Biografie

Willem Maarten Dekker – ik dus – werd op 7 december 1976 geboren te Sebaldeburen (provincie Groningen) als zoon van Wim Dekker en Wijmie Vierwind. Op 9 januari werd ik gedoopt, met als teksten voor de preek: ‘Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door Hem te laten dopen’ (Matth. 3:13) en ‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel.’ (Matth. 4:1). Ik ben de tweede van vijf kinderen. Mijn ouders zijn allebei geboren en getogen in het Veluwse Ermelo, maar zelf kan ik niet zeggen waar mijn wortels liggen, aangezien ik al negen keer in mijn leven verhuisd ben. In 1978 verhuisde ons Hervormde predikantsgezin naar Loenen aan de Vecht. In 1983 vervolgde de weg naar Rotterdam, waar mijn vader predikant werd in de Hervormde gemeente Delfshaven (Pelgrimsvaderskerk). Ik ging naar de nu niet meer bestaande gereformeerde-gemeente-basisschool ‘dr. A. Comrie’ in de Rösener Manzstraat. Op deze school leerde ik elke week een Psalm in de Oude Berijming, samen met de andere leerlingen, van wie toen reeds 80% van allochtone afkomst was. De problematiek van de integratie die pas veel later prominent op de politieke agenda kwam, onderging ik hier aan den lijve. Wij woonden evenwel niet in Delfshaven, maar in Blijdorp, tegenover de dierentuin, die we vaak bezochten. In de gemeente op zondag vond ik maar heel weinig leeftijdgenoten, en vrijwel geen uit de eigen woonwijk of schoolklas. Geloven vond ik als kind al niet normaal.

Na de basisschool ging ik naar het Marnix Gymnasium in Rotterdam. Anderhalf jaar later, in januari 1991, verhuisden we naar Wezep. Ik ging naar school in Zwolle, het Gymnasium Celeanum. Op dit openbare gymnasium kreeg ik uitstekend onderwijs, waar ik nog steeds de vruchten van pluk. Vreemd was alleen dat ik alles leerde over de antieke Griekse en Romeinse goden, over de grotvergelijking van Plato en het fatalisme van de Stoa, maar niets over de Bijbel of het christendom. Op zondag ging ik naar de kerk, en dan werd ik vaak geraakt door de sfeer van eerbied, de preek of de gezongen Psalmen, en thuis kregen geloof en kerk veel aandacht, maar wat dat alles met de rest van het leven te maken had, begreep ik niet.

Op school vond ik alle vakken interessant. Daarom deed ik niet in de verplichte zeven, maar in negen vakken examen: Nederlands, Grieks, Duits, Engels, Geschiedenis, Wiskunde B, Natuurkunde, Scheikunde, Biologie. Toen ik een vervolgstudie moest kiezen, gaf ik mij eerst op voor milieubiologie aan de Universiteit Wageningen. Het milieuprobleem leek mij het grootste probleem dat er was, en ik wilde dat graag helpen oplossen. Ik correspondeerde echter ook met een predikant over theologie. Uiteindelijk koos ik voor theologie, zonder dat ik ooit bij een open dag geweest was. Als je toen gevraagd had, waarom ik hiervoor koos, had ik geen antwoord kunnen geven. Ik ervaar het daarom als een ingeving.  Ik weet nog goed hoe mijn leraar wiskunde, op de dag van mijn diploma-uitreiking, zijn verwondering en ergernis over mijn keuze uitsprak: ‘Jammer van zoveel talent.’

Het werd theologie in Utrecht, zowel aan de faculteit als aan de kerkelijke opleiding vanwege de Nederlandse Hervormde kerk. Ik aarzelde of ik de laatste opleiding wel zou volgen, want ik kwam niet om predikant te worden. Ik was gekomen om te onderzoeken wat het christendom na 2000 jaar nog waard was, of het een doorstart waard was of niet. Ik werd wel lid en later praeses van de Gereformeerde Theologen Studentenvereniging “Voetius” en leerde eigenlijk toen pas de ‘Refo-wereld’ kennen, want al was Voetius een tamelijk divers gezelschap, veel studenten kwamen van reformatorische scholen. Het eerste jaar had ik het qua studie niet heel erg naar mijn zin, want dit jaar bestond hoofdzakelijk uit twee vakken: Hebreeuws en geschiedenis van de filosofie. Ik begreep wel dat de kennis van Hebreeuws heel belangrijk was, maar inspirerend vond ik het leren van weer een andere taal niet. En bij de geschiedenis van de filosofie hoorde ik niet zoveel dat ik nog niet wist; terwijl daar wel meer mijn belangstelling lag. Daarom begon ik in het tweede jaar een tweede studie, aan de faculteit wijsbegeerte. Gaandeweg dat tweede jaar werd theologie echter steeds interessanter. Er kwamen colleges exegese, theologiegeschiedenis en dogmatiek. Vooral het laatste vak ging mij boeien – een vak dat tot op heden nog steeds geassocieerd wordt met dogmatisme, maar dat geheel ten onrechte. Dogmatiek is zelfs de enige maatregel die dogmatisme kan  voorkomen.

Beslissend voor mijn theologische ontwikkeling werd een half jaar studie aan de faculteit ‘Evangelische Theologie’ (protestantse theologie) van de Eberhard-Karls-Universiteit te Tübingen. Daar leerde ik de lutherse theologie kennen. Ik volgde colleges bij Eberhard Jüngel, Peter Stuhlmacher, Otfried Hofius, Oswald Bayer en Eilert Herms. Vooral de colleges van Jüngel waren indrukwekkend. Ik ontdekte bij hem een manier van denken, die dicht bij het hart van het evangelie kon blijven (de gekruisigde Christus) en tegelijk intellectueel op alle punten kon meedoen in wetenschap en cultuur.

Ik studeerde in 2002 af aan de faculteit Utrecht met een scriptie over de theologie van Jüngel en aan de kerkelijke opleiding met een scriptie over K.H. Miskotte’s en A. van de Beeks interpretaties van het boek Job. Daarna kwam er bij het ‘Hervormd Theologisch Wetenschappelijk Instituut’ een plek vrij voor een ‘assistent in opleiding’ (promovendus) in de systematische theologie. Ik kreeg de baan en mocht mij vier jaar lang bezig houden met de grote vragen van de godsleer. Het resulteerde in een proefschrift over de verhouding van Gods onafhankelijkheid en relationaliteit; Gods vrijheid en Gods liefde. Het werd een debat tussen gereformeerde dogmatiek (F. Turrettini) en lutherse dogmatiek (E. Jüngel), tussen klassieke theïstische theologie (Turrettini) en moderne openbaringstheologie (Jüngel) en tussen een metafysische manier van denken (Turrettini) en een relationeel-ontologische manier van denken (Jüngel). De promotie was in februari 2008 (promotor prof. dr. J. Muis, Utrecht). Daarbij was ook prof. dr. Eberhard Jüngel uit Tübingen aanwezig, die deze dag tevens een gastcollege hield. Het proefschrift werd uitgegeven onder de titel ‘De relationaliteit van God’ (Boekencentrum, 2008). In mijn proefschrift is de held voor mij uiteindelijk noch Turrettini noch Jüngel, maar Luther – de klassieke, met Deus absconditus en al. Ik voel mij tot op heden een gereformeerde lutheraan.

Na mijn promotie moest ik even op een beroep wachten. Ik verdiende mijn geld als medewerker bij de facilitaire dienst van Altrecht. De mensen daar vonden het bijzonder vreemd maar ook interessant dat ik predikant wilde worden. Dat leverde leuke gesprekken op. Op zondagen ging ik overal in den lande in zeer verschillende kerkelijke gemeenten voor; iets dat ik al sinds december 1999 deed.

Er kwam een beroep van de Hervormde gemeente Mastenbroek (P.K.N.) dat ik aannam. Ik januari 2009 werd ik bevestigd. Een prachtige gemeenschap in een agrarische omgeving, waar ik met mijn vrouw en drie kinderen genoten heb van het plattelandsleven, de mensen en de fulltime dienst in de kerkelijke gemeente – met af en toe een uitstapje naar de (academische) theologie. Zo gaf ik in 2011 een cursus dogmatiek aan zesdejaars studenten (deeltijd).

In 2013 kwam het beroep van de Hervormde wijkgemeente ‘De Morgenster’ te Waddinxveen. In februari 2014 begon ik daar als predikant en daar werk ik nog met veel plezier.

Boeken:
– Provocatie. Over de zin van God en geloof, Heerenveen: Groen 2012. ISBN 978-90-8897-033-7. Genomineerd voor de Theologie Publicatieprijs 2013.
– De relationaliteit van God. Onafhankelijkheid en relatie in de godsleer en ontologie van Francesco Turrettini en Eberhard Jüngel. Zoetermeer: Boekencentrum 2008.