God is je altijd vooruit (Ex. 33:22-23)

‘Ik zal u met mijn hand bedekken, totdat Ik ben voorbijgegaan. Dan zal Ik mijn hand wegnemen en gij zult Mij van achteren zien, maar mijn aangezicht zal niet gezien worden.’ (Zo spreekt God tot Mozes in Exodus 33: 22-23)

Het is een drama tussen God en zijn volk. Het volk Israël heeft een gouden stierkalf gemaakt. In dat beeld meent men God present te stellen. Zo moet hij aanwezig zijn. Tastbaar en grijpbaar. Als je een beeld vereert, kom je niet voor verrassingen te staan in je geloof. Je weet waar je aan toe bent. God in een beeld, dat betekent: God kun je beschrijven, vatten, vastleggen. Dat is pas godsdienst, zeiden de volkeren rond Israël. 

Maar Israël zei: dat mag je God niet aandoen. Dat moet je een mens al niet aandoen. Mensen zijn beweeglijk, veranderlijk. Je maakt een ontwikkeling door, hoe dan ook. Je bent vrij. Vastleggen is de dood van elke relatie. Als je de partner met wie je getrouwd bent in gedachten vastlegt op het moment van de bruiloft en denkt: zoals je nu bent, zo moet je blijven – dan kan ik je de scheiding al voorspellen. Grijpbaar, tastbaar, maakbaar, dat hoort bij dingen, niet bij personen. Bij God dus ook niet.   

 

Het is wel begrijpelijk als je je dan wat verlegen voelt met die God. Het volk Israël was verlegen met haar God, die nergens zichtbaar en tastbaar werd. Telkens als je dacht dat je Hem had, was Hij weer weg. Geen beeld, geen uit te spreken naam. God kun je niet openvouwen en uitleggen. God kan alleen verschijnen. En Hij verschijnt alleen in het voorbijgaan.

 

Proef je de armoede daarvan? Pas dan kun je dit verhaal ook een beetje begrijpen. Want laten we wel wezen, je kunt dit verhaal ook lezen als een verhaal over het domme volk Israël, dat het weer niet wil begrijpen, en dat steeds weer in zonde valt. Je kunt er ook heel boos om worden, of heel verdrietig. Dat heeft allemaal zijn recht.

Maar als dat het enige is dat we kunnen zeggen, miskennen we het verlangen dat erachter schuil gaat. Het verlangen om God een gezicht te geven. Juist als je gelooft wil je God zo graag een gezicht geven. Al was het maar voor je kinderen, of voor ieder die naar je toe komt en zegt: ‘Geloof je in God? Maar wijs hem dan eens aan? Waar kan ik hem vinden?’ En krampachtig ga je zoeken. Je wilt God present stellen in je daden. Je denkt: als wij als christenen laten zien dat we wat meer voor elkaar over hebben dan anderen, dan zal het ze wel opvallen, dat God daar is. Of je denkt: Jezus, in Hem is God tastbaar aanwezig gekomen onder ons. Naar Jezus kan ik ze verwijzen. Of je denkt: de Bijbel. Is de Bijbel niet een soort standbeeld van God, waar je altijd naar kunt verwijzen?

 

Maar we voelen wel aan: zo gaat het niet. Geloof is armoede. God gaat niet mee zoals een beeld met je mee gaat, maar als iemand die voor je uitgaat, slechts van de achterzijde gezien. Dat krijgt Mozes te horen als hij vraagt om God te mogen zien. God gaat hem voorbij, en als Hij voorbij gegaan is, dan mag Hij hem van achteren zien. God is je altijd vooruit. Een fietser die je nooit kunt inhalen.

 

Ik moet denken aan een vakantie jaren geleden in de heuvels van Zuid-Limburg. We hadden het plan opgevat om daar te gaan fietsen. Op zich al een hele onderneming. Maar toen verdwaalden we ook nog. Tot er een racefietser voorbij kwam. We hielden hem staande, en vroegen of hij ons verder kon helpen. En toen zei hij: fiets maar achter mij aan… Maar hij ging ons natuurlijk veel te hard. Dus met de tong op onze schoenen probeerden we hem bij te houden. Hij verdween steeds uit zicht, maar steeds als je dan dacht: ik ben hem kwijt, dan ging je weer een bocht om, en dan zag je hem toch weer, van de achterkant.

 

Zo is God. Je altijd vooruit. Nauwelijks te volgen, van de achterzijde gezien.  

Eigenlijk heb ik aan iets heel anders behoefte. Ik heb veel meer behoefte aan een God die naast me zit en me rust geeft. Ik merk die behoefte ook in veel mensen om me heen. Ze zijn allemaal op zoek naar een geloof dat hen rust kan geven, balans, harmonie met jezelf en je omgeving, acceptatie. Maar dat zijn allemaal statische woorden. Statisch en stil als een standbeeld.

 

De God van Jezus Christus is dan een stoorzender. Hij brengt je niet in balans, maar uit balans. Hij gaat voor je uit, in een onvoorstelbare en onvoorspelbare geschiedenis, naar het beloofde land. Hij vraagt van je Hem op die weg te volgen, soms met de tong op je schoenen, maar nooit zonder de belofte dat je hem na de volgende bocht weer ziet.