Jezus, de sneeuw en het nieuwe jaar (Lc 2:21)

Jezus, de sneeuw en het nieuwe jaar

“En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was.” (Lukas 2:21)

Wie heeft de afgelopen dagen niet gedacht aan het woord van Jesaja (1:18): ‘al waren uw zonden zo rood als scharlaken, zij zullen zo wit worden als sneeuw’? Een krachtige belofte, en nu de sneeuw op de velden en de huizen ligt, is die sneeuw zelf een preek tot ons, een vast en zeker teken dat het woord van Jesaja geldt. Als u de sneeuw ziet liggen, dan mag u denken: ik zie vergeving, ik zie de hele wereld bedekt onder de vergeving van God. De hele wereld mag een nieuw begin maken, en ik ook.

Een nieuw begin mogen maken, dat is de vergeving van zonden. Je hoeft niet meer terug te kijken, naar wat was, maar je mag vooruit kijken, een sneeuwwitte toekomst in.

Een nieuw begin. We staan allemaal aan het begin van een nieuw jaar. Een jaar waarvan niemand weet wat het brengen zal, maar een jaar dat wit begint kan nooit zwart eindigen. Als je weet van het nieuwe begin dat God in zijn Zoon Jezus Christus maakt, dan zie je de wereld altijd in de spiegel van zijn genade.

Een nieuw jaar. Nieuwjaarsdag, 1 januari, is niet alleen in de wereld, maar ook in de kerk vanouds een bijzondere dag. Het is de achtste dag na 25 december en daarom vanouds de dag waarop de besnijdenis en de naamgeving van Jezus gevierd wordt. Want zo staat het bij Lukas: net als alle joodse jongetjes werd Jezus acht dagen na zijn geboorte besneden, en net als alle anderen kreeg hij ook toén zijn naam: Jezus. Daarom is 1 januari in de Rooms-katholieke traditie ook kerkelijk gezien een bijzondere dag. In onze protestantse traditie niet, op 1 januari denken we al nauwelijks meer aan het Kindeke klein, en is het nieuwjaarswensen. Maar laten we nu eens proberen die drie te verbinden: het begin van het nieuwe jaar, de sneeuw en de naamgeving van Jezus.

 

De Zoon van God krijgt op de achtste dag, nog huilend om de pijnlijke ingreep van de besnijdenis, Zijn Naam: Jezus! Lukas weet wel wat die naam betekent, maar vindt het niet nodig dat nog expliciet te vermelden. Dat doet zijn collega Matteüs wel: ‘Gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.’ (Matt. 1:21)

 

Jezus, op het eerste gezicht een heel gewoon kindje. Op oude afbeeldingen heeft het Kind een stralenkrans om, zodat je meteen weet: dat is de Zaligmaker. Maar in het echt had Jezus die stralenkrans natuurlijk niet. Hij heeft net zulke handjes en voetjes als andere kinderen, zal net zo gehuild en gelachen hebben.

 

Maar dan, dan krijgt hij zijn naam. Jezus moet hij heten. Dán weten we wie Hij is, wat Hij komt doen. De naam is geen toevalligheid, alsof Hij ook anders had kunnen heten, nee zijn naam vertelt precies wie Hij is. Daarom zorgt de engel er ook heel speciaal en met nadruk voor dat het kindeke die naam krijgt. Want in de tijd van Jezus was het inmiddels ook gebruik geworden om te vernoemen. Dan zou Jezus Jozef geheten hebben, naar zijn vader. Dat moest dus voorkomen worden. Jozef krijgt de uitdrukkelijke opdracht: je moet Hem Jezus noemen.

 

Jezus, dat is een vergriekste vorm van de hebreeuwse naam Jozua. Die naam, Jozua of Jezus betekent: De Heere redt. De Heere komt te hulp.

 

Zo heetten wel meer jongetjes in Israël. De mensen vonden het blijkbaar een mooie naam. Een naam met een belofte. Maar dan, in déze Jezus maakt God die belofte ook helemaal waar. In Hem redt Hij ons, in Hem komt Hij ons te hulp, door Hem redt Hij ons van onze zonden.

 

Die sneeuw, die staat dus niet los van Jezus. Jezus doet het sneeuwen in je leven. Hij maakt het rode wit, en het zwarte maakt Hij wit. Hij zorgt voor dat steeds weer nieuwe begin. Zijn naam zegt het: De Here schiet je te hulp, als je door het ijs gezakt bent.

 

‘De Heere redt’, dat betekent die naam Jezus. Letterlijk betekent het: De Heere maakt ruimte. Wie benauwd is, weet wat ruimte betekent. Ik denk aan de schaatser, die door het ijs ging en onder het ijs terecht kwam. De felle kou trok in zijn botten en spieren, Hij kon niet meer omhoog. Hij weet wat het betekent als iemand weer ruimte voor je maakt. Hij weet hoe je kunt denken bij jezelf: Wie schiet te hulp? Wie geeft ruimte?

In Jezus breekt God het ijs. In Jezus geeft God ons weer ruimte, ruimte om te leven, ruimte om opnieuw kind van God te zijn, ruimte om lief te hebben. Ruimte om als een kind van God aan het nieuwe jaar te beginnen.

 

Laten wij in het nieuwe jaar, sneeuw of geen sneeuw, steeds weer aan die naam denken: Jezus! U bent het steeds weer doet sneeuwen in mijn leven. U bent het die het ijs voor breekt en mij uit het water sleurt. U bent het met wie ik vol vertrouwen het jaar 2010 in kan gaan.

 

 

O Jezus, hoe vertrouwd en goed

klinkt mij uw naam in ’t oor,

uw naam die mij geloven doet:

Gij gaat mij reddend voor;

 

uw naam die onze wonden heelt

en ons met manna spijst,

die onze dood en zonde deelt

en onze vrees verdrijft.

 

O Jezus, hoe vertrouwd en goed

klinkt mij uw naam in ’t oor,

als ik van alles scheiden moet

gaat nog die naam mij voor.

 

(Gezang 446, Liedboek voor de kerken)

 

W.M.Dekker, Mastenbroek

Geef een reactie