Jezus alleen (Mk 14:50)

“En allen verlieten Hem en vluchtten.” (Marcus 14:50)

We leven weer in de de ‘lijdenstijd’. In de meeste kerken wordt dit tegenwoordig de ‘veertigdagentijd’ genoemd. Ik hecht echter aan de term ‘lijdenstijd’. ‘Veertigdagentijd’ is een formele term. Het roept de vraag op: veertig dagen wat? Veertig dagen zonder seks, veertig dagen doormodderen, veertig dagen wat? Waar draait het om in deze tijd? ‘Tijd voor Pasen’ noemde het liedboek van 1973 deze tijd, een nieuwe term gekozen omdat de redactie niet wilde kiezen tussen veertigdagentijd en lijdenstijd. Toch is ook deze term nog formeel. ‘Voor Pasen’, maar waar wordt die tijd dan door gekenmerkt?

‘Lijdenstijd’ is een inhoudelijker term. We staan deze veertig dagen of zeven weken stil bij het lijden. Het lijden van wie? In de liberale traditie is het steeds meer geworden: bij ons aller lijden, waar de Man van smarten dan de personificatie van is. Voor we het weten zitten we dan echter meer te verkommeren bij een hongerdoek dan dat Christus duidelijker voor ons komt te staan.

Dat is wel de bedoeling van de lijdenstijd. We denken aan het lijden van Hem. En daar zitten wij dan inderdaad in opgesloten, uiteindelijk, maar in eerste instantie niet. In eerste instantie doet Hij het juist moederziel alleen. Bij zijn gevangenneming lijkt het nog wel goed te beginnen, als een van de discipelen de slaaf van de hogepriester een oor afslaat. Een oor is niet veel, maar toch wat. De discipelen willen nog niet wegvluchten.

Maar daar draait het wel op uit. Alle volgelingen slaan op de vlucht. Dan is Jezus helemaal alleen. Vanaf dan doet Hij het helemaal alleen. Niet alleen zonder discipelen van toen, maar ook zonder discipelen van nu. Dat is discipelschap: erkennen dat je op het beslissende moment een nietsnut bent, een slappeling, een angsthaas en een lastpost.

De tijd voor Pasen ervaar ik op deze manier als de moeilijkste en de mooiste tijd van het kerkelijk jaar. De moeilijkste tijd, omdat Jezus eerder verder van ons af komt te staan dan dat Hij dichterbij komt. Hij moet zijn weg steeds meer alleen gaan. Niemand kan Hem nog volgen, zijn discipelen toen niet en wij nu ook niet.

Wil je Hem nog zien, dan moet je tot over de rand gaan, waar het geween is en het tandengeknars. Kon je Hem eerder nog als schoon van gedaante voorstellen, als held en vriend, nu krijgt Hij de angst in zijn ogen en druppelt het bloed van zijn gezicht. Hij wordt aanstootgevend. Je hebt de neiging weg te kijken, zoals je onbewust  wegkijkt als je een junk tegenkomt. Want de Lijdende is een aanklacht tegen ons. Hij moet lijden omdat wij vluchten. Hadden wij maar wat meer verzet in ons bloed dan dat stompzinnig levenloze oor laat zien, dan was het beter afgelopen.

En toch is deze lijdenstijd ook de mooiste tijd van het kerkelijk jaar. Want hoe verder Jezus bij ons vandaan raakt, hoe dichter komt Hij naar ons toe. Hij meer Hij zijn weg alleen gaat, des te meer neemt Hij ons mee. Dat is gespeld in de woorden “voor ons”, “in onze plaats”, die de theoloog Paulus later gaat munten. Die woorden, met vrees en beven, te zoeken en na te zeggen, dat is de zin van de “lijdenstijd”.

Als de discipelen vluchten, raakt Jezus niet in paniek. Hij weet wat Hij wil ondergaan. Hem overkomt niets. Hij geeft zich in handen van de soldaten. Hij wil zijn weg alleen gaan.

De weg waarop niet alleen wij mensen, maar zelfs God Hem niet meer volgen kan. Het land van wening en knersing der tanden is niets voor de Vader. Hij komt er niet binnen. Maar Jezus wel. Hij laat zich op het kruis binden, waar noch mens noch God Hem nog volgen kan. Daar hangt Hij volkomen alleen. Daar wordt alles volbracht, voor ons en voor God. Zodat wij elkaar ontmoeten kunnen.