een ingrijpend verschil tussen islam en christendom. In de islam is Allah alles. In het christendom is er een God die onze medewerking zoekt, die niet alleen wil zijn en alleen wil heersen, maar die de mens betrekt in zijn wereld en hem tot medeschepper van de wereld verkiest.

Maar de mens? Hij verprutst het. De taart die wereld heet, is niet te eten. Heeft de Heere zich vergist, en was Allah slimmer? Of later wij ons tot medescheppers benoemen?

(Kerkblad Waddinxveen)