Een reiziger die maar één nacht blijft (Jer. 14:8b)

“Waarom zijt Gij als een vreemdeling in dit land, als een reiziger, die maar één nacht blijft?” (Jeremia 14:8b)

Wie met vakantie gaat, blijft meestal langer dan één nacht op hetzelfde adres. Dat is voor jezelf wel zo prettig. Anders wordt de vakantie een vermoeienis. In de bergen heb je wel mensen die van de ene naar de andere berghut lopen, en gewoonlijk maar één nacht in dezelfde hut slapen. Dat is mooi, maar je moet niet denken dat je dan een band opbouwt met de waard.

In Israël is men niet blij met een reiziger die maar één nacht blijft. Dat heeft ook te maken met de gastvrijheid. Die staat er hoog geschreven. Je spant je ervoor in het de gast zo goed mogelijk naar de zin te maken. Als hij dan maar één nacht blijft, ben je een soort van beledigd. Er was blijkbaar geen reden langer met de gastheer te vertoeven.

Jeremia waagt het in zijn warrige, maar formidabele boek om in nieuwe, nog niet gebruikte beelden over God te spreken. Bijvoorbeeld over God als een reiziger die maar één nacht blijft. Jeremia denkt dan aan de ballingschap, die eraan komt. Nadat de tien stammen al vermorzeld zijn onder de grote voeten van de geschiedenis, dreigt nu hetzelfde te gebeuren met de rest, Juda. Dit overblijfsel zal in ballingschap naar Babel gaan. Terug naar het heidense gebied waar Abraham ooit uit geroepen werd. Nu wordt alles waar het ooit om begonnen was, ongedaan gemaakt: de roeping van Israël, het verbond, de beloften. Er lijkt niets van Israël over te blijven. En daarmee gaat God zelf voorbij. Want in dat alles had God zelf toch zijn intrek genomen in Israël?

Israël als gastheer, en God als gast. Een vreemd beeld, omdat het nu Israël is, dat God wil vasthouden, en God die verder gaat; terwijl het meestal lijkt dat God Israël wil vasthouden, maar Israël wil het niet. Voor Jeremia zit er echter ook een andere kant aan de geschiedenis. Hij zelf wil in ieder geval dat God blijft. Maar “God gaat verder, zwenkend van hem heen” (Achterberg).

De vorige meditatie ging over Psalm 139, waar God getekend wordt als de Onontkoombare. Hij is er overal en altijd. Hier vinden we een heel ander beeld: God die verder trekt, en ons achterlaat. Die elkaar tegensprekende beelden laten zien dat de Bijbel niet vanuit een abstracte positie over God spreekt, maar vanuit concrete, verschillende ervaringen. God kan zich dus verschillend gedragen.

Dat roept voor ons een spannende vraag op. Want lang niet iedereen ervaart dat God onontkoombaar is. Sterker nog, de meeste mensen leven zonder Hem en dat gaat hen prima af. Is God voor Nederland een reiziger die maar één nacht bleef? Die er even was in de geschiedenis van ons volk, en nu weer verder reist, zwenkend van ons heen? Of zullen wij weer onontkoombaar op Hem stuiten?

De geschiedenis zal het leren. Of beter: Hij zal het de geschiedenis leren. Want Hij is God, en wij kunnen slechts vragen: ‘Weet U het zeker, HEERE? Wilt U echt zijn als een reiziger die slechts één nacht blijft?’

[kerkblad Waddinxveen]