Wat de vogel zingt (Ps 65/ Rom 8)

Wat de vogel zingt

“De dalen juichen; ook zingen zij.” (Psalm 65)

“De schepping zucht.” (Romeinen 8)

Ik was een vogelkijker. Met verrekijker en al erop uit. Het mooiste dat ik ooit zag, was een ijsvogel. Om nooit te vergeten. Het fluiten van de vogels hoor ik ook, en in de lente ben ik verdrietig als ik in de polder weer minder kieviten tel dan het jaar ervoor. En ik vraag me af: wat zingen ze?

In Gerard Reve’s roman Het Boek Van Violet En Dood staat een passage waarin de hoofdfiguur (Gerard Reve) zijn wereldbeeld plaatst tegenover dat van Eddy Kleingeld (alias Rudy Kousbroek). Het gesprek gaat over een vogel. Volgens Eddy “zaten er in het dier, die vogel dus, allemaal klieren die het aan het zingen zetten om zodoende zijn gebied af te bakenen en een andere vogel tot geslachtsverkeer uit te nodigen. Ik geloofde dat niet… Ik zeide dus die vogel heb helemaal geen klieren… je bent tegen God terwijl die vogel gewoon uit zichzelf, spontaan dus, een geheel lied voor God zingt dat niemand hem geleerd heeft, intuïtief dus, door een diepe vroomheid…”

Er is ongetwijfeld een naïeve, romantische voorstelling van de schepping die God looft. We willen dan alleen de merel met zijn jongen zien, en niet de kat die op hen loert. We willen dan alleen van de zeehondjes weten, en niet van de orca die met ze ‘speelt’; alleen van zee om in te zwemmen en niet van de zee van 1953 en van de Leviathan die God maakte om mee te spelen. Ik ben te diep geraakt door het besef dat de natuur één grote martelgang richting de dood is, om die romantische voorstelling van de natuur nog te kunnen vasthouden.

“Het leven vliet gelijk het vlood, / En elk zijn is tot niet-zijn geschapen.” (J.C. Bloem)

Ik begrijp heel goed de verleiding om naar een boom te kijken zoals W.F. Hermans doet in (als ik me goed herinner) zijn meesterlijke vertelling Het behouden huis. Op een gegeven moment komt een van de soldaten terug van een slagveld, ziet in een boom een man hangen, en denkt dan: “Daar zijn de bomen voor, allemaal. Een boom is om in te hangen.”

Hoe kijk je naar de wereld? Is een boom om tegen te pletter te rijden, of is hij een beeld van hoe de mens bedoeld is: groot, fier, vruchtdragend, met diep uitslaande wortels (Psalm 1)? Verwijst hij naar de boom van de val, of naar de boom des levens? Wat zingt de vogel, wat zegt de boom?

De ijskoude Eddy Kleingelds menen dat de vogel en de boom níks zeggen. De waarheid is niks meer dan de som van de stomme, natuurwetenschappelijke feiten. Maar zingen de vogels daarvoor niet net iets té mooi? Is ook de alomtegenwoordige dood daarvoor niet een iets te sprékend feit? Er gaat iets van de werkelijkheid uit, er komt iets op mij af dat om verstaan en antwoord vraagt. De vogel is er om God te loven of hij is er om op te eten – hij is in ieder geval meer dan de som van zijn DNA. Nihilisme en geloof kan ik allebei begrijpen. Het overige lijkt mij verdringing.

Paulus is iemand de romantische scheppingsvoorstelling al ver voorbij is. Volgens hem fluit de vogel niet uit paringsdrift, maar ook niet als lofprijzing. Het fluiten van de vogel is een geoefend zuchten. Dat is een scheppingsvisie waarin alles op God betrokken blijft, maar tegelijk het kwade in de schepping niet buiten de deur wordt gezet. De vogel kreunt, ook als hij fluit. Hij heeft deel aan de val, deel aan de zinloosheid waaraan alles onderworpen is. In het mooie liedje ‘Eva’ zegt Boudewijn de Groot dat na de val “de uil schuine liedjes fluit”. Dat is ook het goede van de zeer naïeve voorstelling dat de leeuw vóór de val gras gegeten zou hebben: er klinkt het besef in door dat álles heel diep doordrongen is van de vloek die over de aarde ligt (Gen. 3:14-19).

Ergo: niets menselijks is de vogel vreemd. Soms looft hij, soms kreunt hij, soms vloekt hij, maar altijd in richting van God. Hij heeft alles onder de zinloosheid besloten om zich over alles te ontfermen.