Geloof is geen ideaal (1 Kor. 13:3b)

“Al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de liefde niet, het baatte mij niets.” (1 Kor. 13:3b)

Paulus somt in het literair zorgvuldig gecomponeerde dertiende hoofdstuk van zijn brief de grootheid en de noodzaak van de liefde op. Al kon ik dit, al had ik dat, al deed ik zus – als ik de liefde niet had, was het lucht, was ik niets, baatte het mij niets. Het ultieme voorbeeld daarvan geeft hij dan wel in de persoon die zichzelf overgeeft om verbrand te worden. Waar Paulus precies aan denkt, is niet helemaal duidelijk. Het meest waarschijnlijk lijkt mij dat hij denkt aan de dood van de martelaar, die zich voor zijn geloofsovertuiging laat verbranden. Ook onze geschiedenis weet ervan. Er waren de protestanten op de markt van Brussel, maar ook de katholieke martelaren van Gorcum. In de Tweede Wereldoorlog waren er de kamikaze-piloten en er zijn nu de islamitische suicide bombers – en de christenen die vanwege hun overtuiging gedood worden.

Zich zo vrijwillig totaal prijsgeven voor het goede dat je dient, lijkt wel het hoogst haalbare voor een mens. Islamitische radicalen stellen, dat wie vrijwillig sterft op het slagveld, sterft als martelaar – en dat daarom de paradijspoort voor hem opengaat, alwaar zeventig maagden liggen te wachten. Onlangs hebben Korangeleerden op grond van de Arabische tekst gesteld, dat deze overtuiging op een vertaalfout berust, en dat het moet gaan om zeventig druiven – maar vooralsnog lijkt dat het enthousiasme niet te temperen.

Paulus stelt: al had ik ook de moed om voor mijn overtuiging te sterven, het zou nog zinloos kunnen zijn, namelijk als ik daarin niet liefhad. Een ontzaglijke gedachte, die ons erbij bepaalt dat het geloof totaal iets anders is dan het nastreven van een ideaal. De consequent doorgevoerde ideologie is het hoogste waar een mens toe kan komen. En elk groot ideaal geeft mensen de kracht om ervoor te sterven. Mensen zijn gestorven voor hun vaderland, voor het communisme, voor het nationaal-socialisme, enzovoorts. De dood is dan de ultieme overgave aan het ideaal. Daarom kan een martelaar zelfs naar de dood verlangen: zo kan hij zich totáál aan de zaak wijden. Hij weet: ik sterf, maar het ideaal blijft. Dat kan een mens een bovenmenselijke kracht geven.

Maar het is totaal iets anders dan het sterven van Jezus. Jezus was geen idealist. Daarom had Hij ook niet de kracht om te sterven. Hij kon immers niet terugvallen op de gedachte: “Ik sterf, maar het ideaal blijft.” Elk ideaal zonk met Hem juist voorgoed de grond in. Jezus’ enige grond was de liefde Gods, die Hij terugvond in de hof van Gethsemané, en van waaruit hij de Joodse Raad en de Romeinse Pilatus tegemoet ging. Jezus had lief. Dat was alles. En dat hield Hij vol tot het einde. Als Jezus gestorven was in de obsessieve gerichtheid op een ideaal, of in de verbittering van Zijn verlies, of in haat jegens Zijn vijanden – dan had Zijn dood niets betekend, al was Hij de Zone Gods en God de Zoon zelve.

Als Jezus sterft, is Hij alle idealen al lang voorbij. Dan heeft Hij alleen nog maar lief. En die liefde is wat blijft.