Welke niemand weet, dan die hem ontvangt (Opb. 2:17)

“Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die hem ontvangt.”  (Openbaring 2:17)

Mensen heb ik gekend die een groot en diep geloof hadden, maar daar nauwelijks over spraken. Zij droegen het zoals men een ketting met daarin de foto van een gestorven geliefde op de borst draagt, onder de kleding, als een kostbaar bezit, zonder die te tonen aan de mensen. Soms, in een oogwenk, in een handdruk, voel je even dat er iets zit, dat er iets is aangeraakt. Dat is genoeg.

Wij leven in een tijd waarin alles open en bloot op tafel moet komen. Televisieprogramma’s zijn daarin heel toonaangevend. Wie televisie van een jaar of veertig geleden bekijkt, begrijpt nauwelijks hoe mensen daarnaar kijken konden. Zoveel inhoud, en zo weinig persoonlijk! Tegenwoordig is het omgekeerd. Zó persoonlijk, en zó weinig inhoud.

Ook in de theologie dringt dat door (voor wie het weten wil). Karl Barth was de grootste theoloog van de vorige eeuw. Hij had ook een liefdesverhouding buiten het huwelijk. Tegenwoordig interesseren zich meer mensen voor die liefdesverhouding, dan voor de inhoud van zijn denken.

Alles moet binnenstebuiten. Dat geldt ook voor de kerk en het evangelie. Wij zouden er eigenlijk net zo gemakkelijk over moeten spreken als over onze hobby of onze vakantie. Dat is natuurlijk groteske nonsens. Als het geloof echt iets is in je leven, dan is het meteen ook allesbepalend. Het is als het bloed in je aderen, het is als de geheime liefdesverhouding die je er naast je wereldlijke leven op na houdt. Daar spreek je niet zomaar over. Praten over geloven is intiemer dan praten over je seksleven. Het is uitstekend als we een besef daarvan bewaren.

Daarom is echt pastoraat niet een routine-zaak, en kan echte evangelisatie geen project zijn dat we afwerken. Echt contact van hart tot hart over ons geloof of ons ongeloof, is een moment waarin het diepste van je ziel op tafel komt. Dat kan slechts na overwinning van grote afstand. “Zij beiden waren naakt, en zij schaamden zich niet.”

Er wordt hierboven geschreven over het verborgen manna en over de naam, die niemand weet, dan die hem ontvangt. Dat is mystieke kant van het christendom, die je in het Nieuwe Testament vooral in de geschriften van Johannes vindt: het evangelie, de brieven en de openbaring die op zijn naam staan. Paulus lijkt soms een ander accent te leggen: “Wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig!” Hoewel we ons ook in Paulus niet moeten vergissen. Hij wist ook van een reëel opgetrokken zijn tot in de derde hemel, waar hij bewust niet over sprak (2 Kor. 12).

Er is een publieke kennis van het geloof. Daar zijn we mee aan de slag in prediking, catechese, missionair werk en theologie. Zij heeft haar nut en noodzaak.

Maar er is ook een geheime kennis, een volstrekt persoonlijk, onmededeelbaar weten: het weten van datgene wat jij alleen weet, omdat het alleen tussen jou en God werkelijkheid is. In dit weten ligt het ware geluk.

 

(Kerkblad Waddinxveen)