Verlangen naar God (Psalm 63)

“U bent mijn God! U zoek ik” (Ps. 63:1). “Er is niemand die God zoekt” (Ps. 14/Rom. 3:11)

In de Psalmen kijken wij de gelovige in zijn ziel. We lopen er door de kamers van zijn liefde, zijn haat, zijn teleurstelling, zijn verdriet, zijn wanhoop, zijn angst, zijn blijdschap. Meer dan woorden van God tot ons zijn het woorden van (gelovige) mensen tot God. Daarom moeten we er ook geen dogmatische zinnen van maken. Dan spreken ze zichzelf tegen, zoals in de Psalmen 14 en 63. “God zoek ik” – “Er is niemand die God zoekt”.

De dichter van Psalm 14 heeft zelf van zijn ervaringen algemene waarheden gemaakt. Hij is als de jongen, die door een paar Marokkanen in elkaar geslagen was, en toen zei: “Alle Marokkanen zijn verdorven!” Hij is als Elia, die zegt: “Ik alleen ben overgebleven.” Zo zegt Psalm 14: “Er is niemand (meer) die God zoekt.”

Zulke mensen hebben we serieus te nemen in hun resignatie. Wie nooit een beetje misantroop is geweest, die kan geen gelovige zijn. Geloven hangt samen met een zeer diepe teleurstelling in de mens, in zijn vermogen, in zijn plannen en idealen. Dat is een reële ervaring. Het kwaad is als de lucht, het is overal om je heen en je ademt het in, en je kunt niet anders, want zonder adem is er geen leven.

Ontsnappen dus! Dat is wat je wilt. De intellectueel ontsnapt in een goed boek. De sporter ontsnapt in de sportschool. De knappe jongeling ontsnapt op een dancefeest. Het is allemaal hetzelfde. En gelovigen ontsnappen door naar de kerk te gaan. Ontsnappen aan die wereld waarvan je weet: die is niet meer te redden.

Wij moeten de resignatie van onze tijd niet onderschatten. Zij is de grote, alles bepalende onderstroom van onze cultuur. Wie haar eenmaal gezien heeft, ziet haar overal.

Is geloof ook een vorm van vluchten? Die vraag is te groot om even te beantwoorden. Maar: het heeft er iets van. Geloven is ontdekt hebben: er is iets dat béter is dan het leven (vers 4). Beter dan het arme, maar ook beter dan het rijke leven. Beter dan het leven van de zondaar, maar ook beter dan het leven van de rechtvaardige. Beter dan het leven dat te vroeg stierf, maar ook beter dan het leven van de gelukkige grijsaard. Beter dan het leven van ‘heidenen’ en ‘godloochenaars’, maar ook beter dan het leven van een christen en een kerk.

Daarnaar, naar datgene wat zich aan gene zijde van ons hele mensenwereld bevindt, en wat zich, ‘soms, even’, toont aan haar rand, in het heiligdom, in de kerk (vers 3), daarnaar mag ons verlangen zich uitstrekken. “Alle dingen zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen niet voorbijgaan.” (Marcus 13)