Kus me (Hgl. 1:2 / Mc. 14:44)

“Laat Hij mij kussen!” (Hooglied 1:2)

“Die ik kussen zal, die is het.” (Marcus 14:44)

De gospelgroep ‘Sixpence none the richer’ had een aantal jaren geleden een hit waarmee ze ineens ook buiten christelijke kring bekend raakten: ‘Kiss me’. Tallozen werden door dit liedje aangesproken, door de muziek, maar ik denk ook door de tekst, over een meisje dat droomt over een toekomst met haar lief, en zingt: ‘Kus mij’. Dat klinkt veel intiemer dan de recht-toe-recht-aan seks waar het veel vaker over gaat. Seks hebben met iemand is niet zo moeilijk, maar kun je ook kussen, kun je je laten kussen? Voor prostituees schijnt het ook letterlijk zo te zijn: de klanten mogen alles met ze doen, maar ze mogen hen nooit op de mond kussen. Proberen ze dat toch, dan is het basta. Kussen doen ze alleen met iemand van wie ze echt houden.

Dit laat wel zien hoe in- en ingemeen het verraad van Judas is. Hij verraadde Jezus met een kus. Een kus van vriendschap, zoals tussen mannen in het nabije oosten toen gebruikelijk, en nu nog. Zij waren immers kameraden, Jezus en Judas. Jezus had hem uitgekozen in de kring van zijn nauwste volgelingen, zijn discipelen. Maar in die groep ontstaat ook het verraad.

Daarmee wordt ons natuurlijk ook iets over het heden verteld, over de kerk en haar verhouding tot Jezus. Het grootste gevaar voor Jezus komt nooit uit de wereld. Het grootste gevaar komt altijd uit de kerk zelf, uit de ambten, de predikanten, de bisschoppen. Tegen de wereld kan Jezus zich wel wapenen. Maar hoe moet je je wapenen tegen het verraad van binnenuit?

Die mogelijkheid, dat wij zélf niet alleen Jezus’ volgelingen, maar ook zijn verraders zijn, wordt in ons in de figuur van Judas scherp voor ogen getekend. Als Jezus zegt dat één van hen Hem verraden zal, reageren ze allemaal met de vertwijfelde vraag: ‘Ben ik het? Ik ben het toch niet?’ (14:19) Dat betekent dat zij begrijpen: ook ik kan Judas zijn. Judas is niet het zwarte schaap, dat wij tot zondebok kunnen maken. Hij is ook niet de jood waar de christen zich fijn van onderscheidt. Judas is de mógelijkheid die in ons allen huist, en in Jezus’ trouwste volgelingen het meest.

Tegen die verraderskus helpt enkel een andere kus. De kus van Hem die in het Hooglied bezongen wordt: de bruidegom, ons lief. Wij mogen dromen over een toekomst met Hem en zingen: Kiss me. Kus mij. Kus mijn arme ziel gezond, Kus mijn twijfel en zonde weg, kus de Judas in mij dood.

“Hoe moet ik, hemelzon, U danken

voor ’t licht dat Gij mij hebt gebracht?

Gij hebt mijn ziel, die arme, kranke,

voorgoed genezen van de nacht.

Gij kuste met uw gouden mond,

o zon, mijn ziel gezond.” (Gez. 430:5, Liedboek voor de kerken)