Ons zalig lot (Ps 48:6 OB)

“Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot.” (Ps. 48:6, Oude Berijming)

Het is een bijzonder kenmerk van de oude Psalmberijming van 1773, die in onze gemeenten nog veel gezongen wordt, dat daarin God en het lot een intiem verbond aangaan. God is ons lot, Hij is ons zalig lot. Voor wie het eens nazien wil: kijkt u maar eens in Psalm 16:3, 34:1, 73:14, of 97:7. Of anders in Psalm 135:12:

‘Loof Hem voor uw heilrijk lot,

Loof al juichend uwen God!’

Maar de bekendste en de mooiste is wel:

‘Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot,

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden;

Ter dood toe zal Hij ons geleiden.’ (Ps 48:6)

Hier vindt een vereenzelviging van God en het lot plaats. God is ons lot! Dat komt op het eerste gehoor misschien vreemd bij u over. Betekent het geloof in God niet, dat je juist niet meer in het lot gelooft? Is God niet iets heel anders dan het lot?

In de oorspronkelijke Psalmteksten vindt je deze vereenzelviging van God en ons lot inderdaad niet. Het is een vrije interpretatie van de Psalmdichters geweest. Moeten we hen daar hard om vallen? Ik denk het niet. Ze laten, zou ik zeggen, met deze vrije berijming zien dat ze wilden denken vanuit het geheim van Kerst. Het Kerstfeest leert ons: God is ons zalig lot. Met Kerst ontvangen wij de Verlosser, zoals de gelukkige verbaasd het winnende lot ontvangt. Op geen enkele manier hebben wij dit lot verdiend. Wij hebben het op geen enkele manier bewerkt. Het is geen mensenhart opgekomen. Het valt ons toe. Gods liefde valt ons in de schoot, zomaar, onverwacht en onbedacht.

 

Daarvan is de nacht in de Bijbel altijd een beeld. Wat in de nacht gebeurt, voltrekt zich buiten onze macht om. Het geschiedt aan ons en voor ons, maar zonder ons. Jezus stond op uit de dood in de nacht, toen iedereen sliep. Zo werkt God. Wij kunnen Hem niet maken. Wij kunnen alleen achteraf Zijn genade aantreffen, als het lot dat voor ons uitgaat. En zo werd Christus ons ook geschonken in de nacht, de Kerstnacht. Toen allen sliepen, van moeheid of van ongeloof. Dat zijn Gods momenten, in de geschiedenis en ook in je persoonlijk leven.

 

Het diepste van het geloof is niet dat wij God kennen, maar dat wij door Hem gekend zijn. Het diepste van het geloof is niet dat ik God bemin, met heel mijn hart, mijn ziel, mijn verstand en kracht, maar dat God mij bemint, met heel Zijn hart, met heel Zijn ziel, met heel Zijn verstand en met al Zijn kracht. Dát wonder vieren wij met Kerst. Die liefde valt ons zomaar toe, als een lot. Een zalig lot. Het is een zalig lot door God te worden bemind met een eeuwige liefde. Het is de eeuwige grond onder ons sterfelijke bestaan. Het is de genade die sterker is dan de zonde, de barmhartigheid die roemt tegen het oordeel.

 

Zo laat Kerst ons zien dat het diepste van ons leven niet in ons handelen ligt, in onze activiteit, maar in onze passiviteit, in ons ontvangen. Descartes zei: ‘Ik denk, dus ik ben’. Tegenwoordig is het veel: ‘Ik presteer, dus ik ben’. Mijn eigen handelen maakt mij tot wie ik ben. Mijn prestaties zorgen ervoor dat ik het waard ben om er te zijn.

 

Het Kerstfeest leert ons precies het omgekeerde. Het wezenlijke aan ons leven hebben we niet in de hand. Het is een lot dat je toevalt. Je bent er passief onder. Je wordt geboren, je wordt gekend, je wordt benoemd, je wordt bevestigd, je wordt ontslagen. Maar vooral: je wordt bemind. In een echte liefdesrelatie verwonder je je niet over je eigen liefde tot de ander, maar wel over de liefde van de ander tot jou. Die ervaar je altijd als een onverdiend geschenk, dus als een lot, een zalig lot.

 

Zo is het ook met Gods genadige en verkiezende liefde, die in de Kerstnacht geopenbaard wordt. In het gedicht ‘Maannacht’ van de negentiende eeuwse Duitse dichter Joseph von Eichendorff staan de regels: ‘Het was alsof de hemel stil de aarde had gekust.’ Die maannacht is de Kerstnacht en die kus is het Kerstkind. Sinds die geboorte weten wij dat de hemel niet donker en koud is, maar licht en warm. Die kus gaat aan heel ons leven en denken en doen vooraf; aan heel ons geloof of ongeloof. Aan die kus hoeven wij nooit te twijfelen. Die kus komt persoonlijk tot je als je gedoopt wordt. Je wordt gedoopt, nog voordat je iets kunt zeggen, kunt doen, als je nog volkomen passief bent. Dan ontvang je God als je persoonlijke, zalige lot.

 

Het Kerstkind is het moment dat de hemel de aarde stil kust. In de kus die dit Kind is, ontmoeten wij God. In dit Kind ontmoeten wij ons zalig lot. In dit Kind weet ik dat ik bemind ben met een eeuwige liefde. Dit Kind maakt mij tot wie ik ben.

 

‘Ja, dominee, maar dat moet je wel geloven!’ Goed dat u het zegt. Maar niet als u bedoelt dat ik nu toch nog iets presteren moet. Ook het geloof is geen activiteit, geen prestatie. Het geloof is passiviteit, ontvankelijkheid. Het is je laten beminnen door God. Het is meezingen:

 

‘Want dit Kind is mijn God,

Het is mijn deel, mijn zalig lot.’

Ook buiten de oude psalmberijming om weten de gelovigen van dit zalig lot. Johan de Heer (nr 587) zingt:

“Jezus mint mij, zalig lot

‘k weet dit uit het Woord van God”

Ik zeg deze keer met onze Roomse broeders en zusters: een zalig Kerstfeest!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s