Onze maagdelijke geboorte (Joh. 1:13)

“die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.” (Joh. 1:13)

Jezus’ maagdelijke geboorte is een groot wonder. De man speelt geen rol bij deze geboorte. Hij wordt meesterlijk buiten spel gezet. Dat is uiteraard ook een vernedering voor de man, en daarin voor de mensheid als geheel. Jozef moet zich over deze vernedering heen zetten, door Maria toch als zijn vrouw en dit kind toch als zijn kind aan te nemen. Over dat gekrenkte gevoel moeten wij ons allen heen zetten, als wij werkelijk Kerst willen vieren. Het is beschamend te moeten erkennen dat wij niets aan onze verlossing kunnen bijdragen. Voor de man is dat wellicht nog moeilijker te aanvaarden dan voor de vrouw. De vrouw wil baren. Zij mag ook baren. God moet in ons groeien en uit ons geboren worden. Maar de man wil scheppen, verwekken. En hij mag het niet, want hij kan het niet. Zijn zaad is verdorven. Dat is de kwetsuur die God ons in de kerstnacht toebrengt. Kerst is prachtig, maar wie deze nacht aanvaardt, aanvaardt ook zijn eigen onvermogen.

Als dat gezegd is, voegt de evangelist Johannes er nog iets aan toe. En dat is tot onze troost. Mattheüs vertelt van de maagdelijke geboorte van Jezus, maar Johannes vertelt van onze eigen maagdelijke geboorte. Wie gelooft, is niet uit de wil van de man geboren, uit vlees en bloed, maar zuiver uit God. Wie gelooft, komt net als Jezus niet van beneden, uit de aarde, maar van boven, van God. Hij daalt uit den hoge op aarde neer. Hij heeft wel een moeder op de aarde, maar zijn Vader is in de hemel.

Dat is een ontzaglijk woord, dat Johannes ons hier meedeelt. Wie kijken niet alleen naar het kindje in de kribbe, dat anders is dan wij. Door het geloof komen wij ook naast dit kindje te liggen. Wij worden zonen en dochteren van God. De werking van het verdorven zaad der wereld is in onze ziel dan op meesterlijke wijze buiten spel gezet.

Dat moeten we geloven, ook als we het niet ervaren. Dat mogen we geloven, tot onze troost. Ik ben die ik ben, niet door mijn ‘genen’, door mijn afstamming, door de driften van het bloed, maar “door de genade Gods, ben ik die ik ben”. Mijn wezen wordt bepaald door Zijn genade. Nu is de wereld dood voor mij.

Naast Jezus in de kribbe liggend, kijken wij met Hem de wereld in. Die wereld is koud. Maar de engelen zingen. En als Jezus lacht naar zijn aardse moeder en zijn hemelse Vader, lachen wij vanuit de kribbe mee. Ondanks alles.

(Kerkblad Waddinxveen)