Gods verbond met de schepping (Jona 4:11)

‘Zou Ik dan die grote stad Ninevé niet ontzien, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, en daarbij veel vee?’ (Jona 4:11)

Daar waren ze ineens weer, de doodspuiters van de Nederlandse overheid, om de grote stallen in te gaan en de arme dieren naar de eeuwige jachtvelden te zenden. Ditmaal ging het om nieuwe uitbraken van vogelgriep. Ik moet dan altijd weer denken aan de verschrikkelijke MKZ-crisis van een aantal jaren geleden, met de koeienlijken die in de grijpers boven de kiepbakken hingen te bungelen. Dat was verschrikkelijk, niet alleen ‘om economische redenen’, zoals wij dan plegen te zeggen, maar vooral omdat dieren ook schepselen zijn en vanwege de band die er is tussen de boer en zijn dieren. In Mastenbroek kende ik boeren die zélf ziek waren, als er een dier ziek was. Zoals een moeder altijd een beetje ziek is, als haar kind ziek is. Zo sterk was de band.

Een kip is geen koe, maar wel een schepping. God heeft het laten wemelen van leven hier op aarde. Zoek maar eens op hoeveel soorten spinnen of hoeveel soorten kikkers er op aarde zijn, en je gelooft het niet. Wij mensen zijn geroepen dat alles liefdevol te beheersen en te onthouden dat Gód Zelf een beetje ziek is, als Zijn dieren ziek zijn. Er is een band tussen die twee.

Daarover gaat ook het boekje Jona. In dit boekje wordt als het ware een strijd uitgevochten tussen twee verbonden: het verbond van God met Israël en het verbond van God met de hele schepping (alle volken en alles wat leeft). Van het eerste verbond wordt verteld in Exodus 19-20, als Israël de wet ontvangt als teken van dit verbond. Van het tweede verbond vertelt Genesis 9 (Noach), en het teken daarvan is de regenboog.

Nu zegt de profeet Jona eigenlijk: door het verbond met Israël is het verbond met de schepping niet meer geldig. Dat is voorbij, zo luidt Jona’s ‘vervangingstheologie’. Maar de boodschap van het boekje is: ‘Nee, ondanks Gods verbond met Israël blijft óók het verbond met de schepping voluit van kracht’. Dat is een blijde boodschap voor nare mensen, zoals de Ninevieten. Maar óók voor de dieren. Zij spelen in dit hele boekje een wonderlijke rol. We hebben de grote vis, die gehoorzamer is dan Jona; we hebben de runderen en schapen in Ninevé die rouwkleding aantrekken, vasten, met kracht tot God roepen én zich bekeren (3:7-8!); we hebben de worm, die in zijn eentje een wonderboom doorknaagt – én we hebben Gods reden om Ninevé te sparen. Die wordt pas echt in het allerlaatste vers genoemd, dat boven deze meditatie staat. Daar komt het vee weer terug. Het vee van Ninevé is voor God een reden om de stad te sparen. Hadden we dat al wel eens bedacht?

Het doet me denken aan het volgende gedicht van Willem Wilmink:

“God woont in de Fokke Simonszstraat

 

Ik hoorde van een zeereerwaarde

en hoogbejaarde dominee:

de Here wou met onze aarde

niet één dag langer meer in zee.

 

Al zouden wij Hem overstelpen

met eredienst en dankgebed,

het zou geen ene moer meer helpen:

er werd een punt achter gezet.

 

Maar zie: daar was diezelfde morgen

zo’n rotjoch in de grote stad

een doodziek duiffie aan ’t verzorgen

dat-ie op straat gevonden had.

 

‘Kristus, wat mot je dan ? Wat wil je?

Ja, kijk me maar es effe an.

Godsallejeisis, beest, wat tril je,

Leg nou toch effe rustig man.’

 

Toen heeft de Heer Zijn toorn bedwongen,

want Hij kreeg schik in het geval.

Hij spaarde dus de kleine jongen,

de zieke duif en het heelal.”

De barmhartigheid die het jochie ten toon spreidt voor de duif is voor God een reden om de wereld niet te sparen. Let op de de volgorde aan het slot: de kleine jongen, de zieke duif en het heelal. ‘De kern ziet wijd.’