De schouders van de liefde (1 Kor. 13:4, 7)

“De liefde is geduldig.., zij verdraagt alles” (1 Kor. 13:4, 7)

Nadat Paulus de noodzaak van de liefde heeft bezongen, gaat hij zeggen wat liefde eigenlijk is. Dat is wel nodig ook. ‘Liefde’ is net als ‘God’ een veel gebruikt, maar daarom ook veel misbruikt woord. We denken wel te weten wat het betekent, maar is dat ook zo? Volgens de een is liefde het meisje-voor-één-nacht, voor een ander is het Boer-zoekt-vrouw, voor weer een ander is het een illusie, maar in ieder geval is het voor ons laat-moderne mensen iets romantisch.

Paulus heeft dit hoofdstuk echter niet geschreven voor verliefde mensen, maar voor de gemeente. Hij spreekt over de liefde als eerste gave van de Geest, die aan de geméénte geschonken is. In Korinthe hadden ze het heel veel over de heilige Geest, maar het was een individuele Geest; een Geest die individuen gaven schenkt, waardoor zij God kunnen ervaren. Maar het was niet een Geest die samenbond.

Dat kan de heilige Geest niet zijn, zegt Paulus dan. De primaire gave van de Geest is de liefde, die je aan elkaar verbindt. De gemeente is primair een eenheid, en pas secundair zijn er individuen. Liefde is daarom zeker ook: geduld en veel verdragen. Er zit wat dat betreft een mooie inclusio in deze verzen 4-7. Het eerste dat Paulus opmerkt over de liefde is dat zij geduldig is. En het laatste is dat zij veel – nee, alles – verdraagt. Het laatste is een intensivering van het eerste. De liefde is geduldig, ten laatste zo geduldig dat zij álles verdraagt.

Dat moeten we niet meteen toepassen op elke menselijk verhouding. Déze liefde kan in de wereld niet regeren, net zo min als je Jezus’ Bergrede in de staat kunt toepassen. Mensen zijn soms meedogenloos, op straat, in hun werk en in hun gezin. We moeten van elkaar niet vragen dat eindeloos te verdragen. Soms moet de politie komen met de gummiknuppel en soms moet je iemand ongezouten de waarheid zeggen, opdat je niet zelf te gronde gaat. Wij zijn Jezus niet.

Allemaal waar; maar in de gemeente mogen we wel wat verwachten van déze Geest, die is uitgestort en beloofd bij onze doop. Deze Geest die ons leert geduld te hebben met elkaar. De ander tijd en ruimte gunnen, ook als hij die anders invult dan wij zouden wensen. Geduld leren ook met jezelf. Het is niet goed om te zondigen, maar we weten wel dát we steeds opnieuw zullen zondigen. ‘God weet wat maaksel wij zijn’; heb een beetje geduld met jezelf. En ook: geduld hebben met God. Je kunt diep in je hart wel eens denken: als ik God was…, dan zou ik wel dit of dat. Maar wij zijn God niet, dat is nu juist het punt. Laten wij geduld met Hem hebben. Hij komt en vervult al Zijn beloften, als het er tijd voor is.

Hij heeft immers ook geduld met ons. Dat zien we als Jezus het kruis op zich neemt. Alle boosheid van de wereld laat Hij op zich uitbeuken. Dat is geen teken van slapte, maar van sterke schouders. Jezus is als de duinen aan de zee. Zij laten de zee gewoon beuken, hoe hard ook. En aan het einde, als de zee moe is, staan zij daar eenvoudig nog. Dat is opstanding.